De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Gasten en vreemdelingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Gasten en vreemdelingen

9 minuten leestijd

„Deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben dezelve van verre gezien en geloofd en omhelsd, en hebben beleden dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren.Want die zulke dingen zeggen, betonen klaarlijk dat zij een vaderland zoeken.En indien zij aan dat vaderland gedacht hadden, van hetwelk zij uitgegaan waren, zij zouden tijd gehad hebben om weder te keren ; maar nu zijn zij begerig geweest naar een beter, dat is naar het hemelse. Daarom schaamt Zich God hunner niet, om hun God genaamd te worden, want Hij had hun een stad bereid". Hebreen 11 vers 13—16.

Een bekend hoofdstuk voor de bijbellezer. Het spreekt van het geloof, het ware geloof, het geloof met zijn kracht en heerlijkheid. Het spreekt er van, hoe dat geloof, temidden van allerlei verwikkelingen en wederwaardigheden, onder allerlei kruis en druk, toch zegeviert. Om dat duidelijker te maken, haalt de schrijver menig voorbeeld aan uit het ver verleden. Zo ook Abraham.

Abraham een vreemdeling in een vreemd land. Afkomstig uit Chaldea, het land van rijke beschaving, vanwaar de Heere hem geroepen had en nu zwervend in Kanaan, nu eens hier, dan weer daar zijn tenten opslaande. Geen vaste woonplaats dus, geen grondbezit, geen stad. Niets dat vastheid gaf of blijvend van aard was. Geen poort, geen akker, geen huis, geen wijnstok, geen vijgeboom.

Ja, zult ge misschien zeggen, dat was bittere noodzaak, zo als we nog wel zien bij woonwagenbewoners, die stad en land afreizen en niet de nodige middelen bezitten, om gezeten mannen te worden. Maar neen, zó was het bij Abraham niet. Hij was rijk met aardse goederen gezegend, hij werd als een vorst door omwonende volken geëerd. En, naar de mens gesproken, had hij heel gemakkelijk daar in Kanaan een vast huis, een vaste stad kunnen bouwen en zo opgaan in de stammen die Kanaan bevolkten. Maar neen hij beleed met woord en daad, gast en vreemdeling te zijn.

Gasten en vreemdelingen, niet alleen in dat land Kanaan. Neen, er staat, zij beleden gasten en vreemdelingen „op de aarde" te zijn. Het is alsof ze daarmee wilden zeggen, dat heel de aarde met al haar volheid, niet genoeg is voor het hart. Dat de ziel daardoor niet bevredigd wordt. Dat zij uitgaan, uitzien, hongeren en dorsten naar iets anders, wetende dat het de mens niet zou baten, de gehele wereld te winnen, als hij schade lijdt aan zijn ziel.

Zij hebben beleden dat zij gasten en vreemdelingen waren op de aarde. Daarin lag ook niet opgesloten een terug verlangen naar hun aardse vaderland, het land Chaldea. O neen, daar wijst de schrijver ook op. Hij zegt als zij daarnaar verlangd hadden, zij zouden tijd gehad hebben, om daarheen terug te keren.

Toch zoeken zij een vaderland. Maar dat was niet van beneden, doch van boven. En naar boven. Dat lag verder dan Kanaan, hoger dan de bergen van het beloofde land. Zij zoeken een vaderland, maar een beter, dat is het hemelse.

Zijn wij net als deze aartsvaders ? Och leeft er niet in ieders hart van nature.de trek naar het stoffelijke ? Geld en goed ? En wordt de waarde van dat alles niet veel te veel overschat ?

Gasten en vreemdelingen ? het lijkt er niet op, al wordt het gezongen : „Ik ben, o Heer, een vreemd'ling hier beneên." Gasten en vreemdelingen ? Het tegendeel. De wereld roept het ons toe : hier beneden is het. En we luisteren er naar. En hier op aarde, waar we gasten en vreemdelingen moesten zijn, hier zoeken we onze vreugde, onze vrede, ons geluk, ons goed.

Gasten en vreemdelingen ? We slaan de pennen onzer levenstent flink diep in de grond. We doen alsof we hier altijd zullen blijven. Hoe verblindt de zonde de mens! Wat maakt ze hem tot een dwaas! Want Schrift en ervaring tonen toch zo duidelijk; Alle vlees is gras en al zijn goedertierenheid als een bloem des velds.

Bij Abraham was het anders. God had zijn ziel van het aardse losgemaakt. Dat was genade. En hij had zijn ziel aan het hemelse verbonden. Dat was ook genade. En God schaamt zich niet, hun God genoemd te worden, de God van Abraham, Izaak en Jacob. En de Heere heeft getoond dat hun verwachting niet ijdel was, want, staat er „Hij had hun een stad bereid."

Een stad. De aartsvaders beseften beter dan wij, wat er in dat woord „stad" besloten ligt. Een stad was voor de mensen van die dagen hetzelfde als veihgheid, vastheid. Wie buiten de poorten der stad vertoefde, stond bloot aan armoede, gevaar, eenzaamheid.

En nu had God zelf hun een stad bereid. De steden die mensen bouwen, zijn maar voor een tijd. Steden die onvergankelijk schenen, zonken in puin. Abraham zelf had het gezien, wat er geworden was van de machtige steden Sodom en Gomorra, toen de Heere haar fundamenten omstootte en ze ondergingen in vuur en zwavel. Maar nu had God hun een stad bereid. Dat 'is de stad die fundamenten heeft. Zij blijft, zij kan blijven, omdat haar grondvesten niet wankelen. Zij heeft fundamenten, vaste, diepe, eeuwig onwrikbare. Die zijn immers Gods eeuwige verkiezing, het werk van Christus, de hoeksteen van alle eeuwigheid af. De vaste steen der belofte. Het graniet des Verbonds. De pilaren der genade, de zuilen des Woords.

