De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Ik ben de weg

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ik ben de weg

10 minuten leestijd

Joh. 14 : 6a : „Ik ben de weg".

„Ik ben de weg". Dit is de kortste Evangelieprediking in het Woord. En toch ook de meest omvattende ! In dit Woord ligt alles besloten wat een ziel tot God kan brengen, tot de vrede, de verzoening, de vrijheid.

Zoals een zoeklicht de stralenbundel werpt over de ganse omgeving in een wijde omtrek, zo werpt dit woord des Heeren het licht over het ganse mensenleven, over alle terreinen des levens.

Onze tekst is het ene antwoord op duizenderlei vragen de tijd en de eeuwigheid betreffende.

Ik ben de weg, om in de geschonden huwelijksverhoudingen van deze tijd Ouders weer tot elkander te brengen.

Ik ben de weg om in de vele gezinsproblemen een oplossing te vinden.

Ik ben de weg in de spanningen in de verhouding tussen werkgevers en werknemers.

Als de jonge mensen te midden van de zuigkracht der wereld hun vragen hebben, is het altijd passende antwoord : ,,Ik ben de weg".

Zo prijst de Heere zichzelven aan als noodzakelijk en gepast öm gekend en gezocht te worden door jong en oud, in het persoonlijke, maatschappelijke, politieke leven. Wie deze weg verwerpt of verlaat, dwaalt onherroepelijk. Het ergste is, dit wordt een eeuwige dwaling.

In ziekte raadt de Heere, Ik ben de enige weg tot genezing.

In droefheid vermaant Hij, er is geen vertroosting dan alleen in deze weg.

In druk en kruis, er is geen uitkomst dan alleen in Mij ; „Ik ben de weg".

In dit woord vraagt de Heere aandacht voor zichzelf, evenals in die andere korte uitspraken. Ik ben het Brood des levens, Ik ben het Licht der wereld.

Brood hebben wij nodig om te kunnen leven. Wij gaan verloren wanneer de kennis van Christus niet ons leven wordt.

Licht hebben wij nodig om in de duisternis goed aan te landen. Wij landen aan in de eeuwige duisternis wanneer Christus niet door genade ons licht geworden is in de duisternis van onze godsvervreemding.

Maar een weg hebben wij nodig om aan ons doel te komen.

Nu is het doel aller mensenleven God zijn Schepper recht te kennen. Hem van harte hef te hebben en met Hem in de eeuwigeszaligheid te leven om Hem te loven en te prijzen.

Van nature missen wij dit doel allemaal want van onze geboorte af staan onze voeten op de weg die van God afbuigt, wij zoeken onszelf en niet de Heere. Het doel van ons leven is zolang mogelijk zonder de Heere te kunnen voortleven naar het goeddunken van eigen hart.

Als de Heere een mens niet van deze weg afbrengt, sterft hij als een vijand van God. Daarom waarschuwt de Heere een mens de brede weg van het verderf te verlaten en zich tot de Heere te wenden. Bekeert u, o mensenkind !

Zo predikt de Heere in onze tekst de dwalende zondaar : ,,Ik ben de weg".

Ik ben de weg om God te leren kennen, want het is Christus' Geest, die een mens indrukken geeft van God en Zijn dienst.

Ik ben de weg om met God verzoend te worden, want het is Christus' gerechtigheid die een zondaar rechtvaardigt voor God. 

Ik ben de weg tot de heerlijkheid, want het is Christus' toepassend werk dat een mens in deze bedeling voor het toekomende leven bereidt.

Als hoogste Profeet wijst de Heere de weg. Dit doet Hij door de verkondiging van Zijn Woord en door de werking van Zijn Geest.

Als Koning brengt Hij de zondaar op de weg door de trekkende kracht van Zijn onwederstandelijke genade. Wil toch niet stug deze trekkende kracht van Zijn genade weerstreven, lezer ! Wie de Heere wederstaat heeft smart op smart te vrezen.

Als de enige Hogepriester is de Heere de weg.

