Het ontwerp voor een generale regeling voor de predikantstractementen
Opmerkingen in hef algemeen.
De eerstvolgende vergadering der Generale Synode, die in deze maand September staat gehouden te worden, zal ook hebben te beraadslagen en te beslissen over een ontworpen generale regeling voor de predikantstractementen. Onafscheidelijk van deze regeling is die der pensioenen. Het ontwerp, dat aangeboden wordt, vormt met de toelichting een geschrift van 70 bladzijden. Het geheel is een samenstel van bepalingen en getallen, dat niet aanlokt om er zich in te verdiepen. Dat ligt nu eenmaal in de aard dezer materie. Doch de predikanten zullen beseffen, dat in dit ontwerp hun financiële positie voor het gehele leven geregeld wordt en daarom zal er de prikkel zijn om ondanks de dorre lectuur er toch kennis van te nemen. Anderzijds hebben de gemeenten een direct belang bij deze regeling, want uiteindelijk zullen de bedragen, die nodig zijn, toch door de gemeenten bijeengebracht moeten worden. Het is daarom in het belang van predikanten en gemeenten om van dit ont werp kennis te nemen. Beiden zijn zeer nauw bij deze dingen betrokken.
Het aangeboden ontwerp brengt onmiddellijk in aanraking met de prealabele vraag, op wie het onderhoud van de Dienaar des Woords rust. De Heilige Schrift wijst ons hierbij duidelijk de weg. Als Christus zijn discipelen uitzendt om het Evangelie te prediken, stelt Hij als regel, dat de dienaren van het Evangelie onderhouden zullen worden door degenen, aan wie het Evangelie gebracht wordt. Ook van de Evangeliedienaar geldt, dat hij zijn loon of zijn voedsel waardig is. (Matth. 10 VS. 10 en Lucas 10 vs. 7). Ook de Heere Jezus werd gediend van de goederen dergenen, die tot de kring zijner volgelingen behoorden. Meer uitvoerig handelt Paulus in 1 Cor. 9 over de onderhoudsplicht der gemeente voor de Dienaar des Woords. Hij betuigt, dat hij evenals andere apostelen macht heeft om onderhoud te ontvangen. Wie dient ooit in de krijg op eigen bezoldiging? Wie plant een wijngaard en eet niet van zijn vrucht? Of wie weidt een kudde en eet niet van de melk der kudde? Alzo heeft ook de Heere geordineerd, dengenen, die het Evangelie verkondigen, dat zij van het Evangelie leven.
In een geordend kerkelijk leven zal een gemeente deze verplichting, die gegrond is in Gods Woord, ook nakomen. Deze plicht vloeit trouwens ook reeds voort uit de roeping, die van de zijde der Kerk uitgaat tot de Dienaar des Woords. Een behoorlijke waarneming van het ambt van Evangeliedienaar eist de gehele mens. Op de gemeente rust daarom de plicht voor haar predikant te zorgen. Toen na de Reformatie het kerkelijk leven geordend werd, is er dan ook in de Dordtse Kerkkenordening een artikel opgenomen waarbij de Kerkeraad als representerende de gemeente er op gewezen werd, dat het zijn plicht is om zijn Dienaars van een behoorlijk onderhoud te verzorgen. Niet steeds is de gemeente die plicht behoorlijk nagekomen. De jaren liggen nog niet zó ver achter de rug, dat in menige pastorie armoede was binnengedrongen. Zulke toestanden strekken de gemeente niet tot eer en wreken zich op de Kerk zelf. De predikant gaat er toe over om bijverdiensten te zoeken, aangezien hij toch ook de plicht van onderhoud van het eigen gezin heeft. Sommigen zijn wel gevlucht uit het ambt. Er is een geringe toevloed van jonge mannen, die voor het ambt van predikant wensen opgeleid te worden, vooral uit de beter gesitueerde standen. Allicht zal de opmerking gemaakt worden, dat een gemeente weinig gebaat zal zijn bij een predikant, die dit ambt om den brode heeft gezocht. Maar anderzijds mag de gemeente ook wel de hand in eigen boezem steken en zich afvragen of zij haar plicht tegenover de predikant, om te voorzien in een behoorlijk onderhoud, steeds is nagekomen. Er moet evenwel opgemerkt worden, dat naarmate de gemeente en de predikant dichter bij de Bijbelse waarheid leefden, die een kracht en troost is in leven en sterven, er ook getrouwer de onderhoudsplicht door de gemeente werd nagekomen. Op dit gebied geldt : Al wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn leven.
