Bedenkelijk
Het herderlijk schrijven, dat door de Synode de kerk is ingezonden, hebben we gelezen. Er staat ontzettend veel in. We kunnen het zeker niet, na het gelezen te hebben, naast ons neerleggen en overgaan tot de orde van de dag. Het verdient grondig te worden bestudeerd.
Zeer, zeer veel vonden we er in, waarover we ons ten zeerste verblijdden. En toch was mijn eerste indruk, toen ik het gelezen had, dat het me niet geheel kon bevredigen. Ik zocht naar de oorzaken van deze indruk, en kwam met mijn gedachten nu op dit, dan op dat. Tenslotte hechtten zij zich vast vooral aan hoofdstuk III par. 6, waarin gehandeld wordt over gezinsvorming, en kinderbeperking en het gebruik van voorbehoedmiddelen onder de ogen worden gezien.
We willen nu niet over dit onderwerp in de brede gaan schrijven, en hopen ook niet, dat deze paragraaf alléén het onderwerp voor de discussie wordt. Trouwens, het is in het geheel mijn bedoeling niet om thans gefundeerd critisch in te gaan op het geheel en de onderdelen van het herderlijk schrijven. Dat kan ook niet, waar ik het nog slechts doorgelezen heb en ik schrijf vanuit een eerste indruk.
Maar hetgeen mij vanuit die eerste indruk na het lezen van dit geschrift doet ischrijven is, dat ik zo goed kan begrijpen de vraag, die naar prof. van Niftrik in het Hervormd Weekblad de Gereformeerde Kerk van Donderdag 4 Sept. 1.1. vertelt, hem in Zwitserland door een emerituspredikant op bezorgde toon gesteld werd, n.l. of het nu heus waar was, dat de Synode in haar laatste zitting officieel het gebruik van voorbehoedmiddelen in het huwelijk had toegestaan.
Prof. van Niftrik tracht dan in zijn artikel de verontrusting, die uit deze vraag spreekt, weg te redeneren in zijn artikel, door er op te wijzen, dat wij niet rooms zijn, en dus een synodaal schrijven niet in de geest van een onfeilbare concilie-uitspraak moeten waarderen. „Het is merkwaardig te bemerken hoeveel Rooms denken in de Hervormde Kerk nog steeds wordt gevonden", zo schrijft hij. ,,Als de Synode spreekt of een rapport aanvaardt, zijn velen op Roomse wijze geneigd zulk een spreken op te vatten als 't afkondigen van een dogma en zulk een rapport als een encycliek". — We moeten volgens hem het herderlijk schrijven zien als een pastoraal vermaan, een preek, waarnaar we luisteren moeten in de verwachting het Woord Gods te horen. Dat zal echter niet altijd het geval zijn. Het is niet zo : De Synode heeft gesproken, de zaak is af, Misschien is aan een ander meer en beter licht geschonken dan aan de betreffende commissie, die het rapport, dat aan het herderlijk schrijven ten grondslag ligt, heeft samengesteld.
Op deze wijze tracht prof. van Niftrik, zoals gezegd, de verontrusting, die er hier en daar mocht gerezen zijn door hetgeen over gezinsvorming geschreven wordt, weg te nemen.
Er moge een element van waarheid in zijn voorstelling schuilen, nochtans ligt er m.i. ten opzichte van de zaak, waarom het gaat, toch niet zoveel overtuigends in zijn redenering. Ik kan me niet voorstellen, dat die emeritus-predikant, die hem in Zwitserland die vraag stelde, nu bevredigd is. Zeker niet als hij, zoals ik, vlak na het lezen van het artikel van prof. van Niftrik het Septembernummer van Zedenopbouw onder ogen kreeg, en daarin de uiteenzetting van dr. Dupuis (deze heeft' blijkens mededeling daar een werkzaam aandeel gehad in de totstandkoming en de verdediging van het rapport) las. De drie slotalinea's willen we hier afschrijven :
„Grote aandacht dient voorts geschonken aan de practische consequenties. Met name is het m.i.. dringend noodzakelijk, gezien al het geknoei, dat plaats vindt met betrekking tot het voorkomen van zwangerschap, dat, nu de Synode de voorbehoedmiddelen principieel aanvaardbaar acht, deze ook op korte termijn op verantwoorde wijze ter beschikking van de gemeenteleden komen. Gezien ook de resultaten van de laatste Zedenopbouw-conferentie over geslachtsgemeenschap en gezinsvorming zal samenwerking met andere Protestantse Kerken en verenigingen ernstig gezocht moeten worden.
Daarnaast zal nu met spoed moeten worden verder gewerkt aan de scholing van allen, die in het kerkewerk staan en met de huwelijks- en sexuele problematiek in aanraking komen.
