De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een domine vertelt!

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een domine vertelt!

6 minuten leestijd

XXIX Verschillende overgangen. 

Het is ongetwijfeld zowel voor de predikant, als voor de Gemeente, goed, dat domine niet te lang blijft, maar wanneer de mogelijkheid zich voordoet, ook eens van standplaats verandert.

Dat gaat in de Roomse Kerk anders toe dan bij ons. Daar worden haar dienaren eenvoudig op een bepaalde plaats of post gezet en met of zonder hun wil straks overgeplaatst.

Iets dergelijks vond men ook in de Indische Kerk van vorige jaren, al was hiertussen natuurlijk groot verschil.

In de Nieuwe Kerkorde komt nu de bepaling voor, dat een Candidaat of Predikant gebonden is, althans vier jaar op een plaats te blijven.

Vroeger was dat anders. Alleen vóór de Candidaten tot de Heilige Dienst gold toen de bepaling, dat zij tenminste twee jaar aan hun eerste plaats gebonden waren. De dominees waren echter geheel vrij, na hun eerste Gemeente. Zij mochten blijven zo lang of zo kort zij zelf wilden.

Er zijn dan ook voorbeelden te over van dominees, die ,,als op vleugelen weg vlogen". Het scheen bij hen wel te zijn : ,,Ik kwam, ik zag ; ik overwon !"

Doch dat was maar schijn. In werkelijkheid hadden zij ,,het nieuws er haast meteen afgekeken".

Het is goed, dat aan deze dingen door de kerk paal en perk is gesteld. Al komt het mij voor, dat een bindende periode van vier jaar toch wel wat lang is. Men is nu eenmaal in de ene Gemeente eerder uitgewerkt dan in de andere.

Intussen is het voor domine niet kwaad, dat hij nu eens rustig begint te werken. Des te eerder raakt hij thuis. Zijn stapeltje oude preken mag gerust onaangetast blijven liggen. Dat zal zijn geest verfrissen. Vers brood is verkieselijker dan opgewarmd.

Dus domine, blijf dan nog wat, wanneer gij de Gemeente waarlijk iets goeds te brengen hebt. Ga dan ook niet voor het eerste bewaar op de loop. Hier laat gij immers wat; maar daar vindt gij wat.

Laat uw werk eens wat bezinken, waar gij bij zijt !

Misschien raak ik hier wel een teer punt aan. Er zijn predikanten, die nooit een beroep ontvingen en nog altijd op hun eerste standplaats zich bevinden. Het moet voor hen een bittere gedachte zijn, ,,onbegeerd" te wezen en in meer dan één pastorie wordt ook hierom geleden en draagt men in stilte zijn kruis.

Of is dat niet bitter, wanneer andere Collega's u vooruit vliegen en gij moet blijven, waar gij zijt, omdat uw woord en arbeid niet in tel is ?

De mensen kunnen soms zo onbarmhartig zeggen : „Die of die heeft de spa meegebracht ; daar zal wel een reden voor zijn".

Men vergeet, dat iedereen toch wel een prikkel voor zijn arbeid nodig heeft; en wanneer die prikkel niet aanwezig is, zinkt ook de werklust in een.

Deze gevallen doen zich ook wel voor, terwijl de leer, die gepredikt wordt, de toets waarlijk wel doorstaan kan.

Ik doe hier_ een gevaarlijke vraag en toch wil ik ze stellen : Zijn het altijd de beste predikanten, die de meeste beroepen krijgen ?

Dat behoeft volstrekt niet zo te zijn. Is eenmaal de aandacht op een bepaalde domine gevestigd, dan volgt de rest van zelf.

Gij weet ook wel, hoe dat veelal gaat: Een Kerkeraad heeft een paar maal iemands naam gelezen en zegt dan : „Die man krijgt veel beroepen ; daar moesten wij ook maar eens heengaan. Wij zullen er niet mee bekocht wezen".

Ook dit al weer een bewijs, dat er nog niet zo heel veel Kerkeraden zijn, aan wie het horen is toevertrouwd.

Verandering van standplaats blijft intussen wenselijk. Vooral wanneer de Gemeente klein is en men spoedig uitgewerkt is. Dan is het voor leraar en Gemeente beide wel eens goed.