Een waarlijk levende gemeente deelt haar mede dengene door wiens dienst geestelijk leven wordt gevoed.
De droeve realiteit is nu, dat een gemeente soms gemakkelijk inzinkt in haar plicht tegenover de predikant. Helaas, er geldt ook op dit terrein nog de wet uit de economie van vraag en aanbod. En zo is er door een gemeente wel eens misbruik gemaakt van de overvloed van predikanten. Anderzijds heeft men bij schaarste wel eens een predikant gekocht. En wie weet of dit bij het gebrek aan predikanten van Gereformeerde richting soms nog niet gebeurt.
De sobere bezoldiging nu, tijdens en kort na de eerste wereldoorlog, is de aanleiding geweest dat het reglement op de predikantstractementen is ingevoerd. Hier bij werd verplicht een minimum-tractement uit te keren en bovendien een jaarlijkse bijdrage te storten in de centrale kas. In een beoordeling van dit reglement willen we nu niet treden. De critiek daarop was dikwijls veel. De tegenstand bleef lange tijd hardnekkig. In de loop der jaren is het evenwel geheel doorgevoerd, althans vrijwel geheel. Op een enkele gemeente na, heeft men het verzet opgegeven. Dit reglement op de predikantstractementen nu staat op het punt om vervangen te worden door de generale regeling voor de predikantstractementen, die nu in ontwerp is aangeboden.
Overeenkomstig het bepaalde in de ordinantie voor de tractementen en pensioenen, komt dit ontwerp niet ter tafel in de classicale vergaderingen. De consideraties (overwegingen) worden slechts gevraagd van de provinciale kerkvergaderingen, de algemene kerkvoogdijraad, de provinciale kerkvoogdijcommissies en de brede ministeries. De behandeling dezer belangrijke materie is onttrokken aan de grondvergaderingen der Kerk, waarin de gemeenten, vertegenwoordigd door haar kerkeraden, bijeen zijn. Tekenend is nu, dat geadviseerd wordt om het oordeel te vragen van het hoofdbestuur van de vereniging van kerkvoogdijen, de raad voor tractementen, de raad voor predikantspensioenen, de quaestoren-commissie der weduwenbeurzen en het hoofdbestuur van de bond van Nederlandse predikanten. Uit dit advies blijkt, hoe de vrees, dat de raden en commissies in onze Kerk een overheersende positie zouden gaan innemen, niet ongegrond was. Een streven wordt openbaar om allerlei raden een invloedrijke positie in te ruimen, terwijl classicale vergaderingen en kerkeraden buiten de behandeling blijven. Zulk een wijze van behandeling is toch moeilijk te rijmen met een waarlijk presbyteriale kerkregering, zoals toch in uitzicht gesteld is. De plaatselijke gemeenten worden buiten de bespreking gehouden, terwijl deze gemeenten straks zullen moeten betalen, wat van boven af opgelegd wordt. Het is toch de gemeente, die beroept en in de eerste plaats verantwoordelijk is voor het onderhoud van de predikant. De medezeggingschap wordt haar echter onthouden, of beter, onttrokken. Haar wordt van boven af opgelegd. Hier is de uitholling van de rechten harer zelfstandigheid, die ze suo jure bezit. Door het centraliserend karakter der kerkorde is er verplaatsing van macht van de plaatselijke gemeente naar de centrale organen. Deze beginselen zijn in de kerkorde neergelegd en zullen van lieverlede wel verder uitgewerkt worden bij de reglementering der Kerk in de toekomst. De greep op de gemeenten van boven af zal mettertijd machtiger worden. Het is te vrezen, dat de noodlottige gevolgen daarvan dan ook niet uit zullen blijven. Een gecentraliseerde regering der Kerk doet het medeleven der gemeenten verflauwen en doodt het verantwoordelijkheidsgevoel. Het gevolg zal zijn, dat de vereiste bijdragen moeizaam opgebracht zullen worden. Een korte tijd kan dan met machtsmiddelen wel doorgezet worden, maar in een Kerk heerst nu eenmaal het principe der vrijheid. Men sluit zich bij een Kerk vrijwillig aan en ook de bijdragen voor de Kerk moeten op vrijwilligheid en overtuiging blijven steunen. Het is nu eenmaal een feit, dat men meer verantwoordelijkheid gevoelt voor eigen gemeente dan voor het verder verwijderd liggende geheel. Een opgelegde regeling wekt tegenzin. Dwang is vreemd aan het karakter der Kerk. Een keurslijf van onschriftuurlijke bepalingen benauwt haar en belemmert de gezonde ontwikkeling van haar leven. Hoe meer ze leeft naar de regel van Gods Woord, hoe meer de voorwaarden voor een gezond geestelijk leven geschapen worden.
