De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Calvijn en Kimchi

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Calvijn en Kimchi

14 minuten leestijd

Bij mijn promotie werd van hooggeleerde zijde de opmerking gemaakt, dat Calvijn in zijn commentaar op de Psalmen, welke verklaring ik vele malen in mijn proefschrift heb aangehaald, sterk afhankelijk is van de Joodse exegeet David Kimchi (1160— 1232). Zelfs werd gezegd, dat Calvijn Kimchi heeft nageschreven. Deze opmerking is van voldoende betekenis om er in een artikel nader op in te gaan, waarbij wij de zaak iets breder willen onderzoeken.

Het is niet te bestrijden, dat Calvijn een man is geweest van geniale kennis en begaafdheid, zoals weinigen in zijn dagen bezaten ; reeds in zijn jeugd was zijn belezenheid buitengewoon groot. Als hij op 23-jarige leeftijd een verklaring schrijft over een verhandeling van de Wijsgeer uit de oudheid Seneca (de Clementia), dan blijkt, dat Calvijn de literatuur van de Grieken en de Romeinen volkomen beheerst ; niet minder dan 55 Latijnse en 22 Griekse schrijvers worden door Calvijn geciteerd. Ook na zijn bekering zal Calvijn de wetenschap niet verachten. In zijn Institutie wijst hij er op, dat wij de geschriften der ouden niet kunnen lezen dan met grote verwondering. God heeft vele goede gaven overgelaten in de menselijke natuur, nadat deze van het ware goed was beroofd. Indien wij Gods Geest houden voor de enige oorsprong der waarheid, zo zullen wij de waarheid, bij wie deze ook gevonden wordt, niet verwerpen of verachten, indien wij de Heilige Geest geen smaadheid willen aandoen. Indien ons de Heere door de arbeid en dienst der ongelovigen heeft willen helpen in de physica, dialectica, mathematica en andere dergelijke, zo laat ons die gebruiken, opdat wij, indien wij Gods gaven in deze mannen  vanzelf aangeboden verzuimen, niet gestraft zouden worden naar dat onze onachtzaamheid verdient. (Inst. II-2, 15, 16).

Dat Calvijn niet zonder voldoende voorstudie zijn verklaringen van de H. Schrift is gaan schrijven, is zeker ; op bijna iedere bladzijde dragen zijn commentaren hiervan de sporen ; telkens lezen wij : sommigen menen, dat dit de verklaring is en anderen enz. ; ook treft meer dan eens de uitdrukking : sommigen van de onzen. Het is een grote uitzondering, als Calvijn de namen van de verschillende exegeten, die hij bijvalt of bestrijdt, noemt. Wij verwijzen b.v. naar Psalm 27 vs. 9: Verwerp Uw knecht in toorn niet: ,,Sommige Hebreeuwse verklaarders leggen dit woord een weinig gedwongen uit: laat niet toe, dat Uw knecht met kwade zorgen der wereld wordt vastgehouden. Ik echter neem het woord natah liever in de zin van wegnemen, verwijderen, zoals velen het ook vertalen. Waarschijnlijker is de mening van hen, die menen : Maak niet, dat Uw knecht tot toorn afwijkt".

