De Hofnar van Gelre
FEUILLETON
Een verhaal uit het begin der 16e eeuw
Dit zeggend verlaat hij het vertrek. Anna staat eensklaps op en volgt hem in de winkel.
,,Meester Rutger, " zegt ze, ,,ge zoudt mij een grote dienst kunnen bewijzen. Mijn man wacht me vanmiddag. Door die ramp kan ik hem nu niet bezoeken. En ge weet, hoe hij thans behoefte heeft aan wat opbeuring, en......."
,,0, zeker, zeker!" knikt de meester goedig, ,,'k Begrijp het. Ja, 'k zal seffens bij hem aanlopen. Heb daarover maar geen zorg. - — Ach, hoe wenste ik, dat ieder, vooral in deze tijd, het gebod der naastenliefde, dat ons Christus heeft nagelaten, zo betrachtte als gij ! Hoe heel anders zou het er dan overal, maar in 't bijzonder in ons Gelderland, uitzien ! Ja, ja, daaraan denk ik zo vaak in deze dagen ! Overal en altijd maar vechten en nog eens vechten, enkel en alleen om wat aardse macht, grootheid, eer of van die andere nietigheden ! Fij, wat werkt die zonde toch ! Gelukkig voor ons, dat wij onder alles weten, dat de Almachtige blijft regeren en over ons waakt, ook al zien wij het niet en overkomen ons tegenheden en verdriet, niet waar ? "
,,Ach, ja, " zucht Anna zwaar. ,,Mijn vertrouwen op de vaderlijke zorg des Heeren blijft mij steunen, anders....... "
Tranen blinken in haar droeve ogen. ,,Kom, kom, " herneernt de meester, „goede moed gehouden ! Die op de Heere vertrouwen, komen nooit beschaamd uit. Wie weet, hoe Hij alles nog ten beste keert. Als onze vrienden uw man niet kunnen helpen om de zware boete te betalen, zal de hertog mogelijk ten, laatste met een kleinere som ook wel tevreden zijn."
Deze gedachte schijnt Anna wat op te beuren.
„En hoe zou 't gaan, Rutger? Zou de stad zich moeten overgeven ? „'k Weet het niet; 'k vrees het ergste : de Oostenrijkers zijn sterk. Bovendien, zegen is niet op de Gelderse wapenen van Boven te verwachten : onze hertog heeft heel wat onschuldig bloed laten vergieten en veel onrecht gepleegd in de laatste tijden, maar.... "
Opeens vliegt de kamerdeur open en stormt Stijntje lijkbleek de winkel in.
„O ! O ! Wijntje !! " is alles wat ze in 't eerst kan uitbrengen. Onder zenuwachtig beven vertelt ze daarop hortend en stotend, wat haar zo ontsteld heeft. Wijntje is n.l. eensklaps vreemd beginnen te praten, heeft zich in 't bed opgericht en woest rondgezien. Zodra ze 't doosje op de stoel voor 't bed opmerkte, heeft ze zich hiervan meester gemaakt en er Stijntje mee gedreigd. Toen is het kind de kamer uitgevlucht.
Vrouw Van Emden brengt het meisje wat tot bedaren. Dan volgt ze meester Rutger naar de ziekenkamer.
Maar hier vaart ook haar even een rilling door de leden, als ze Wijntje daar ziet zitten, thans vuurrood in 't gezicht, de ogen uitpuilend, en met beide handen weer het doosje omklemmend.
Eerst mompelt ze wat. Dan de binnentredenden opmerkend begint ze hees te krijsen :
,,Neen, gij zult het niet hebben ! 't Is voor Cornells ! — Ha ! is-t-ie daar ? — Hier zijn de brieven, m'n lieve jongen, hier, Cornelisje ! .— Tien paternosters, pater, da's goed ! — Meester Occo is een verrader !— Hij zal de brieven niet!" —
En dan snikkend : ,, Och, Cornells, m'n jongen, kom toch hier! Kom toch, kom ! " De arme vrouw ijlt in felle koortsgloed. Afgemat valt ze in de kussens terug.
Hoofdstuk XII.
Vurige kolen.
De rumoerige, angstige dag is ten einde. Thans, na het zwijgen der vijandelijke kanonnen, die zoveel verwoesting in het benarde Harderwijk aanrichtten, en het intreden der duisternis, lijkt de nachtelijke stilte nog dieper dan gewoonlijk, 't Is voor de stad eenverademing, niet ongelijk aan de weldadige rust na een hevig, lang onweer. Echter, met een gevoel van beklemdheid hebben de vermoeide poorters zich voor 't merendeel ter ruste begeven, want morgen, wat zal het dan zijn ?
Wie er evenwel in de slaap rust moge gezocht hebben, niet vrouw Van Embden. Nog ver in de nacht zit zij eenzaam in een leunstoel bij de tafel, de opengeslagen Bijbel vóór zich.
't Gaat haar, zoals het 's nachts elkeen gaat, die in droefheid en kommer verkeert: ze ziet de toekomst nog zwarter in dan deze inderdaad is. Wel is ze moedig en kordaat, en weet zij zichzelve in tijden van gevaar en lijden goed te beheersen, doch thans is het haar werkelijk aan te zien, hoe ze onder een zware last gebukt gaat.
Een traan blinkt in haar oog, terwijl ze het klaaglied leest van de bedrukte zanger uit de 102de Psalm, waar deze zuchtend uitroept: ,,o Heere, hoor mijn gebed, en laat mijn geroep tot U komen. Verberg Uw aangezicht niet voor mij, neig Uw oor tot mij ten dage mijner benauwdheid ; ten dage als ik roep, verhoor mij haastelijk."
No. 52 (Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's