Goed beschouwd is een generale regeling voor de predikantstractementen een Kerk onwaardig. Het moet een gemeente voldoende zijn om gewezen te worden op haar Bijbelse plicht. Zulk een regeling is eigenlijk beschamend voor een Kerk. Het moest in een goed geordende en geestelijk levende Kerk voldoende zijn, als vanwege de classis toezicht gehouden werd op de nakoming van de plicht der gemeenten voor een behoorlijk onderhoud en desnoods de approbatie van een beroep te onthouden.
Het valt ook niet tegen te spreken, dat de band tussen predikant en gemeente onwillekeurig losser zal worden, als er een gecentraliseerde regeling der tractementen is. Dat geldt voor beide partijen. Het ligt voor de hand, dat een predikant bij een gecentraliseerde regeling zich zelfstandiger zal gaan gevoelen tegenover zijn gemeente. Dat mag misschien wel eens zijn goede zijde hebben, maar over het geheel zal dit ongunstig werken. En voor een gemeente geldt, dat ze gevoelt voor hetgeen ze moet bijdragen. Men kan de normen, in Gods Woord gegeven, niet straffeloos negeren.
Bezwaren tegen hef ontwerp zelf.
Wanneer de Kerk een regeling gaat treffen voor het onderhoud der predikanten, vloeit daaruit voort, dat ze deze moet uitbreiden tot de emeritus-predikant. De Kerk heeft immers ook te zorgen voor haar dienaren, als deze wegens ouderdom of invaliditeit hun ambt niet meer kunnen waarhemen. Te meer rust op de Kerk deze plicht, nu ze het verplicht emeritaat op 65-jarige leeftijd heeft ingevoerd. Ze mag tot haar dienaren op dit tijdstip niet zeggen: Ga heen en word warm. Het is dus alleszins begrijpelijk, dat aan een generale regeling van het tractement een regeling der pensioenen is gekoppeld.
Ofschoon het meer in overeenstemming met de geheel enige verhouding, die er bestaat tussen de Kerk en de predikant, zou zijn, dat er premievrij pensioen zou toegekend worden, is de Kerk toch de weg opgegaan, dat ook de predikant premie betaalt voor zijn pensioen. In dit systeem moet de hoogte van het pensioen afhankelijk blijven van de premies, die zijn gestort.
