De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Dr. Woelderink en de Gereformeerde Bond

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Dr. Woelderink en de Gereformeerde Bond

16 minuten leestijd

In ,,Enigheid des geloofs" van 22 Augustus 1952 schrijft dr. Woelderink in een gesprek met ds. Delleman over de Gereformeerde Gezindte en de Geref. Bond in de Ned. Herv. Kerk.

In dat verband geeft dr. W. critiek op de Geref. Bond op drie punten.

Ie op de leiding van de Geref. Bond

2e op het Studiefonds van de Geref. Bond

3e op het blijven van de Geref. Bond in de Herv. Kerk.

Over de leiding schrijft dr. W. het volgende :

„Het bestuur van de Gereformeerde Bond schijnt er op uit te zijn om alle schakeringen in de Gereformeerde Bond bij elkaar te houden, zodat er geen leiding meer gegeven wordt en de ontwikkeling van dit deel van de Gereformeerde Gezindte voortgaat onder leiding van anderen". Die anderen zijn dan bladen, o.a. het Gereformeerd Weekblad en allerlei bladen van oud-gereformeerde en gereformeerde gemeenten.

Hier is minstens een correctie, om niet te schrijven een woord van protest op zijn plaats.

In de eerste plaats is er geen sprake van een spanning tussen de redactie van de Waarheidsvriend en het Geref. Weekblad. Ieder heeft eigen plaats en waarde.

In de tweede plaats worden, wanneer er bladen uit andere geref. kringen gelezen worden, deze alleen gelezen om hun geestelijke inhoud, niet om de voorlichting, die zij geven in kerkelijke aangelegenheden. In dit opzicht heeft ons kerkvolk bewezen, dat het jarenlang — als daar al voorlichting werd gegeven in een bepaalde richting — deze voorlichting rustig naast zich heeft neergelegd.

Ten derde is het zeer beslist niet waar, dat de Geref. Bond geen leiding geeft. In dat opzicht heeft de Bond slechtere tijden beleefd. Wij vragen ons af, of het op zichzelf te laken is, als men diegenen wil bijeenhouden, die zich bewegen binnen het raam van de belijdenis. Hoe kan dr. W. de Gereformeerde Bond in gebreke stellen over deze bindende werkzaamheid, waar hij zelf heterogene bestanddelen, al of niet aan de belijdenis gebonden, zoekt te bundelen. Hoe moeilijk ook de omstandigheden waren en nog zijn, er is positie gekozen naar eer en geweten. Prof. Severijn heeft week in, week uit in zijn hoofdartikelen de actuele situatie belicht en de in de Kerk aan de orde zijnde vragen besproken. Daarin heeft prof. Severijn zodanige leiding gegeven, dat vrijwel heel de Bond als ook verschillende Confessionelen naar zijn stem geluisterd hebben en op zijn kompas gevaren hebben.

De contio's voor predikant-leden, de conferentie te Woudschoten, de aanwas van medewerkers in de Waarheidsvriend, het federatief verband van alle Herv. Ger. organisaties en het voortdurend contact met studenten leggen getuigenis af, dat er gewerkt wordt en intensief leiding wordt gegeven. Waarschijnlijk zal dr. W. deze leiding liever zien verdwijnen ; maSr laat dr. W. dan erkennen : Er is wel leiding, maar niet de door mij gewenste.

Hiermee is door ons niet gezegd, dat door het Bondsbestuur het volmaakte gegrepen is.

Het lijkt ons volkomen onjuist dat de Gereformeerde Bondsgroep in de Hervormde Kerk een hang zou vertonen naar vrije en oud-gereformeerde gemeenten. Als dr. W. dit zijn zeggen wil staven met een tweetal uittredingen uit de Herv. Kerk, met name te IJsselmuiden en Oldebroek, dan verzoeken wij hem zich te realiseren, dat dit twee uittredingen zijn, die met vijf en twintig jaar tussenruimte plaats vonden en uit geheel verscheiden motieven, meest van persoonlijke aard, ontstonden.