Eens had de Heere ook een stad bereid. Dat was het Paradijs. De stad Gods op aarde, de stad voor de mens, om te bewonen, om te bebouwen, om te bewaren. Dat was de plaats van vrede, vreugde en heiligheid, van licht en luister. Maar de zonde heeft de fundamenten van die stad omgestoten, de muren verbrokkeld. De zondaar is ter poorte uitgedreven en nu balling op een gevloekte aarde.

Maar, wonder van Gods ontferming, nu heeft de Heere een andere stad bereid. Een ander Paradijs, hemels, eeuwig. Haar grondslag is op de bergen Zijner heiligheid. Dat is de stad, waar Christus is heengegaan om de Zijnen een plaats te bereiden. Hij heeft de Zijnen de weg naar die stad ontsloten. En als ge met de aartsvaders leerde belijden gast en vreemdeling op de aarde te zijn, dat het u troosten mag, dat Christus uit de hemel is neergedaald om in het land uwer vreemdelingschap te komen wonen en in Zijn bloed de weg naar boven te banen. En als ge in waarheid met droefheid des harten moet belijden, dat uw zonden u uit de hemel houden, dat het u troosten mag, dat Hij gekomen is om zondaren zalig te maken, misschien zelfs wel u. Dat uw treden geleid werden naar de voet des kruises en ge als een boetvaardig zondaar moogt zien hoe het zware voorhangsel der zonde daar verscheurd werd. Als dan straks de reismantel van u afglijdt en de pelgrimsstaf u ontvalt, om plaats te maken voor de palmtak des vredes, dan zult ge mede jubelen : „Ik verblijd mij in degenen die tot mij zeggen : Wij zullen in het huis des Heeren ingaan. Onze voeten zijn staande in uw poorten, o Jeruzalem".

Naar die stad reisden bij het sterven af, Abraham, Izaak, Jacob, Mozes David, Elia en allen, die in waarheid leerden belijden dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren en een vaderland zochten, een beter vaderland, het hemels vaderland. Naar die stad reizen af allen, die in het geloof sterven. Want dat staat ook in onze tekst : ,,deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben ze van verre gezien en geloofd en omhelsd".

De beloften niet verkregen. Dat wil zeggen, zij hebben niet meegemaakt, dat de beloften in vervulling gingen. De beloften, dat hun zaad zou zijn als de sterren des hemels in menigte, dat het land Kanaan hun tot een erfelijke bezitting zou zijn en dat in hen alle geslachten des aardrijks gezegend zouden worden, n.l. in de komst van Christus. Neen, die rijke beloften hebben de aartsvaders niet in Vervulling zien gaan. Zij hebben het bij hun leven niet gekregen. Maar toch „van verre gezien". Zoals de zeeman op zijn schip van verre de vaderlandse kust ziet opdagen. Van verre gezien, maar ook ,,geloofd". Zij wisten, dat het geen gezichtsbedrog, maar werkelijkheid was, wat zij in de verte zagen. En dat geloof was zó sterk, dat hun hart het, als 't ware, naar zich toehaalde, dat ze er de armen omheen geslagen hebben, want er staat dat zij de beloften ook hebben ,,omhelsd".

't Is dit geloof, dat het gewaagd heeft op de beloften Gods, zonder dat zij er iets van zagen, waardoor zij bekwaam werden te belijden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren, en het hemelse vaderland te zoeken, de stad, die hun door God, bereid was..

Staan wij er, in menig opzicht, niet beter voor dan de aartsvaders? De komst van Christus is voor ons geen belofte meer, want wij weten dat Hij hier op aarde is geweest en het werk heeft volbracht, tot het laatste en zwaarste toe. En toch het met al dat licht, misschien nog niet eens ,,van verre" gezien, laat dan staan ,,geloofd en omhelsd".

Dan zijt ge als de zeeman, die vanaf zijn schip, hoe hij ook tuurt, geen streep, geen lijn, geen stip ontwaart, die hem zeggen dat hij de vaderlandse kust nadert. Zó geen stip zelfs, van de stad die God bereid heeft, het hemels vaderland. Alleen overal en rondom u een wereld, waar alles even onvast is, als de wisselende golven der zee. Dan nog geen gast en vreemdeling op de aarde, maar nog vreemdeling in eigen hart.

Zondaar, Gods Woord predikt hier met ernstig vermaan, in zonde- en schuldbelijdenis heen te vluchten tot de enige vrijstad Jezus Christus. Als dat gebeuren mag, dan begint de kust van het hemels vaderland voor u op te dagen en het mag zijn : ,,van verre gezien". Dat het door Gods genade ook zij „geloven". Vertrouwen op de beloften Gods, onwrikbaar, standvastig. En als twijfel u aanjaagt, bidden : ,,Heere, ik geloof, kom mijn ongelovigheid te hulp". Dat ge het gevoelen moogt, vastgehouden te worden door de Heere met de hand Zijner genade en daarom gij vasthouden aan Zijn Woord.

,,Van verre gezien en geloofd". Maar ook ,,omhelsd". Dat ge met de armen des geloofs, de beloften naar u moogt toehalen. Zijn beloften omhelzen, drukken aan uw hart, als het dierbaarste wat ge bezit, daar dagelijks nieuwe kracht uit puttend en getuigend :

„Dan ga ik op tot Gods altaren. Tot God, mijn God, de bron van vreugd; Dan zal ik, juichend, stem en snaren Tot roem van Zijne goedheid paren. Die na kortstondig ongeneugt. Mij eindeloos verheugt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Gasten en vreemdelingen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's