Nu staat men voor het feit, mede door het verplichte emeritaat op 65-jarige leeftijd, dat er vele emeriti zijn, die een pensioen ontvangen, dat te laag en de Kerk onwaardig geacht moet worden. Ook de pensioenen der toekomstige emeriti zijn reeds weer gedevalueerd in deze jaren en behoren op een redelijk niveau gebracht te worden. Om deze te lage pensioenen nu te kunnen verhogen, zijn de premies in de voorgestelde regeling op zulk een hoogte gesteld, dat men de hogere kosten daaruit zal kunnen bestrijden. De premies voor de tegenwoordige predikanten zijn dus hoger dan pensioen-technisch berekend voor hen zou nodig zijn. De jongere predikanten betalen dus een verhoogde premie terwille van de verhoogde pensioenen hunner oudere collega's. Dit moge nu uit een oogpunt van Christelijke barmhartigheid zeer te waarderen zijn, het is philantropisch en technisch niet te verantwoorden. Hoewel predikanten pensioen-technisch tot de ongeschoolden moeten gerekend worden volgens de toelichting op deze generale regeling, zullen ze toch wel zóveel begrip van deze stof hebben, dat het pensioen-technisch beoordeeld toch niet redelijk is om een hoger pensioenpremie te vragen ter wille van hoger pensioen van derden. Dat men de emeritipredikanten een behoorlijk pensioen vanwege de Kerk toekent, is haar plicht, doch dan moeten de hogere uitgaven niet verhaald worden op jongere collega's. De Kerk behoort dan uit andere fondsen deze verhoging te financieren. De Kerk legt de lasten voor de pensioenen der oudere collega's, die ze zelf in de schrale weide van het emeritaat zond, op de schouders der jongeren, althans ten dele.
Blijkbaar gevoelt de commissie voor de herziening zelf, dat er in de voorgestelde regeling iets wringt en verwacht ze op dit deel critiek. Bij voorbaat wil ze zich reeds verdedigen door aan te voeren, dat gelden, die reeds uitgegeven zijn om het pensioen op een behoorlijk peil te brengen, niet tegelijkertijd kunnen worden gebruikt tot verbetering van andere onderdelen van het tractement.
Het op peil brengen van de pensioenen heeft schijnbaar bij de commissie wel bovenaan op de agenda gestaan. Er werd schuld gevoeld tegenover de predikanten, die onverwacht en vaak tegen hun wil gedwongen werden om emeritaat te nemen. Dat deze predikanten geholpen worden, is plicht, doch dit mag niet geschieden op kosten van jongere collega's.
De gehele regeling van tractementen en pensioenen is gebaseerd op de meermalen geuite gedachte, dat pensioen uitgesteld loon is of een onderdeel van het tractement. Deze gedachte wordt op juridische gronden bestreden : de nagelaten betrekkingen hebben geen recht op het pensioen van de overledene.
Bedrag der pensioenpremies. Verband met Rijkstractement.
Uit het voorgaande kan reeds opgemaakt worden, dat de pensioenpremies noodwendig boven het normale moeten uitgaan. Deze bedragen zijn inderdaad niet gering. In klasse V bedragen ze voor gemeente en predikant jaarlijks ieder ƒ 540.-, dus gezamenlijk ƒ 1080.— ; in klasse I voor gemeente en predikant jaarlijks ieder ƒ 720.—, dus gezamenlijk ƒ 1440.—. Het pensioen zal met een diensttijd van 36 jaar op 65-jarige leeftijd ƒ 3960.— bedragen. Doch in dat pensioen is dan begrepen een kleine ƒ 1000.— rijkspensioen, waarvoor geen premie verschuldigd is. De Kerk heeft dus slechts te zorgen voor een pensioen van omstreeks ƒ 3000.—. Daarvoor moet dan in klasse V per jaar ƒ 1080.— aan premie betaald worden of 36%. Voor klasse I wordt dit 48%. Een Verzekerings Mij. vraagt voor een soortgelijke pensioen-verzekering ongeveer 22% van het te ontvangen pensioen. Voor Rijks- en Gemeenteambtenaren is de pensioenbijdrage door ambtenaar en publieke lichamen gezamenlijk te storten 16:1%. Oordeel zelf of deze premies hoog zijn.