Dat de Gereformeerde Bond deze kant beslist niet op wil, moge hieruit blijken, dat alle'nog in leven zijnde Herv. Geref. predikanten, die de gemeente van Oldebroek dienden, getracht hebben de gemeente van deze weg terug te houden èn uit het feit, dat men in Bondskringen tegen deze gang van zaken gekant is. Wij menen in onze kringen zelfs het tegendeel te kunnen constateren. Steeds meer wordt de vlucht in de gescheidenheid als een onvruchtbaar pogen geschuwd.

Het tweede punt van critiek van dr. W. is het Studiefonds van de Geref. Bond. Dr. W. schrijft: „Men kan dan ook gerust zeggen, dat als de Geref. Bond niet beschikte over het Studiefonds, Jiet einde van zijn bestaan en tevens van zijn blad al lang gekomen zou zijn. De steun uit het Studiefonds ontvangen, bindt tal van predikanten aan de Bond en de verwachting voor hun zoons en vrienden die steun eens te ontvangen, bindt tal van leden der gemeente."

Hier wordt eigenlijk gezegd : Het is met die Bond niet veel; 't enige, wat deze mensen samenbindt, is de zilveren koorde. Dit is een strijdmethode, dr. W., onwaardig. Dit werpt een blaam op de predikanten en de leden van de Geref. Bond. Mogen wij dr. W. een vraag stellen ? Vanwaar komt dit geld ? Hebben deze mensen — meestal eenvoudigen — er financieel belang bij, dat zij met zo milde hand geven ? Wat is dan de drijfveer ? Wanneer iets vrijwillig is, dan wel het geven van een gave. Denkt dr. W. dat dit ook al voor de „partij" is ? Neen, hier leeft iets anders. Hier is een begeerte naar bediening van het Woord. Maar laten wij even aannemen, dat dr. W. de waarheid spreekt, wanneer hij zegt, dat tal van gemeenteleden gebonden worden door de verlangde toekomstige financiële steun voor hun zoons of vrienden. Hoe groot zal dan hun getal zijn ? 't Kan dr. W. bekend zijn, dat dit geen honderdtallen, maar tientallen zijn.

Meent dr. W. werkelijk, dat de na-oorlogse verdubbeling van de duizendtallen van de lezers van De Waarheidsvriend blijk geeft, dat al deze mensen financieel geïnteresseerd zijn? Meent dr. W., dat dit ook het geval is bij die lezers, die in de laatste jaren uit de confessionele kringen er bij gekomen zijn?

Waarom zijn deze mensen lid van de Bond en lezer van De Waarheidsvriend? 't Is te absurd er verder over te schrijven. Dr. W. laakt 't gebruik van het woord: ketter ook tegenover de vrijzinnigen. Hoewel het gevaar van de vrijzinnigheid wordt onderkend, men moet begrip tonen voor hun historische ontwikkeling.

W^ij gaan hierop niet in, hoewel hierover veel te schrijven zou zijn. Wij merken hier alleen op, dat dr. W. begrip, liefde en geduld toont tegenover de vrijzinnigen in de kerk. Maar in de verhouding tot de Geref. Bond ontziet dr. W. zich niet bepaalde aantijgingen te schrijven, die krenkend zijn in de diepste gevoelens. Wij vragen waarlijk niet om lofuiting of waardering, maar protesteren met alle kracht tegen de aantasting van eer en goede naam.

Het derde punt van critiek is het blijven van de Geref. Bond in de Hervormde Kerk en de motieven, die daartoe leiden. Dr. W. schrijft: „Naar mijn oordeel rust de afwijzing van de nieuwe kerkorde bij hen niet op foutieve principes in deze kerkorde, maar veel meer in de vrees, dat zij het partijwezen onmogelijk zal maken. Men voelt zich ten volle partij in de kerk en men voelt zich daar zo wel bij, ook temidden van de partijstrijd, dat men veel meer uit is op de groei van de partij of de richting, dan op het welzijn van de ganse kerk. Juist daarom kant men zich tegen alle afscheiding, want dat zou het einde zijn van de partijstrijd en men zou niet meer de verdedigers van de waarheid zijn in een goddeloze kerk, een taak, die men beschouwt als een bizondere gunst en eer van Godswege. Het is om deze reden, dat ik mij in '46 uit de Geref. Bond heb teruggetrokken".