Zoals Hij in de kribbe van Bethlehem arm en in doeken gewonden neerligt, is Hij de weg. Een weg van Boven naar beneden. In het vlees des mensen afdalend, heeft Hij in het vlees de vervloeking die op ons lag op Zich genomen. In het vlees des mensen moest de Heere Gode de gerechtigheid aanbrengen. Een andere weg om met God verzoend te worden was er niet. God wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede. Onder de wet geboren, heeft de Heere de wet volkomen volbracht. Zo kon Hij de weg worden voor mensen die alle geboden Gods met voeten getreden hebben.

Zoals Hij in Gethsemané de beker van de toorn Gods aan de lippen zet, is Hij de weg. Want zo is de toorn Gods door Christus van Zijn volk weggenomen.

Zoals Hij aan het kruis in de helse smarten afdaalt, is Hij de weg. Want nu kan een mens, die moet bekennen dat hij door eigen schuld deze smarten eeuwig waardig is, door de waardigheid van Christus' kruisverdiensten van deze smarten worden vrijgesproken.

Waar wij de Heere volgen in Zijn vernedering of verhoging, altijd en overal is Hij de weg.

In Zijn begrafenis de weg om van de dood niet beschadigd te worden.

In Zijn opstanding de weg om tot een nieuw leven te worden opgewekt,

In Zijn hemelvaart de weg om tot het Vaderhuis met zijn vele woningen te worden toegelaten.

Lezer. Reizigers zijn wij allemaal. De een in het feestkleed, de ander in het rouwkleed. Of de reis lang duurt of kort, we gaan allen naar de eeuwigheid. Alleen, op welke weg reist gij? Zijn er, wier ogen opengegaan zijn voor de schrikkelijke waarheid, dat zij op de brede weg wandelen? Nu weten zij niet de weg om met God verzoend te worden, tot de Heere te worden wedergebracht!

Laten zij eens luisteren. „Roept de wijsheid niet, en verheft niet de verstandigheid hare stem? Op de spits der hoge plaatsen aan de weg ter plaatse waar paden zijn, staat zij ; zij roept overbid". (Spr. 8 : 1—3) is het niet het woord van Hem, diet de eeuwige wijsheid genoemd wordt: „Ik ben de weg". 

** Wat zijn er niet een wegen uitgedacht, buiten Christus om, om tot de vrede en het leven te geraken.

Eigen gemaakte wegen. Een hecht plaveisel van deugden en goede, werken waarop de mens gerust en welverzekerd voortgaat. Een geloof waaraan ontbreekt de ware kennis van schvild en verlorenheid. Eigen meningen en opvattingen, niet getoetst aan het onbedriegelijke Woord van God. Ondervinding, zonder gronden die in het Woord rusten.

Het opmerkelijke van al deze wegen is, dat zij voorbijgaan aan de kennis van Gods onkreukbaar recht. Deze mensen zijn zichzelf een weg. Zij hebben nooit geleerd dat in de val des mensen de weg tot God voor eeuwig is afgesneden. Zij hebben nooit gesidderd voor de ontzaglijke waarheid, dat wij door eigen schuld God vertoornd hebben en daarom geen weg tot God meer open staat.

Van al deze eigengemaakte wegen kan gezegd worden dat zij zo breed zijn, dat men op die weg alles wat van de wereld is medenemen kan. Op die weg is geen nauwe poort, die men eerst binnentreden moet. Op die weg behoeft de mens niet te sterven aan zichzelf maar kan het leven in zichzelf vinden. Maar zo komt er nooit plaats voor het zaligmakend werk van Hem, die niet een helper is op de weg maar de Weg zelf. Alleen waar Christus gekend wordt als schuldovernemende Borg opent zich een weg tot het harte Gods. Hij is de weg. Zijn Persoon. Daarom is het zo nodig in Christus begrepen te zijn. Hem ingelijfd te worden. Neerzinkend op Zijn volkomen gerechtigheid zegt het verontruste gemoed : „O, dat er nu in Hem een weg tot de Heere is !"

Er is nog een veelbetreden weg buiten Christus om ! Dit pad is smal en die er op wandelen hoeden zich ter rechter- of ter linkerzijde te gaan. Daar geldt „gebod op gebod en regel op regel". Een moeizaam pad is het dat traag naar boven voert. Maar het voert niet omhoog tot kennis van de Heere maar wel tot kennis van de onmacht des mensen en zijn Godsgemis. Dit pad is de Wet. Het voert naar de Sinaï, waar de schrik des Heeren doet beven. Want de Wet verdoemt. Zalig die van de Sinaï wordt afgebracht door Hem die het verontruste gemoed toeroept: „Gij door onweder voortbewogene. Ik ben de weg !"

