Een domine vertelt
XXIX over Verschillende gangen
De tweede Gemeente was anders. De kom van het dorp bestond slechts uit een paar huizen, die nauwelijks een straat vormden, waar men meteen doorgelopen was. In zoverre was de beschrijving door de Diaken uit mijn eerste Gemeente, niet onjuist.
De boerenbevolking, die aldaar in aantal verre de overhand had, was er wat stugger en meer gesloten.
De natuurlijke gesteldheid van de bodem bestond er uit zware klei.
De geestelijke ondergrond was er eigenlijk niet gereformeerd.
Verder leefde ieder gezin er meer op zich zelf. Men miste dat gezellig dorpse uit de eerste plaats. Men bleef op een afstand en men scheen u ook liever op een afstand te houden, al ontving men u niet onvriendelijk.
Elke Zondagmorgen reden vele gezinnen, die ver af woonden, met paard en rijtuig kerkwaarts. Altijd weer een aardig gezicht, die rijen wagentjes over de wegen, allen naar hetzelfde doel: Gods Huis.
In die Gemeente moest de pastor zijn werk en leven weer enigszins anders inrichten. Het prettig intieme werd daar wat gemist.
De hoorders hadden het niet gaarne, dat men zich in de prediking opmerkingen veroorloofde over het een of ander, of dat men op plaatselijke toestanden wees.
Een domine mocht dan, nu ja, gereformeerd preken. Dat scheen de mode van de tijd zo mee te brengen ; verder moest het dan ook niet gaan.
Men uitte zich weinig of niet. Somtijds overkwam u het gevoel of uw woord afstuitte op een ietwat gesloten front. Alsof er eigenlijk geen „penetratie" te bereiken viel; hoogstens ene, die onmiddellijk werd ,,afgegrendeld".
Nog komt mij in de gedachte dat gezegde van die kerkvoogd bij de gelegenheid van de uitbetaling van mijn salaris : „Gij zijt wel een goede domine; daar zeg ik niks van, maar te zwaar voor onze Gemeente".
De man was blijkbaar bang, dat, wanneer ik te lang zou blijven, het geldlaadje er onder leed. Maar vooral: dat ik het genoegelijk leven, niet van de landman, maar van de stille veehouder te veel zou storen, door het wat meer op de keper te gaan bekijken. Al beweer ik niet, dat de Gemeente over het geheel het met die man eens was ; want dat was zo niet.
Ook vielen er in de Gemeente nog al eens „worstelingen" voor, zodra men met de onkerkelijken in aanraking kwam. Ik vertelde u reeds daarvan. Het was eigenlijk jammer, dat de Gemeente als zodanig tegenover al dat onkerkelijke drijven geen gezond leven te stellen had. Men kon er zo over gnuiven, ,,dat het in die Baalkerk de dood in de pot was". Alsof er bij hen van gezond leven sprake was !
In de ogen van die onkerkelijken kwamen de dominees, ook „bij de onbekeerde hoop,, te liggen. Dat kan trouwens geen kwaad voor een pastor. Misschien is dat, vooral in de eerste tijd, nog wel beter voor hem, dan dat hij zo gefêteerd zou worden. Aldus blijft hij eerder met de benen op de begane grond en behoudt hij de gewenste nuchterheid. Want ,,over het paardje" gebeurd te worden, heeft zijne bedenkingen.
Al spoedig kwam de roeping naar het kleine fabrieksstadje. Het werd voor mij een hele strijd. Van de beginne af aan voelde ik wel, dat dit Beroep mij zeer aantrok. Mijn verlangen was wel naar een plaats, „waar ik het Woord kwijt kon" en ik voelde, dat het in die Gemeente het geval zou zijn.
Maar waar was de vrijmoedigheid ? Ik had ze niet ; met dat gevolg, dat ik voor de toezegging van Beroep eerst bedankte.
Na een paar maanden evenwel kwam men toch terug (en dat eenparig) en beriep men mij officieel. Thans gaf ik mij gewonnen en besliste zeer spoedig. Er was geen twijfel aan, dat een grote kring van vrienden, om des beginsels wille mij daar wachtend was. Het is en blijft zulk een sterke band, die trekt. Bij elk Beroep, dat daar werd ontvangen, heb ik dat altijd weer gevoeld.
Neen, dat stedeke aan de Linge was zo slecht niet, als het spottend wel eens afgeschilderd is. Ik kan er zelfs over meepraten.
Maar alles goed en wel: een mens blijft toch maar een mens en ik wil niet beweren, dat ik het nu zo heel breed had bij aankomst aldaar aan het station.
De ene mens hecht zich sterker dan de andere. Daar zijn er, die heel vrolijk naar iets nieuws verlangen en door het oude een streep halen, ja, het geheel schijnen te hebben vergeten.
Ik heb dat nooit gekund, maarr altijd tegen overgangen en veranderingen zeer opgezien. Dikwijls wel te veel.
Achter mij lagen, ondanks wat tegenstand, toch een paar goede jaren op een echt landelijk plekje met prachtige tuin. Altijd een bewonderaar van de natuur ging ik mij thans begraven in het stadse leven. In een huis, dat tegen een dijk aanstond, met een echt stads miniatuur tuint je, waar de bloemen in de perken aan een voortdurende beving onderhevig waren, tengevolge van het dreunen der machines van een grote houtfabriek en zagerij. Een stad van bevende huizen en bevende tuinen en bevende bloemen, waarvan de stelen (vooral de begonia's) ontijdig knakten.
Toch lag het stadje zelf wonderschoon. Nog voor kort zag ik het terug op een Zaterdagavond, even vóór het ondergaan van de zon. Ik stond op de Lingedijk bij een der glasfabrieken. Geen rimpeltje zelfs trok over het water, waarin het stadsbeeld zich afspiegelde. Enkele mannen zaten daar rustig te praten op een stuk muur van de dijk. Het een met het ander was als een wonderlijk avondsprookje en ik kwam even onder de indruk daarvan.
Hoe lieflijk ligt uw stedeke. Leerdam! Daar op het plekje, waar de speelse Linge kwam i
Om in het licht der zon uw spiegelbeeld te zetten.
Dat 'k op uw wal, uw hofje en uw kerk zou letten.
Ik draag dit beeld nog in mijn harte mee.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's