Dat de afwijzing van de kerkorde niet zou berusten op foutieve principes in de kerkorde, maar op behoud van eigen richting, is wel een grove beschuldiging. Men leze wat de afgevaardigden van de classes Harderwijk, Heusden, Bommel, Utrecht, Dordrecht en Gouda hebben gesproken bij de motivering van hun stem in de Synodevergadering van Donderdag 7 December 1950.

Wij laten hier de notulen volgen van wat ds. L. Kievit heeft gesproken :

Het kan genoegzaam bekend zijn, dat de Classis Harderwijk overwegende bezwaren heeft tegen de voorgestelde Kerkorde. Deze bezwaren zijn hier schriftelijk neergelegd en ook menigmaal te berde gebracht. Zij zijn door deze vastgestelde Kerkorde allerminst weggenomen. Daar wil ik niemand een verwijt van maken, maar het kan ons allemaal duidelijk zijn, dunkt mij, dat er wezenlijk tussen het voorstel en de nu vastgestelde Kerkorde geen wijzigingen zijn aangebracht. Trouwens, de wensen van de Classis Harderwijk waren ook van die aard, dat er, wanneer zij ingewilligd zouden worden, een totaal andere Kerkorde zou moeten worden ontworpen.

Nu is het vandaag de dag, waarop wij moeten beslissen. En als ik mij dan rekenschap geef, wat ons daarbij dan eigenlijk hoog zit, waarom het ons in deze beslissing gaat, dan spreken heel veel dingen mee, die al, vooral door mijn voorgangers, gezegd zijn ; maar dan is het allervoornaamste toch weer die belijdenis. Ik wil niet teruggrijpen op alles, wat daarover al gezegd is, ook in de loop van deze weken. Ik wil alleen met nadruk onderstrepen, dat ik bedoel de belijdenis in rapport met de Heihge Schrift. Dat lijkt mij voor de belijdenis wezenlijk, zoals het mij ook wezenlijk lijkt voor de Heilige Schrift, dat zij ons tot een belijdenis brengt. Dan is het dus geen reglement of formule, zoals telkens weer gesuggereerd wordt, maar de belijdenis, waarin het hart van de Kerk klopt. Dit doet de belijdenis : zij betrekt tenslotte de wacht bij de vérborgenheden der godzaligheid.

Daarom kunnen wij op haar geen inbreuk maken en bovendien — dit weegt mij ook zwaar — is met de rechte belijdenis direct ook weer uit de aard der zaak de rechte prediking gemoeid. Het valt mij telkens op, en het verblijdt mij ook, dat er in brede geledingen van onze Kerk —-, waarlijk breder dan wat men de Gereformeerde Bondsgemeenten wil noemen, breder dan ik zelf heb gedacht of vermoed — nog een wezenlijke behoefte is aan de rechte verkondiging van het Woord. Daar gaat het heel velen in onze Kerk toch eigenlijk om ; ook wel om een rechte orde van leven, maar eigenlijk toch om de rechte bediening van het Woord.

De rechte bediening kan alleen bij een wezenlijke betekenis van de belijdenis der Kerk gebaat zijn. Onze Hervormde Kerk, waartoe ik nog altijd dankbaar ben te behoren, is een confessioneel bepaalde Kerk, niet alleen historisch, maar in het hart en het geweten van heel velen vandaag nóg. Mijn grote bezwaar is, dat deze confessionele bepaaldheid min of meer wordt opgeofferd aan een zekere apostolaire gerichtheid. Voor mijn gevoel is het zo, dat, ondanks alles, wat daaromheen gezegd is, toch eigenlijk de belijdenis, zoals niet ik haar versta, maar zoals zij verstaan wil zijn ~ niet zoals ik meen, dat zij functioneren moet, maar zoals zij zelf wil functioneren, wordt prijsgegeven, 'op hoop, dat de Kerk wel daarna zal leren, wat belijden is en ook wat zij belijden moet. Artikel 10 en het daarin vermelde woord „gemeenschap" laten ons toch feitelijk in de mist en dat blijkt ook wel op verschillende punten. In de situatie van vandaag is nodig een grote helderheid ten aanzien van dat wat de Kerk nu eigenlijk belijdt.