Opdat wij allen, verlost van duistere angsten, dankbaar weten onze geslachtsdrift als een kostbaar geschenk uit Gods hand te hebben ontvangen, om er in liefde en verantwoordelijkheid de ander mee te dienen en zo mogelijk samen, als echtpaar daaraan dubbele vreugde te beleven".
Ziezo, daar staat het dan maar. Het gevaar, dat die genoemde emeritus-predikant duchtte, n.l. ,,nu kunnen de mensen, allereerst de jonge mensen, zeggen: zie je wel, de Kerk keurt officieel goed, dat wij als getrouwde mensen voorbehoedmiddelen gebruiken ! Daarmede is het hek van de dam", blijkt niet zo denkbeeldig.
Nu kan deze wijze van schrijven door prof. van Niftrik gewraakt worden, maar intussen zal het als een paal boven water blijken te staan, dat deze wijze van reageren op het herderlijk schrijven de algemene zal blijven.
Trouwens, is dat zo vreemd? Had men dat van te voren niet kunnen voorzien ? — Zeker, het is er verre vandaan, dat we in een herderlijk schrijven een dogmaafkondiging hebben te zien, doch het bedoelt tocli wel leiding' te geven op geestelijk en zedelijk gebied. Of niet ? Als zodanig wil ook het Hervormd kerkvolk de stem der Synode wel horen. Alleen bedroeft het zeer velen maar telkens weer,
dat uit haar mond 20 vaak het „Ja en Neen" khnkt.
Het is alles goed en wel, maar de redenering van prof. van Niftrik is toch wel een beetje dwaas. Het heeft wel de schijn van grote ootmoed en nederigheid om te zeggen, dat het mogelijk is, dat het Wóórd in deze niet verkondigd is, en dat aan een ander meer licht mogelijk kan geschonken worden, doch dan ware het maar beter geweest om de preek eerst maar in besloten kring te houden en zich er daar enkele jaren nog weer studerend en biddend op te bezinnen, voordat zij in het openbaar voor het forum van de hele Kerk, welke „volkskerk" is, gehouden werd. Het gaat immers niet om kleine dingen, maar om voorlichting, die zeer grote gevolgen heeft.
Maar we willen verder de uiteenzetting van prof. van Niftrik laten rusten. Zij hangt vanzelf samen met zijn bepaalde theologische visie.
Intussen zitten wij met het geval. Het herderlijk schrijven spreekt zeker niet zonder ernst over de brandende huwelijksproblemen en het gebruik van voorbehoedmiddelen in verband daarmee. Zeer duidelijk is er een streven in merkbaar naar opvoeding tot geloofsvisie en verantwoordelijkheidsbesef. En toch..., en toch... neen dat is het beslist niet. Er kan bewogenheid zijn over de schare zonder de rechte bewogenheid. Is er genoeg besef van geweest, dat dit synodale woord zou klinken in een samenleving, waarin weeldezucht, angst voor verantwoordelijkheid, gemis aan plichtsbesef, hoogmoed, egoïsme en genotzucht hoogtij vieren. Men wil luxueus en gemakkelijk leven. Hiermede is ieder, niemand uitgezonderd, geïnfecteerd. Waar deze mentaliteit in ons huidig geslacht de heersende is, zal niet anders gereageerd, worden o.p het getuigenis van de Synode dan op dewijz^, welke die emeritus-predikant vreesde, en welke we ook in het schrijven van dr. Dupuis, waarlijk niet de eerste de beste, tegenkwamen : zie je wel, de Kerk keurt officieel goed, dat wij als getrouwden voorbehoedmiddelen gebruiken ! — Daarmede is het hek van de dam, voor zover er nog van een hek sprake was.
Mijn vraag is : Is wel met de zonde, hoe vaak daarover ook gesproken wordt in het herderlijk schrijven, die laatste ernst gemaakt, welke het ware geloof met de zonde altijd maakt ? In hetgeen dr. Dupuis schrijft, missen we dat ten enenmale. Maar missen we het toch ook niet tenslotte in het herderlijk schrijven, als we in ogenschouw nemen in welke samenleving het synodale woord klinkt ? En dat laatste mag toch niet uit het oog worden verloren.
Het geloof erkent met schaamte de zonde en aanvaardt in diepe verootmoediging de gevolgen van de zonde, steeds weer. Het buigt diep voor het getuigenis Gods : Met smart zult gij kinderen baren ; en tot uw man zal uw begeerte zijn, en hij zal over u heerschappij hebben — ; en : Zo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt; en met smart zult gij daarvan eten al de dagen uws levens. — Het geloof aanvaardt in diepe ootmoed de schande, die hier wordt bloot gelegd. En als het geloof van niets weet tot vertroosting des harten in deze schande-nood dan van de genade in Christus, dan is 't de schande, die we over ons hebben gehaald niet vergeten, maar draagt die tot voortdurende verootmoediging mee in aanvaarding van de gevolgen van de zonde. De taal van dit geloof beluister ik b.v. in de woorden van Kohlbrugge : Een gelovige vrouw zal zich haar straf, de troost Gods en het loon voorhouden (preek over 1 Petrus 3 : 1—7). In dezelfde geest wordt door hem de geloofshouding voor de man voorgedragen.