Daarbij is het niet Calvijns bedoeling om met zijn kennis te pronken en zoveel mogelijk geleerdheid te etaleren, maar het is de neerslag van zijn studie, die hij aan zijn lezers doorgeeft. Een juist inzicht in de studie, die er achter ligt, ontvangen wij bij Calvijn in het algemeen niet. Welke boeken hij in zijn bibliotheek had, weten wij niet, daar een Egelsman de hoofdbestanddelen van Calvijns boekerij na de dood van Beza naar Brittannië meevoerde en daarom kunnen wij slechts zeer tastend ons een beeld vormen van Calvijns theologische hulpmiddelen. (Zie Peter Barth, Fünf und zwanzig Jahre Calvinforschung; Theol. Rundschau, 1934, s. 161ff , s 246f). Zo gemakkelijk is het niet, een antwoord te vinden op de vraag, welke bronnen Calvijn heeft gebruikt bij zijn exegetische arbeid. Vóór de Psalmenverklaring van Luther verscheen over deze materie een studie van Freiet(M. Freiet, Luthers Busspsalmen und Psalter, Beitrage Wiss. Alt. Test, Heft "24 ; • 1918). Luther, die aanvankelijk Lyra's methode van Schriftverklaring sterk afwijst, komt later steeds meer terug van een allegorische Schriftverklaring ; als bronnen zoude Luther gebruikt hebben de Targum, Raschi (f 1165), Ibn W. Ezra (f 1167), Kimchi en misschien ook nog andere. Maar Bornkamm in diens uitvoerige studie over Luther en het Oude Testament (H. Bornkamm, Luther und das Alte Testament, 1948) meent, dat Freier te ver gaat in diens aannemen, van invloeden van Joodse exegeten op Luthers verklaringen. Wij geloven dat inderdaad al te gemakkelijk Freier overname aanneemt. Dat maakt ons al voorzichtig, als het over Calvijn gaat. Zegt Calvijns nu iets over de bronnen, die hij gebruikt heeft bij zijn verklaring van het boek der Psalmen ? In de inleiding verhaalt de schrijver, hoe hij tot de uitgave van deze verklaring gekomen is (1557). Hij had te voren drie jaar lang voorlezingen over de Psalmen gehouden en meer dan eens hadden zijn leerlingen gevraagd deze uit te geven. Maar zegt Calvijn: „dat was onnodig, " omdat de zeer trouwe leraar der Kerk Martin Bucer hierover een werk met kennis van zaken, vlijt en trouw geschreven heeft (dit werk verscheen in 1529).

Bovendien zoude Calvijn dan ook de verklaring van Musculus hebben moeten noemen, als dit werk reeds verschenen was, daar dit naar het oordeel van de goedgezinden wegens zijn vlijt en flinkheid grote lof verdient. (Dit werk verscheen in 1550). Eerst later, Calvijn weet zelf niet, hoe het kwam, gaf Calvijn een Psalm in het Latijn uit. Toen zijn vrienden bleven aandringen om dit werk voort te zetten, heeft Calvijn tenslotte daaraan voldaan, ook omdat hij vreesde, dat anders zijn college's zonder zijn voorkennis en wil gedrukt zouden worden. Als nu de arbeid de lezers ten nutte zou-de komen, laten zij dan verstaan, dat dit voor alles moest worden toegeschreven aan de omstandigheid, dat de ervaringen verkregen in de strijd, waarin de Heere hem geoefend had, hein enigszins geholpen hebben om voor het heden toe te passen, al wat hij van de leer kon samenvatten, maar ook om de bedoeling van de vervaardigers der Psalmen gemakkelijker te doen kennen. Het begrip voor de klachten van David, over de innerlijke noden der Kerk is Calvijn vooral daardoor duidelijk geworden, dat hij hetzelfde, waarover David klaagt of iets dergelijks, van de inwendige vijanden der Kerk heeft ondervonden. En dan gaat Calvijn van zijn eigen leven vertellen, een aangrijpend getuigenis van ,,de verborgen teugel van Gods voorzienigheid", die aan Calvijns leven een geheel andere richting gaf dan waarin dat leven zich aanvankelijk heeft bewogen. De lezers zullen merken, dat als Calvijn de geheime gevoelens van David en ook van de anderen ontvouwt, hij als van wat persoonlijk doorleefd is, spreekt.