Deze helderheid wordt hier niet gegeven, ik zou bijna zeggen : integendeel. Het doet mij persoonlijk ontzaglijk leed, dat de strijd om kerkherstel, waarin het, dacht ik, om deze helderheid van wat de Kerk belijdt, begonnen was, op deze wijze een voorlopig einde vindt. Voorlopig, daarvan ben ik overtuigd en ik hoop eigenlijk, dat dit in de toekomst zal blijken. Als ik daarom niet alleen als afgevaardigd de van de Classis Harderwijk, maar ook persoonlijk, straks tegenstem, doe ik dat waarlijk met enige moeite. Ik behoor ook tot de jongere generatie. Ik heb ook een tijd gehad, in het laatste oorlogsjaar en vlak daarna, dat ik hoopte en bad, dat er wezenlijk iets zou gaan veranderen en dat wij daaraan van harte en voor God zou» ^den kunnen meedoen. Ik heb in de loop van deze jaren steeds meer ontdekt, dat daar heel belangrijke bezwaren en weerstanden waren ; dat het zonder meer toch eigenlijk niet kon. Wanneer ik in dit hachelijk tijdsgewricht de Kerk deze weg zie opgaan, heb ik vrees.

De vreesachtigheid is hier telkenmale veroordeeld ; en er is een vreesachtigheid, die alleen maar te veroordelen is, maar men moet dit ook niet al te vlot doen, want „welgelukzalig is de mens, die geduriglijk vreest".

Dat kan ook van deze aangelegenheid gelden. Het is voor mij niet in die zin een zaak van vrees, alsof ik daardoor gedreven zou worden om neen te zeggen, een vrees voor de gevolgen of voor de volgelingen. Neen, dat bepaalt mijn stem niet. Wat mijn stem bepaalt is de zaak van een goed geweten voor God, omdat ik de verantwoording voor deze dingen toch niet kan dragen.

U zult zeggen : Dat is negatief. Maar ik heb dit goed geweten voor mijn dienst nodig. Toen ik mij hierover de laatste dagen telkens beraadde, kwamen mij de woorden van Petrus te binnen: „opdat uw gebeden niet verhinderd worden". Want hoe het met de Kerk ook gaat, ook ten aanzien van deze Kerkorde, God geve ons de genade, te volharden in de dienst des Woords en de gebeden.

Deze gebeden zal onze Kerk nodig hebben ; niet speciaal mijn gebeden, maar de dienst der gebeden, zoals die toch ook moet worden uitgericht door ieder, die in het ambt staat en die de zaak van de Kerk, van de kudde des Heeren, heeft voor te staan.

Daartoe vind ik in dat goede geweten de weg open en God geve, dat het in de levende zin open mag blijüen, om bij voortduring te bidden, zoals David het eens gedaan heeft in de grootste schuldverslagenheid : Doe wel bij Sion naar Uw welbehagen en bouw de muren van Jeruzalem op".

Tot zover ds. L. Kievit. De cursiveringen zijn van ons. Men leze verder de bepalingen van de stem van ds. Van den Akker (Cl. Bommel), ds. Anker (Cl. Heusden), ds. Meijers (Cl. Utrecht), ds. Boer (Cl. Gouda), en van ouderling Broere (Cl. Dordrecht) en ouderling Van Mulckhuysen (Cl. Gouda).

Na lezing van deze argumenten oordele de lezer zelf ; of hier zorg voor de Kerk of eigenbelang aan het woord is.

Dr. W. zou ons een zeer groot genoegen doen, wanneer hij zakelijk op deze argumenten ingaat en aantoont dat al deze bezwaren terug te brengen zijn tot zelfhandhaving en versterking van een partij.

Wij mogen opmerken, dat het in de kerk mode geworden is de Geref. Bond in kwade geur te brengen. Natuurlijk ligt er voor de Gereformeerde Bond een les in tot zelfonderzoek.

Dr. Berkhof schrijft in zijn boekje: Crisis der Midden-orthodoxie, dat velen in de kerk vóór en tijdens de oorlog in de verwachting hebben geleefd, dat de Gereformeerde Bond wel zou overwonnen worden door urbanisatie en industrialisatie. Deze verwachting is — zo schrijft dr. B. — niet in vervulling gegaan. Integendeel, de Geref. Bond heeft een taai leven.