De zonde heeft het harmonische leven verwoest, zowel in betrekking tot God als tot de naaste. En waar zal zich dat het sterkste juist openbaren dan in het huwelijk en het sexuële leven, datgene, dat het fijnste kunstgewrocht van Gods almacht is. Die disharmonie openbaart zich in ons gehele bestaan, maar vooral ook in het huwelijksleven. De huwelijksnoden en sexuële noden zijn daarvan niet los te denken. Ziekte, zwakte of andere oorzaken, b. V. maatschappelijke noden, waardoor het harmonische huwelijksleven geen ontplooiing kan vinden naar de lichamelijke zijde, zal het gelóóf aanvaarden als gevolgen der zonde, die de disharmonie in alles bracht. — Ja, dat doen vlees en bloed niet. Die verzetten zich met hand en tand daartegen. Die willen vrij zijn en zich vrij uitleven, naar de rechten, die ze menen te hebben, welke rechten zij het liefst afleiden op godsdienstige wijze uit de schepping en zo theologisch zoeken te funderen. Daar weten wij allen van, gij en ik. Doch wij moeten gekruisigd worden met onze begeerlijkheden, en met smart zullen wij van het aardrijk eten. Die smart zal zich ook daarin dagelijks weer realiseren. Maar dan toch ook weer wordt ervaren de waarachtigheid van het woord, dat het geloof alle dingen vermag en dat het juk van Christus niet zwaar is. Want Hij laat niet verzocht worden boven hetgeen we vermogen. Zijn Woord is waarachtig. Zo blijft er voor ons niets dan schande over. We worden door het Woord geoordeeld. W^e moeten er onder door. Vlees en bloed onderwerpen zich der Wet Gods niet. Ze worstelen er tegen of zoeken, wegen om toch zich te kunnen uitleven, zonder dat het geweten te zeer verontrust wordt. Zo struikelt daar die dappere strijder en hij valt, meer dan eenmaal. Doch hij kan in zijn val niet leven. Het bloed van Christus brengt hem er boven op, totdat hij weer van niets weet dan van zijn schande en genade, het bloed des Lams, en alzo doodt hij in de Geest zijn leden, die op de aarde zijn.
We menen hier getekend te hebben de zuivere gelóófsworsteling, - houding en -visie. Maar wat moet anders onder de ogen gebracht worden? Als er een „preek" de kerk ingezonden wordt, wat anders mag er getuigd worden? — Mogen we ook maar enigszins ons uitgangspunt zoeken in, of ons in onze prediking laten leiden door de grote zedelijke ontwrichting, die zich alom openbaart, en zoeken naar een prediking, die enigszins aanpast bij deze situatie ? Of hebben we te prediken het Woord des geloofs, zodat we allen, ook gij en ook ik, eronder door moeten ? Waarbij echter ook het uitzicht op de overwinning door het geloof in Christus geboden wordt ? — Of is het beter, dat de Kerk zich laat overtuigen door de „onweerlegbare feiten" en zich bij haar spreken daardoor laat inspireren ? Maar Gods Woord leert mij, dat geloof en feiten in deze zondige wereld met elkaar op voet van oorlog leven (Ps. 27: 13).
Ik meen, dat ik hier ben bij hetgeen ik mis in het herderlijk schrijven, hoe vol het ook staat van opwekkingen tot.de geloofshouding.
Dat we hiermede niet toe zijn aan het laatste woord ten opzichte van de pastorale zorg tegenover de zeer velen, voor wie de oefening en kracht des geloofs ten enenmale vreemd is, ben ik mij zeer wel bewust. Dat in deze zorg mogelijk in allerlei gevallen het voorbehoedmiddel ter sprake kan komen om erger zonden zo mogelijk te voorkomen, zou ik niet durven ontkennen. Doch dan toch zeker met de poging om op te voeden tot het besef, dat ook deze weg de weg des Woords niet is, maar dat alleen het waarachtig geloof de wereld overwint. — Naar ik meen zou pas in deze weg de barmhartigheid van Christus kunnen worden' beoefend.
De Synode zou dan anders gesproken hebben als ze nu gesproken heeft, met hoeveel teerheid en oprechte drang om het verlorene te zoeken ze ook bezield moge zijn geweest, en de reactie, met name van de jongeren, zou dan anders geweest zijn, dan dat ze nu, naar we vrezen, zal blijken te zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's