,,Zeker zal iedere lezer dit bevestigd vinden, dat ik er niet op uit ben geweest om te behagen, maar om van nut te zijn ; daarom heb ik mij niet slechts altijd van een eenvoudige leerwijze bediend, maar mij ook zoveel mogelijk van alle wederleggingen onthouden om alle vertoon te vermijden. Anderer meningen heb ik slechts dan aangeraakt, als het te vrezen was, dat ik door mijn stilzwijgen de lezer in onzekerheid zou laten. Ik weet wel, wells^een verlokking het voor velen is om 'een menigte stof te verzamelen om zo geleerdheid te tonen, maar niets was mij meer w^aard dan de zorg voor de opbouw der Kerk. Geve God, die mij de moed hiertoe heeft gegeven, dat het resultaat daaraan beantwoordt".

In deze inleiding op de Psalmen, waaruit wij een en ander aanhalen, wordt van bronnen, die Calvijn gebruikte niet gesproken ; wel wordt de verklaring van Bucer genoemd en afgedacht van de vraag, welke invloed van Bucer in het algemeen op Calvijn is uitgegaan — hierover wordt zeer verschillend geoordeeld — de vermelding van Bucers verklaring van de Psalmen, die in 1529 verscheen, is een aanwijzing, dat diens commentaar niet zonder betekenis is geweest voor Calvijn's uitleggingen. Meer dan eens wordt elders Bucer door Calvijn met instemming aangehaald en geprezen (b.v. bij de verklaring van Matth. 2 : 23 ; Lucas 24 : 47 e.a.), al heeft Calvijn ook zijn critiek (zie b.v. V. d. Linde, De Leer van de Heihge Geest bij Calvijn, p. 153 ; zie ook Dee, Het geloofsbegrip van Calvijn, p. 207 v.). Als Lang over de bronnen van de Institutie van 1536 handelt, dan wijst hij ook op Bucer's invloed ; hij betoogt, dat in de verklaring van Bucer op Matth. 6 : 5vv. geen gedachte voorkomt, of Calvijn heeft daarvan in de inleiding op het gebed des Heeren in Boek, UI (uitg. 1536) gebruik gemaakt. (A- Lang in Kalvin és a Kalvinizmus, Debreceen 1936, p. 15vv.). Elders erkent Calvijn ook navolging van Bucer. In een inleiding op zijn preken over de Evangeliën geeft Calvijn aan zijn lezers de motieven op, waarom hij niet de Evangeliën één voor één heeft behandeld, maar aan de behandeling in de vorm van de harmonie de voorkeur heeft gegeven ; en dan schrijft hij : Het is er zo ver vandaan, dat ik gezocht heb lof te verkrijgen in het vinden van iets nieuws, dat ik gaarne erken, zoals dat een man, die recht door zee gaat en een goed geweten heeft, betaamt, dat ik deze wijze van handelen verkozen heb in navolging van anderen. Vooral heb ik Bucer willen volgen, een man van heilige nagedachtenis en die een uitnemend leraar van de Kerk Gods is geweest, die m.i. boven alle anderen in dit opzicht veel heeft gedaan. En zoals hij zich bediend heeft van de arbeid der ouden vóór hem, zo heeft hij ook mij grotelijks getroost door zijn ijver en nauwgezetheid (Opera., Calvini, Baum, Gun. enz., t. 46-VII). — Als wij deze dingen lezen, dan wordt de voorstelling, als zoude Galvijn sterk afhankelijk zijn van vroegere exegeten verre van waarschijnlijk. Wij willen niet ingaan op de vraag, of Galvijn een goed Hebraicus was ja dan neen, dat is bij ons onderwerp niet direct aan de orde. (Zie hierover A. J. Baumgartner, Galvin Hébraisant et interprète de l'Ancien Testament, Paris, 1889 ; ook J. O. Pannier, Récherches sur la formation intellectuelle de Galvin, Revue d'Histoire et de Phil, relig. 1930, pag, 145 sqq).

