De Hofnar van Gelre
Een verhaal uit het begin der 16e eeuw
Een ogenblik denkt Anna een lijk voor zich te zien. Een medelijdende trek komt op haar goedig gezicht, als ze zich over Wijntje heenbuigt en het hoofd der gewonde voorzichtig een weinig opbeurt.
„Toch nog leven, " mompelt ze dan. En een glans van blijde ontroering licht in haar ogen.
Stijntje staat het verbouwereerd aan te zien, doodsbleek en rillend van de koorts. Daar dringen zich meer personen naar binnen : een paar luid jammerende vrouwen, benevens enkele gewapende poorters, die juist van de wallen komen, om thuis een uurtje van de doorgestane vermoeienis uit te rusten. Onder die laatsten ook meester Rutger.
„Gij hier, vrouw Van Emden !" vraagt hij verwonderd. En dan tot een paar mannen, die nog in de gang staan :
„Komt, maats, hier is ook hulp nodig." Met vereende krachten draagt men Wijntje nu naar het achterhuis, dat gelukkig ongedeerd is gebleven.
Anna is meegegaan. Onder het wegdragen heeft ze opgemerkt, dat W^ijntje een gesloten houten doosje in haar linkerhand krampachtig houdt vastgeklemd.
Zeker heeft ze daar iets mee willen uitvoeren, juist, toen de ramp plaats had, denkt Anna. En stellig is het voor de vrouw van veel belang. Zwijgend trekt ze het voorwerp uit Wijntje's hand.
Terwijl de andere vrouwen nog klagend en jammerend om de bewusteloze heenstaan, weet Anna van handelen. Zij fluistert meester Rutger iets in 't oor. Deze knikt en wenkt een paar jonge gezellen.
,,Jongens, bezorgt ons eens fluks een berrie en brengt dan deze ongelukkige vrouw naar de winkel van meester Van Emden. Daar zal zij verpleegd worden."
Haastig wordt aan dit verzoek voldaan. Weldra is Cornelis' moeder naar het huis van de overman overgebracht, tot grote verbazing van de fijn-Katholieke buren, die maar al te goed weten, hoe vijandig Wijntje van Dam de familie Van Emden in de laatste tijd gezind is, ja, hoe zij zelfs tot de gevangenneming van meester Occo heeft bijgedragen.
Vrouw Anna toont ook thans, wat de liefde des Heeren, die haar hart door-gloeit, vermag. Eigen kommer en hartzeer ,,ja, ook het af te leggen bezoek bij haar man vergetend, is zij dadelijk ijverig in de weer om Wijntje uit haar bezwijming bij te brengen. Dit mag haar eindelijk gelukken.
De gewonde opent haar ogen. Tegelijk komt een pijnlijke trek op haar bleke gelaat. Zij tast met beide handen naar het verbonden hoofd en beproeft zich in het bed op te richten. Kreunend valt ze evenwel telkens in de kussens terug.
„Blijf maar rustig. Wijntje ; patientie, vrouwtje, " fluistert vrouw Anna haar toe. Dan zich tot de droogscheerder wendend, die met Stijntje in de kamer is achtergebleven :
„Hadden we maar een chirurgijn bij de hand."
„Ja, dat zegt ge wel, antwoordt de aangesprokene. ,,Maar die hebben het zo druk met het verbinden van de gewonde soldaten en poorters, dat er niet zo flusjes een zal te vinden zijn. Maar — ik zal zien wat ik doen kan. Nu ga ik naar huis. 'k Zal m'n vrouw seffens even hierheen sturen ; misschien kan ze wat helpen. — Dag Stijntje; dag, vrouw Van Emden. De Heere moge je beiden bewaren." No. 51 (Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's