Er kan een tijd komen, waarin de Gemegnte aan prediking en arbeid en zegswijze van de leraar zó gewoon geworden is, dat velen er niet koud of heet meer van worden.

In de eerste tijd vielen hun althans sommige dingen nog op ; thans echter ook dat niet meer. Men verwondert zich eigenlijk over niets meer.

Het gevoel, dat men, geen notitie van zijn arbeid meer neemt, kan een Evangeliedienaar wel eens beheersen. Men schijnt zich weinig meer te storen aan zijn raad of waarschuwing en het is precies alsof men afgedaan heeft.

Nu is het mogelijk, dat men zich in zijn gevoel kan vergissen, maar is dat niet zo, dan is verandering wenselijk en komt er een beroep naar een andere plaats, dan kon dat wel eens een wegwijzing van boven zijn.

Heeft men alzo een beroep naar een andere Gemeente aangenomen, dan staat men dus voor een overgang.

De intree in een nieuwe Gemeente is in zekere zin weer een beginnen van voren af aan. Maar dan met dit grote verschil, vergeleken met het eerste begin : Nu heeft men al een stuk practijk achter de rug. Gebruikmakend van de ervaring, die men in de eerste Gemeente opdeed, zal men onwillekeurig sommige dingen nu anders doen.

Gaarne mag ik hier nog eens aan die overgangen in mijn ambtelijk leven terugdenken.

Mijn eerste Gemeente was een vriendelijk dorpje. Enkele bijzonderheden deelde ik u op andere plaats reeds mede, die ik daarom niet herhaal.

Alleen nog dit: De mensen hielden daar wel van, wanneer men, ook buiten het huisbezoek om, nog eens op kwam lopen, terwijl zij zelf ook wel aankwamen aan de pastorie.

Na de avondpreek wandelde de Kerkeraad gaarne ook nog even mee. Dat kon daarom zo goed, omdat domine heus niet voor de derde maal behoefde te preken. Men sprak met elkander vrij en ongedwongen.

In zulk een eerste Gemeente doet men vaak de meeste indrukken op en het is in het geheel niet ongewoon, wanneer ook in latere jaren van het ambtelijk leven de eerste standplaats nog altijd bovenaan staat.

Men zegt wel eens, dat een eerste Gemeente ons min of meer vormt. Dat kan dan ook zijn groot nut hebben, wanneer wij tenminste onafhankelijk van de mensen, ons zelf blijven.

Tegenstand heb ik daar weinig of niet ondervonden. Men was het eens met de prediking, die gebracht werd en onkerkelijke stromingen kwamen daar bijna niet voor.

Het is zeer zeker heerlijk, wanneer er tenminste geen leerverschillen aan de orde zijn ; want dergelijke gesprekken verlopen meer dan eens maar al te ongeestelijk.

Het heeft enige tijd geduurd, alvorens er een Beroep kwam „opdagen". Wat zal een mens daarvan zeggen ? Wereldvermaard was ik nu eenmaal niet en ik ben mij niet bewust, dat ik op zo iets ook aanspraak maakte.

Ik miste daartoe ook de intonatie van een machtig stemgeluid.

Maar wie mij in die dagen in mijn hart had kunnen kijken, zou daarin gelezen hebben : „Een Beroep wil ik toch wel eens hebben".

Immers van het eerste Beroep worden wonderen verteld. Men zegt er van, dat het zo goed is voor domine en ook voor zijn Gemeente.

Dat zal dan wel zo wezen! Intussen ben ik toch de eerste maal niet weggegaan.

Ik weet nog goed, hoe sommige gemeenteleden eerst wel een beetje boos waren, omdat ik tenslotte een beroep aannam naar een plaats, zo dichtbij, die zij altijd een beetje hadden veracht.

Een diaken, die er eens met mij doorheen reed, zei zo uit de hoogte : „Ziet u wel, domine? Eén stap van het paard en wij zijn er door!"

Maar die zogenaamde boosheid luwde spoedig en bij mijn afscheid was er niets meer van te bespeuren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Een domine vertelt!

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's