Nu pareert de commissie voor de herziening reeds de aanvallen, die van de zijde der predikanten zullen gedaan worden op het bedrag der premies, door er óp te wijzen, dat het bedrag van het Rijkspensioen moet verdisconteerd worden ten laste van de gemeenten. Als bezwaar ziet men ook al rijzen bij de predikanten, dat de pensioenpremies van predikant en gemeente gelijk zijn, terwijl de werkgever in de regel een groter bedrag in de pensioenlasten draagt. Nu wil men het Rijkspensioen laten zien als een last, die op de gemeente drukt. Niets is echter minder waar. De gemeente behoeft daarvoor geen premie te betaten, want dit Rijkspensioen is premievrij. En Rijkstractementen en - pensioenen der predikanten zijn een persoonlijk recht van de predikant, die de standplaats bezet. Dit Rijkstractement en - ^pensioen gaat volkomen buiten de gemeente om. Het is dan ook een raadsel, dat men in de ontworpen regeling de uitbetaling dier tractementen en pensioenen via de Kerkvoogdij wil doen plaats hebben. Hier is weer een symptoom van het streven om alle fondsen en rechten gecentraliseerd in één hand te verenigen. Tegen deze inbezitneming van rechten moeten de predikanten zich verzetten, ook terwille van het nageslacht der predikanten, dat na hen optreedt en spoedig geen weet meer zal hebben van hun oorspronkelijk recht. Als men eenmaal de voet gezet heeft op deze weg, zijn 't weinige stappen meer en de uitbetaling der Rijkstractementen geschiedt in een bedrag ineens aan een centrale kas.
De ligger.
Alvorens een gemeente overgaat tot het vaststellen van een ligger, moet ze van de provinciale kerkvoogdijcommissie een verklaring vragen, dat deze de gemeente in staat acht de krachtens de ligger op haar rustende verplichtingen inzake tractement en pensionnering na te komen, zonder dat dit geschiedt ten koste van haar andere verplichtingen, inzonderheid ook van die, welke betrekking hebben op een regelmatig en redelijk onderhoud van haar gebouwen en goederen. Art. 16.
In dit artikel wordt het onderhoud der gebouwen feitelijk primair gesteld aan de vervulling van de predikantsplaats. Het wil me voorkomen, dat de volgorde omgekeerd gesteld moet worden. Als een predikant in een gemeente arbeidt, vloeien de inkomsten allicht rijker. En vóór alle dingen moet toch voorzien worden in de vacature.
Het is ook een vreemde zaak, dat een kerkvoogdelijke instantie over deze aangelegenheid van een ligger moet oordelen. Zo kunnen ze aan een gemeente een predikant onthouden. Te meer dreigt dit gevaar, daar de ervaring leert, dat kerkvoogden wel eens meer over hebben voor onderhoud van gebouwen, dan voor onderhoud van de predikant. Daarom ook behoort de goedkeuring in handen van, moderamina der ambtelijke vergaderingen gelegd te zijn.
Bij weigering van afgifte van deze verklaring is geen beroep mogelijk, maar de provinciale kerkvoogdij-commissie brengt de aanvrage bij het breed moderamen der provinciale kerkvergadering, als overleg niet tot een oplossing leidt. Ook bij de behandeling voor deze instantie kan een gemeente slechts goedkeuring van een ligger voor een afzonderlijke predikantsplaats verkrijgen, wanneer ze ten genoege van de provinciale kerkvoogdij-commissie aantoont de lasten, die daaraan verbonden zijn, zelf en geheel te kunnen en te willen dragen. In dit stadium van behandeling wordt onderzocht of de betrokken gemeente in aanmerking zou komen voor het aangaan van een combinatie, dan wel voor opneming in een pastoraal verband of voor toetreding tot een centrale gemeente.