In de bovenaangehaalde gedachtengang wordt de Geref. Bond verbonden aan een bepaalde gesloten gemeenschap, aan 'n bepaalde vorm van de maatschappij en aan een bepaald sociaal klimaat. Maar in de door dr. W. voorgestane opvatting, wordt de binding aan de Gereformeerde Bond in het financiële vlak getrokken. Wanneer deze binding er niet was •—• aldus dr. W. — had de Bond reeds opgehouden te bestaan.

De snelle groei van de Gereformeerde Bond, waarvan dr. B. getuigt, vormt een tegenstelling met de verwachting van dr. W. De taaiheid van het bestaan van de Bond ligt •— ondanks veel menselijks — dunkt ons in de gehechtheid aan de principia, niet van de Bond, maar van de Kerk.

Wat men ook van de Geref. Bond zeggen moge, hij zoekt het niet in de richting, waarin dr. W. het gezocht wil hebben, n.l. in het bijeenhouden van bestanddelen, die zich meer en meer distanciëren van de belijdenis der Kerk.

Hierin is de Bond steeds eerlijk voor de dag getreden en gevoelen de leden zich verwant aan dat voorgeslacht, dat het met Gods Woord en de belijdenis daarop gegrond, alleen gewaagd heeft. Als zodanig kan dr. W. aan de gereformeerd gezinden in de Hervormde Kerk hun historisch recht niet ontzeggen.

Met dr. W. houden wij de partijstrijd voor èèn van de grootste rampen van de Kerk. Maar één ramp is groter, n.l. deze: dat de Kerk van de rechte weg afraakt. Wanneer voor de wezenlijke handhaving van de belijdenis wordt opgekomen, is dit geen partijwerk, maar kerkelijk werk bij uitnemendheid. Dat dit gebrekkig gebeurt, wij zijn de eersten om. dit te erkennen. Voor God hebben wij ook als Geref. Bond geen rechten. In de kerk gaat het ons niet om de Geref. Bond, maar om de rechte zorg voor de prediking. Daarover zijn wij - zeer bezorgd. Ook over de ontwikkeling van de kerk na de aanneming van de Kerkorde. Waar blijft de waarschuwende stem van dr. W.? Laat hij het aan dr. Van Itterson en dr. Kromsigt — om van de Geref. Bonders maar te zwijgen — over, om de noodklok te luiden? Is de situatie niet ernstig?

Wanneer dr. W. vraagt, waarom wij toch in de Hervormde Kerk blijven, is dit niet de hoogmoed om de handhavers van de Waarheid uit te hangen, maar uit de ootmoed, omdat wij niet over onze schuld kunnen heenkomen, en of dr. W. dit gelooft of niet, omdat wij de Kerk liefhebben. Daar ligt de diepste oorzaak van ons blijven.

Voor ons is er maar één weg : de weg van schuldbelijdenis en van gehoorzaamheid om profetisch te getuigen met het Woord des Heeren in hartelijke verbondenheid met de Belijdenis der Kerk.

't Doet ons meer leed, dan wij kunnen schrijven, dat dr. W. de weg gegaan is, die hij gegaan is. 't Doet ons niet alleen leed, dat hij, met de gaven, die de Heere hem gegeven heeft, door zijn bittere toon, zich de weg versperd heeft om gehoord te worden door het gereformeerde volk, maar nog meer, dat hij gevoelens heeft over leerstukken der Kerk, die in strijd zijn met de belijdenis der Kerk. Wij denken hier vooral aan zijn opvatting over de leer der verkiezing, die op gespannen voet staat met Art. 16 van de Ned. Gel. Belijdenis en Hoofdstuk I van de Dordtse Leerregelen.

Zouden juist deze dingen niet geleid hebben tot een vervreemding tussen dr. W. en de Herv. Gereformeerden? Helaas is deze vervreemding geworden tot een zekere verbittering bij dr. W.

Tenslotte mogen wij eindigen met wat ds. L. Kievit zeide ter Synode:

God geve, dat het goede geweten in de levende zin open mag blijven, om bij voortduring te bidden, zooals David het eens gedaan heeft, in de grootste schuldverslagenheid : Doe wel bij Sion naar Uw welbehagen en bouw de muren van Jeruzalem op.

Gouda, G. Boer. Delft, W. L. Tukker.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Dr. Woelderink en de Gereformeerde Bond

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's