Zeker is, dat Calvijn vele malen zich aansluit bij de gangbare opvatting van zijn dagen. Om slechts een enkel voorbeeld te noemen : Ps. 8:5: „Omdat bijna alle verklaarders dit woord (pakad) nemen in de zin van bezoeken, heb ik van hen niet willen afwijken, daar de zin uitnemend past. Omdat het woord toch zich herinneren betekent en de herhaling van dezelfde zin met verschillende woorden in dè Psalmen menigmaal geschiedt, zoude het niet ongeschikt zo kunnen worden vertaald, alsof hij gezegd had, dat dit bewonderenswaardig is, dat God gedurig de mensen gedenkt". Vele malen werpt Galvijn allerlei in zijn tijd gebruikelijke verklaringen omver en gaat hij zijn eigen gang. Men zie b.v. Ps. 36 : Bijna allen menen, dat David in deze Psalm zich over de goedheid Gods verwondert, omdat Hij in Zijn genade en barmhartigheid de goddelozen verdraagt, door wie Hi| toch goddeloos veracht wordt. Ik echter denk er een weinig anders over n.l. dat de heilige profeet ernstig door goddelozen gekweld, over hun boosheid zich beklaagt en dan vervolgens vlucht tot de oneindige goedheid Gods, die Hij niet' slechts aan alle stervelingen in het gemeen, maar in het bijzonder aan Zijn kinderen bewijst (ook vs. 6)". —Vele voorbeelden zouden genoemd kunnen worden, waaruit blijkt dat Galvijn zijn eigen wegen gaat.

Met opzet geven wij deze dingen door het antwoord op de vraag, die wij boven stelden wordt er door vergemakkelijkt. Wij komen nu tot de Rabbijnse exegeten. Het valt niet te ontkennen, dat hun invloed op de verklaring in de tijd van de Middeleeuwen en van de Reformatie groot is geweest. David Kimchi b.v., hoewel hij menigmaal tegen christelijke geloofsstellingen polemiseert, is toch herhaaldelijk door reformatorische exegeten aangehaald en wat de grammatica betreft vond in onze eeuw b.v. König vele opvattingen van Kimchi nog niet geantiqueerd. Over het geheel worden de Rabbijnen door Galvijn slechts een enkele maal met name genoemd ; veel goeds vermeldt Cal­vijn van hen in het algemeen niet. Wij noemen enige voorbeelden — Ps. 29 : 2 Over de betekenis van de woorden zijn alle Hebreen het eens ; maar als men tot de zaak komt, keren zij met hun koude verzinsels de oorspronkelijke zin om of verduisteren die.

Ps. 22 : 17 Op hen (de Joodse exegeten) valt de verdenking van vervalsing ; hun enige ijver is om de gekruisigde Ghristus van Zijn kentekenen te beroven, dat Hij niet als Ghristus en Verlosser zoude aan de dag komen. In dit verband zegt Galvijn, dat de hardnekkigheid van de Joden om te twisten niet te bedwingen is. ,,Slechts heb ik in het kort willen aantonen, hoe goddeloos zij de Christenen over een verschillende lezing van deze plaats hekelen." Verder verwijt Galvijn de Joden een ernstige onkunde van de geschiedenis. Psalm 103 : 5 De vergelijking met de arend heeft de Joden gelegenheid gegeven een fabel te verzinnen. Al weten zij niets van de beginselen van een wetenschap, ze zijn zo stoutmoedig, dat zij nergens aarzelen, waar het ook over gaat; welnu, zodra zij iets vinden, dat hun onbekend is, dan is er geen verzinsel zo stuitend of zij brengen die naar voren, als ware het een orakel van de hemel. Ps. 36 : 8. Ik verwonder er mij over, dat de Rabbijnen zich aftobben met hun verzinsels, daar de bedoeling van de profeet zo doorzichtig is : de goddelozen zwelgen in hun schanddaden, maar deze verzoeking is voor de gelovigen (de mensenkinderen) geen verhindering om op Gods goedheid te vertrouwen, en zich aan Zijn vaderlijke voorzorg over te geven.