Men zal begrijpen, dat op een financieel zwakke gemeente alle pressie kan en ook wel eens zal uitgeoefend worden tot combinatie in een of andere vorm. Wordt de vereiste verklaring toch afgegeven, dan is het breed moderamen toch bevoegd om aan die afgifte de voorwaarde te verbinden, dat de predikant dier gemeente tevens belast wordt met een pastorale opdracht in een of meer gemeenten uit de omtrek. Uit de gehele opzet van art. 16 wordt duidelijk, dat er een dringen is in de richting van combinaties. In dit artikel wordt een macht gegeven in handen van de provinciale kerkvoogdij-commissie, die fataal kan worden voor de zelfstandigheid der kleine gemeenten. Van hoger hand kan men door onthouding van.de vereiste verklaring, bedoeld in art. 16, middellijk dwingen tot combinatie. Combinaties van kleine gemeenten kunnen nodig of gewenst zijn, doch dan moeten deze gemeenten bij elkander passen en bereid zijn tot samenwerking. Dwang van boven af zal wel eens noodlottige gevolgen kunnen hebben. Desniettemin blijkt er bij de commissie van dit ontwerp wel een streven te zijn de oplossing van de bearbeiding der kleine gemeenten in die richting te zoeken. Vandaar een voorstel tot toevoeging aan ordinantie 2 van een nieuw art. 24, dat de materie betreffende gemeenten met een pastoraal verband regelt.
De hoger plaatst ons weer temidden van de kwesties omtrent het beheer der pastorie- en vicariegoederen. Bij de behandeling van de ordinantie voor de kerkelijke financiën is opgemerkt, dat de greep naar het beheer over genoemde goederen door de kerkvoogdij een juridisch onrechtmatige daad is. Hier heeft men te doen met afgezonderde vermogenscomplexen, waarover wel het toezicht op het beheer aan de kerkvoogdij kan worden toegewezen, doch nimmer het beheer zejf. De opstellers dezer generale regeling voor de tractementen zullen met deze. rechtskwesties zonder twijfel ook op de hoogte zijn. De kerkvoogdij kan dit beheer niet tot zich trekken. Een pastor kan hier niet gedwongen worden, dit beheer af te staan. Doch nu wordt een predikant, die een beroep aanvaardt, voor grote moeilijkheden geplaatst, wanneer hij zich zijn rechten als predikant voorbehouden wil. Hij verbindt zich door het aanvaarden van het beroep de krachtens de ligger op hem rustende en in de generale regeling voor de predikantstractementen en die voor de predikantspensioenen nader omschreven verplichtingen ten volle na te komen. In de ligger nu is de verklaring opgenomen, dat het beheer, de vervreemding, de bezwaring en de administratie van de pastoriegoederen geschieden overeenkomstig de bepalingen, opgenomen in art. 9 van de ordinantie voor de kerkelijke financiën. Krachtens de aanvaarding van een beroep verbindt een predikant zich vervolgens ook tot delegatie van de inning van rijkstractement, opbrengst der pastoralia en andere, krachtens de ligger aan de predikant toekomende inkomsten aan de kerkvoogden.
Hier wordt de oude tactiek toegepast : rechtstreekse dwang kan niet uitgeoefend v/orden, doch het verzet wordt gebroken door de onmogelijkheid voor een predikant een beroep aan te nemen. En nu moet toegegeven, dat hier geen gewetensof beginselkwesties in het geding zijn, maar wel wordt hier een predikant uit zijn rechtspositie verdrongen. Sommigen zal dit koud laten. Anderen zal het bitter stemmen. We staan hier voor een uitvloeisel van de centralisatie van de regering der Kerk, die gemeenten en predikanten van hun zelfstandigheid en rechten berooft.