Een zondaar op de weg brengen, kunnen wij niet. We mogen wèl de weg aanwijzen en aanprijzen. Het is de Heere, die door Zijn krachtige roeping de mens op de weg brengt. Zelf heeft Hij van eeuwigheid die weg gebaand. Zelf brengt Hij ook door Zijn trekkende liefde een zondaar op die weg.

Die weg daalt af van God uit de eeuwigheid en voert omhoog tot God naar de eeuwigheid.

Het graniet van deze weg is gehouwen in het bergland der stille eeuwigheid. „Ik kom, o Heere, om Uw wil te doen". Hier gelden geen verdiensten van het schepsel. Uit Hem zijn alle dingen.

Het plaveisel van deze weg is het goud van Gods beloften.

Hoe kunt gij op deze beloften steunen ! Zij zijn een hechte grond. In Christus zijn zij ja en amen. Gode tot heerlijkheid en uw ziel tot zaligheid.

Die weg voert u zo veilig door het donkere land van de aanvechting en van de twijfel. Begeeft gij u er buiten, dan zinkt gij zeker weg in het moeras, dat de vorst der duisternis terzijde heeft aangelegd om zo mogelijk de pelgrims op reis naar Sion te doen omkomen.

Die weg voert u veilig temidden van alle onlusten van deze tijd naar uw eeuwige bestemming. Want Hij zal Zijn volk zijn tot een vurige muur rondom.

Die weg voert u veilig door het land van de schaduw des doods. Want op deze weg is de dood onverwonnen.

Lees op deze weg veel de brieven, die de Heere Zijn pelgrims heeft achtergelaten, toen Hij ten hemel voer. Zij prediken Zijn bescherming en bewaring, Zijn voorbede bij de Vader, de toekomst die hen wacht, de overwinning die in uitzicht is gesteld.

Spreid de brieven maar voor Zijn aangezicht uit in het heiligdom, als de benauwdheid drukt en er geen uitkomst schijnt. Zijn beloften zijn getrouw, dat Hij het ook doen zal.

De rustpunten op deze weg zijn Elim, waar de Heere u doet rusten onder de schaduw van Zijn vleugelen, en Thabor, waar het uitzicht op de toekomstige heerlijkheid wordt geopend.

De reisstaf op de weg is het geloof. Het reisgezelschap op de weg, allen zondaren, die dagelijks in velen struikelen. Maar zij mogen leven van de genade des Konings. Allen kruisdragers. Maar Hij hoort hun stem. Hij redt hen keer op keer. Allen blinden, maar van God beminden.

Het lied op de weg is beurtelings het lied uit de diepte en de lof van de Koning. Als zij gaan door het dal der moerbeziën, stellen zij Hem tot een fontein. Ook zal de regen hen gans rijkelijk overdekken.

Het gesprek op de weg is de roem van de Koning, die verworpenen wilde maken tot onderdanen van Zijn Koninkrijk en erfgenamen van Zijn heerlijkheid.

Het morgengebed op deze weg is de bede uit Psalm 25 : „Leid mij in Uw waarheid en leer mij, want Gij zijt de God mijns heils ; U verwacht ik de ganse dag".

Het avondgebed Psalm 130 : „Zo Gij, Heere, de ongerechtigheid gadeslaat, Heere, wie zal bestaan? "

Op deze weg heeft de Heere voor Zijn pelgrims de lovertent van Zijn genade gebouwd. Daar mogen de reizigers rusten van de lasten des levens en worden zij verkwikt in de moeiten vanwege de geestelijke strijd. „Hier wordt de rust geschonken". Daar mogen zij schuilen in druk en dreigende gevaren. „Bij U schuil ik".

Lezer, die weg is een verse en levende weg ! Nog is die weg ontsloten. Het einde van deze weg is de eeuwige heerlijkheid. Daarom zong een dichter : het is wel een weg van droef geween, maar van zoete vreugde tevens !

,,Verlaat de slechtheden en leeft", waarschuwt de Opperste Wijsheid, „en treedt in de weg des verstands".

„Ik ben de Weg en de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Ik ben de weg

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's