Ps. 102 : 15. Dit tot Darius en Gyrus te beperken is ongerijmd en ik verbaas mij er over, dat sommigen van de onzen zulk een koud verzinsel onderschrijven, want te verbazen is het niet; dat de Rabbijnen op dwaze spitsvondigheden al te begerig jacht maken.

Ook buiten Galvijns verklaring op het boek der Psalmen vinden wij dezelfde opmerkingen : b.v. op Jer. 17:12 spreekt hij over de verzinsels van de Rabbijnen, dat God de tempel zou geschapen hebben voor de schepping der wereld. Ditzelfde vinden wij bij de verklaring van Micha 5 : 2 Het verzinsel, waarin de Joden behagen scheppen, moet weerlegd worden, want zij zeggen, dat voor de schepping der wereld de Messias geschapen en de troon der eeuwigheid en de wet en andere dingen. Dit zijn smakeloze fabels.

Amos 2:1. Hier handelt de profeet over het verbranden van de beenderen van de koning van Edom door Moab. Sommigen vatten beenderen allegorisch op voor kracht; dat behaagt Galvijn niet: Hem behaagt niet het verzinsel der Rabbijnen, dat het lichaam van een zekere koning verbrand is en dat de Moabieten de as zouden hebben misbruikt voor cement, in plaats van kalk. Naar hun gewoonte verkopen zij onzin ; waar een plaats aan sommigen duister voorkomt, verzinnen zij terstond een fabeltje. Ook al staat er geen enkele geschiedenis vast, toch oefenen zij hun vernuft in die fabelachtige verzinsels. Flozea 10:5. Zij zien niet op wat waar is, maar gissen slechts en zij willen, dat voor waar gehouden wordt, alwat hun voor de geest komt; de geschiedenissen onderzoeken zij niet eens, kortom zonder reden brengen zij naar voren al wat hun behaagt.

Jes. 47: 26. Aan de Rabbijnen laat ik hun waanzin over, dat God voor de hemel en de aarde, de Messias en Jerusalem met de troon Zijner glorie schiep.

Nahum 1 : 12. Over de naam Nahum de Elkosiet. De Joden zeggen, dat dit de naam van de vader is ; vervolgens voegen zij er bij hun gewone verzinsel, dat deze Elkos ook profeet was : omdat waar de naam van de vader uitgedrukt wordt bij de profeten, daar stellen zij vast, dat hij wiens naam genoemd wordt, ook profeet is geweest, maar dat zijn zuiver malligheden. En ireeds enige malen hebben w^ij gezien, hoe groot hun onbeschaamdheid is in het verzinnen van fabelen.

Hab. 2:16. Reeds dikwijls is gezegd, hoe stoutmoedig de Joden zijn in het verzinnen van fabelen, waar niets vaststaat; zij raden dit en dat en zonder onderscheiding en schaamte.

1 Sam. 10 : 15. Wij zien, dat de Rabbijnen de zuivere leer van de Schrift met hun verzinsels verdraaien. 

Sterk polemiseert Galvijn in het boek Daniël tegen de uitlegging der Rabbijnen, die zich schuldig maken aan nietige voorspellingen (op Dan. 3 : 1), die van onwetendheid beschuldigd worden (7 : 27) en van onbeschaamdheid (5 : 30) ; vele malen wordt Barnibel genoemd (Abarnabel) en diens „schaamteloze onwetendheid" gelaakt (7:27; 9:24, 25, 26).

Voorzover wij weten, is er in de Psalmen slechts één plaats, waar Galvijn Kimchi noemt. In Ps. 112:5 noemt Galvijn Kimchi de betrouwbaarste van de Rabbijnen. In zijn verklaring van Gen. 3 : 1 wijst Galvijn een verklaring van Kimchi af.

Vooralsnog moeten wij de gedachte als zoude Galvijn sterk afhankelijk zijn van Kimchi als zeer onwaarschijnlijk afwijzen. In een volgend artikel hopen wij Galvijn en Kimchi te vergelijken in hun verklaring om tot een directe conclusie te komen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Calvijn en Kimchi

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's