De ligger schept de mogelijkheid, dat aan het tractement een standplaatstoelage wordt toegevoegd, mits zulks op de ligger wordt vastgelegd en wel ter verhoging van de aanvangswedde. Het is niet onwaarschijnlijk, dat verschillende gemeenten deze mogelijkheid te baat zullen nemen. Nu is het niet recht duidelijk, of hier bedoeld wordt een toelage aan de standplaats of een personele toelage, die dan alleen aan de predikant wordt uitgekeerd. Art. 2 al. 5 spreekt van een standplaatstoelage, terwijl art. 19 al. 1 spreekt van een personele toelage. Nu schijnt het niet geoorloofd te zijn buiten de ligger om een personele toelage toe te kennen. Art. 2 schijnt wel uitputtend bedoeld te zijn, want het opschrift luidt : Samenstelling der bezoldiging. De ligger kent een toelage boven de minimum aanvangswedde, doch geen personele toelage. Het is zeer gewenst, dat hier meerdere duidelijkheid komt. Dat is vooral van belang met het oog op de toepassing van art. 20a 6, dat bepaalt, dat een predikant, wanneer hij uit de bronnen, aangegeven in art. 19 al. 7, meer dan ƒ 500.— boven de minimumaanvangswedde geniet, dit meerdere hem gekort wordt op zijn uitkeringen uit de centrale kas. Als nu inderdaad alle bronnen van inkomsten voor een predikant vanwege de kerkvoogdij op de ligger moeten voorkomen, en dat schijnt toch de bedoeling te- zijn, dan komt het meerdere dan ƒ 500.—, dat een gemeente aan haar predikant uitkeert, ten goede aan de centrale kas. Dit nu was zeker niet de bedoeling van zulk een gemeente. Het is ook niet redelijk, dat een gemeente, die aan al haar verplichtingen tegenover de centrale kas heeft voldaan, belet zou worden aan haar predikant een tractement uit te keren naar haar eigen believen. De commissie, die deze aanvangswedden heeft vastgesteld, erkent, dat ze aan de lage kant zijn. Ze prijst ook de gemeenten, die haar predikanten een tractement hebben uitgekeerd, dat de thans geldende minima te boven gaat. De mogelijkheid om onbeperkt boven de aanvangswedden uit te gaan, moet blijven bestaan voor gemeenten, die zulks kunnen en willen. Vooral is dit van belang voor gemeenten, die topprestaties van een predikant vragen. Men voere geen gedwongen nivellering in. De gemeenten moeten vrijgelaten worden een hogere bezoldiging aan hun predikant te geven.
Een onbehoorlijk dwangmiddel.
De commissie voor de herziening der predikantstractementen is niet blind geweest voor de mogelijkheid, dat een gemeente nalatig is in het voldoen van haar aandeel in de lasten voor de centrale kas. Om nu de betahngen uit die gemeente toch af te dwingen, heeft men de toevlucht genomen tot een onbehoorlijk middel. De raad voor de tractementen kan bepalen, dat de uitkeringen aan de predikant dier gemeente dan niet zullen plaats hebben. Hier wordt de predikant gestraft voor de nalatigheid van de kerkvoogdij. Ik meende, dat de Schrift leert, dat de kinderen niet zullen gestraft worden om de zonden der vaderen. Ieder zal om zijn eigen zonde sterven. Dit zijdelingse dwangmiddel is onredelijk en onbehoorlijk. Het is juridisch onzedelijk. Billijk zou zijn, dat de gemeente geen autorisatie op beroep ontvangt, wanneer ze haar ver plichtingen niet is nagekomen. Nu wil men via de predikant pressie op de gemeente uitoefenen. Dit dwangmiddel dient te vervallen als een Kerk onwaardig. Men stelle voor, art. 20. 7 te schrappen.
Nog minder aannemelijk is art. 20. 8. Daar wordt bepaald, dat de uitkeringen uit de centrale kas weer zullen plaats hebben aan de predikant, wanneer de gemeente haar aanslagen aan de centrale kas heeft voldaan. Doch dan zal ingehouden worden van de uitkeringen aan de predikant al hetgeen de predikant van, uit of namens zijn gemeente in of over het tijdvak, dat de uitkering was stilgelegd, boven de voor zijn standplaats geldende aanvangswedde, uit welken hoofde ook, ontvangen heeft.
Deze bepaling is wreed. Stel het geval, dat de gemeente aan haar predikant boven de minimum-aanvangswedde ƒ 500.— op de ligger heeft toegekend. Dan kan naar de letter dezer bepaling ook dit bedrag van ƒ 500.— ingehouden worden op de uitkeringen van de centrale kas. Het is niet in te denken, dat de opstellers dit hebben gewild. Krachtens art. 20. 8 kan de centrale kas een niet onbelangrijk voordeel binnenhalen. Voor de predikant is er een groot leed en niets dan schade. De opzet van deze regeling is toch bedoeld in het belang der predikanten?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's