Een domine vertelt
XXIX Verschillende overgangen.
Heel plechtig werd ik van het station gehaald door een aantal Kerkvoogden en Kerkeraadsleden. Het scheen mij een voorstelling, waaraan geen einde kwam. Mijn praatlust was op dat ogenblik niet al te groot.
Vele nieuwsgierige mensen waren mee naar het station gelopen, want die weg had voor hen een zekere aantrekking, vooral wanneer er een trein op komst was. Men kon de nieuwe leraar nu eens terdege opnemen. Hoezeer had ik gehoopt, in een rijtuig naar de pastorie aan hele of halve ,,ovaties" te kunnen ontkomen, maar dat kwam anders uit. De weg moest te voet worden afgelegd.
O, die hobbelige keien van de nauwe straatjes ! Hoe heb ik ze altijd gehaat (ze zijn trouwens al lang door betere vervangen) maar toen vooral, bij dat langzaam voortstrompelen, al pratend, want lopen kon men het niet noemen. En wanneer men dan eindelijk aankomt aan de bestemde woning, met de gedachte, dat men nu zijn nieuwe huis meer binnenvluchten, dan binnenlopen kan, dan zijn helaas de meubels nog niet aangekomen, want de verhuizer heeft tegenstand gehad. En na de lege kamers bekeken te hebben, werden wij genodigd ten huize van de ambtsbroeder, waar wij een liefderijk onderkomen vonden.
Aldus naderde de dag van de intree, die met grote spanning werd tegemoet gezien. De overgang was wel groot van het kleine dorpje naar dit drukke stedeke en deze grote kerk.
Zou mijn stem het maken ? Dat bleef mijn bezorgde gedachte en vraag. Immers: de stemquestie had mij toch al zoveel bezig gehouden. Ik bezat ook, wat men noemt: ,,een echte domineeskeel", en mijn stem was niet sterk. Wel had ik nu spreekles genomen, waaraan enige ,,schreeuwlessen" waren voorafgegaan, waarbij Amsterdamse straatjongens mij precies hadden nagedaan, toen zij dat buitengewone geluid uit een raam hoorden weerklinken. De resultaten van dat methodisch spreken moesten nu blijken.
Eenmaal reeds had ik bij een bezoek aan het stedeke op de kansel gestaan. Ik had gepreekt en de mensen, die gehoord hadden van mijn nog al zwakke stem, was dat zeer meegevallen. Zij verstonden mij best. Maar de inspanning was wel heel groot geweest. Vandaar dat ik spreekles nam.
Het heeft mij in de verdere loop der jaren niet gerouwd, dat ik de tijd voor deze lessen er af genomen heb. Voor de hoorders en voor mij zelf was alles nu veel gemakkelijker.
(Wat zou het nemen van spreeklessen voor de predikanten toch gewenst zijn opdat alle verkeerde aanwensels, alle hinderlijke en schorre keelklanken, alle bezondigingen tegen de taal en tegen een behoorlijke voordracht eens uit de rede mochten verdwijnen ; alsmede de vaak hinderlijke dialecten).
De intreedag brak aan. Eén van die dagen, die men nooit vergeet.
Met vreze en beving ging ik naar Gods huis.
Er werd gebeden in de consistorie door één der broeders. Onder het machtig en indrukwekkend gezang der Gemeente trad ik de kerk binnen en bleef onder aan de preekstoel staan.
Wij, predikanten, slaan immers nooit over, om even nog in stil gebed daar te staan, alvorens de kansel te beklimmen. Herinneren wij ons nog veel van deze korte gebeden ? Ik denk wel van niet.
Maar deze keer maakte daarop zeker een uitzondering. Ik zag de dicht opeengehoopte schare in dat grote bedehuis. Dat machtige gezang drong tot in mijn binnenste door en meer dan ooit voelde ik mijn kleinheid en nietigheid. Nu werd daar onder aan de kansel alles op de Heere geworpen en beleden ; „Heere, Gij weet het; ik heb het in zwakheid gewaagd met het oog op u. Och laat mij nu alles om Christus' wil voor Uwe rekening leggen".
Daar daalde des Heeren kracht in zwakheid neer. Weg was de vrees !
De Heere heeft mij het spreken gemakkelijk en ruim gemaakt.
Laat mij de tekst hier even noemen. Het was Psalm 60 : 6. Maar nu hebt Gij degenen, die U vrezen, een banier gegeven, om die op te heffen vanwege de Waarheid". In de week daaropvolgend ontmoette ik een bekende zuster der Gemeente, de vrouw van een ouderling, een ijveraarster van de echte stempel, in de Waarheid doorkneed. Zij had onder de preek ook haar verantwoordelijkheid wel schoon gevoeld, want zij zeide : „Dominee, u hebt het ons niet gemakkelijk gemaakt, want wij hebben gevoeld, dat ook wij, met u de Banier moeten leren dragen tot Gods eer".
Na mijn intree waren de pakken en zakken voorlopig wel weg. Het ijs der vreemdheid en der terughoudendheid was nu gebroken. Ik voelde mij nog enigszins als een gast onder vriendelijke mensen, die langzamerhand inburgerde.
Ook de straatkeien stonden mij al niet meer tegen. Zij behoorden voor mij reeds bij het stadsbeeld.
Eigenaardig was wel, dat men hier echte, stadse toestanden, onder het dorpse door, reeds tegen kwam. Er ging wat om op die glasfabrieken !
Daar stonden onze huisvaders en ook de jonge mannen in de dubbele zin van het woord in de vuurproef. Met de bovenlichamen naakt voor de open vuren schepten zij de wit gloeiende, gesmolten glasmassa's uit de ovens en bliezen de flessen in de gereedstaande vormen, al blazend in de holle, ijzeren buizen.
In de machinale flessenfabriek kwamen deze gloeiend maar reeds kant en klaar uit de machines rollen, terwijl ze op ijzeren spaden werden opgevangen en op dito kruiwagens gelegd werden.
Er tussen door, tijdens de schafturen, werd er over en weer nog al eens „geboomd". Want onder de arbeiders zat er van alles ; van uiterst rechts tot uiterst links.
Dan stonden diezelfde mannen, die zich hun christelijk beginsel niet schaamden, vaak in de hitte van kruisvuren en dat wel van gesprekken en schimpscheuten, omdat zij nog vasthielden aan de Bijbel en de Kerk.
Nergens meer dan op de fabrieken, spitsen zich de tegenstellingen scherper toe.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's