De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Onderwijs

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Onderwijs

6 minuten leestijd

Bij het onderwijs en de opvoeding onzer kinderen hebben wij met de grootste voorzichtigheid op te treden. Dat zullen we allen wel beamen. Het is „levend materiaal", waarmee we te doen hebben en daarom zullen we heel voorzichtig moeten zijn met wat we zeggen, maar ook met wat de kinderen zeggen. Er is zou gauw iets bedorven, een goede verhouding, een goede sfeer, en dat is dikwijls zo moeilijk weer te herstellen. De bede : ,,Zet, Heer, een wacht voor mijne lippen, behoed de deuren van mijn mond", is voor ieder mens nodig, maar zeker ook voor ons, als leerkrachten aan de scholen. In drift of uit nonchalance, uit onnadenkendheid, kan soms heel wat kwaad geboren worden. Zelfs ook wel uit een of andere misplaatste aardigheid.

Zo vertelde een moeder mij, dat haar dochtertje, die op een dorpsschool ging, en wier gezicht ontsierd werd door sproeten, terwijl bovendien haar haar aan de rossige kant was, van de meester had moeten horen : ,,Nou, ik geloof dat jij helemaal gaat verroesten". Het kind had het eigenlijk niet goed begrepen, maar had het toch aan moeder verteld, en niet alleen het feit zelf, maar ook, dat heel de klas er onbedaarlijk om gelachen had. De moeder had het natuurlijk direct „door" en was vreselijk beledigd.

U begrijpt, dat de volgende samenspreking tussen haar en de betrokken leerkracht niet van bijzonder aangename aard was. Maar wie zegt nu ook zulke dingen! Het ergste was evenwel, dat het kind, toen ze eenmaal snapte wat de meester nu eigenlijk bedoeld had, totaal van streek was en dat van toen afaan alle vertrouwen bij haar weg was. Terwijl juist bij de opvoeding vertrouwen zo dringend nodig is.

Nu zult u misschien zeggen, dat zo iets wel niet veel zal voorkomen en tot de grootste uitzonderingen zal behoren. Ik hoop het en ik geloof het ook wel. Maar dit is wel zeker, dat soms in huis of in school dingen gezegd kunnen worden, die een deprimerende indruk maken en de goede verhouding verstoren, 't Behoeft daarom nog niet zo grof te zijn als het bovenvermelde, maar daarom kan het nog wel erg genoeg zijn. We moeten ten volle goed weten, wat we zeggen en het kleinerende, het bespottende, het minderwaardige vermijden. Daartoe zullen we waakzaam moeten zijn, want o zo gauw is onder de invloed van een of andere omstandigheid een woord gezegd, dat beter had kunnen gezwegen worden. Dat wij allen zondige mensen zijn, kan nooit als een verontschuldiging gelden, maar veeleer, om onze zonde in deze ook als schuld te belijden en er biddend tegen te strijden. "Want ik geloof niet, dat er iemand onder ons is, noch onder de ouders, noch onder de leerkrachten der scholen, van welke richting dan ook, die hierin vrij uitgaat. Wel zegt de apostel „Wie in woorden niet struikelt, is een volmaakt man", maar volmaakte mannen zijn er niet, evenmin als volmaakte vrouwen of kinderen. En daarom is het zaak, om op onze hoede te zijn.

De opvoeding is een teer werk, zowel voor ouders als onderwijzers. Er zijn toch al zoveel verborgen of openlijke mede-opvoeders, die al meer dan genoeg in de verkeerde richting sturen of kunnen sturen. Denk maar aan de onderlinge omgang der kinderen, of laat ik maar één begrip noemen : denk maar aan de straat, met al wat zich daarin afspeelt, en ge kunt u er al genoeg van voorstellen. En als ge — wat toch noodzakelijk is , uw kinderen nauwkeurig onder controle, of wilt ge, onder toezicht hebt, zult ge al gauw de invloed er van bespeuren, als uw kleinen zo langzamerhand wat meer vrijheid genieten en de straat zo langzamerhand hun speelterrein wordt. Dat moet ons te meer dringen, om zelf bij de vorming der kinderen in de goede, in de juiste richting te gaan, en dat eist overleg, dat eist zelfbeheersing, dat eist gebed.

Laten we er óok nooit te groot of te oud of te voornaam of te autoritair voor zijn om niet alleen onze schuld voor God te belijden, maar ook aan de betrokken kinderen. Vader of moeder, meester of juffrouw, moeten er niet tegen opzien om eerlijk hun kind of hun leerling 't te zeggen, dat ze verkeerd hebben gehandeld en ze zullen daarbij ervaren, dat dit de verhouding niet schaadt, maar integendeel bevordert en verdiept.

Er zijn me gevallen van nabij bekend, dat een onderwijzer een leerling onbillijke woorden had toegevoegd, die grievend waren. Maar toen ze nog maar kort zijn lippen uit waren, voelde hij de onbillijkheid en dus de schuld van z'n in drift uitgesproken woorden, en gelukkig, hij „overwon zichzelf" en zei het eerlijk tegen de jongen : „Piet, dat was fout, wat ik daar tegen je gezegd heb, dat had ik niet mogen doen, 't spijt me erg, wil je 't me vergeven? " De tranen sprongen het kind in de ogen, toen deze hem de hand toe­ stak, die hij, wel wat verlegen, maar toch hartelijk drukte.

Denk maar niet, dat ouders of onderwijzers zich daarmee in het oog van het kind verlagen. Het is mijn vaste overtuiging en ook m'n ervaring, dat het tegendeel het geval is. Trouwens ik acht het, afgezien van alle mogelijke en onmogelijke gevolgen, minstens een zedelijke phcht om 't zó of op dergelijke wijze te doen.

Ook in nog zoveel andere gevallen past grote voorzichtigheid en we moeten denken aan : ,,Weet, wat je zegt !"

Op een middag komt een vader z'n dochtertje van 6 a 7 jaar op school brengen ; hij vraagt het Hoofd te spreken en zegt: Mijnheer, wat is er toch aan de hand, Greetje komt thuis en zegt: De juffrouw zegt, dat ik naar 't gesticht moet. Het Hoofd beloofde de zaak te zullen uitzoeken, maar nauwelijks was de vader weg, of een moeder komt met dezelfde boodschap; Gerrit loopt buiten en wil niet naar binnen, want hij zegt, dat de juffrouw 't gesticht in 't vooruitzicht gesteld had en hoewel hij niet al te precies wist, wat dat nu inhield, voelde hij er toch intuïtief een hartgrondige afkeer van en om nu de minste risico te lopen, wou hij maar liever niet binnen de schoolmuren opgesloten worden. Aan de hand van de ,,bovenmeester" kwam hij rustig in 't lokaal.

Bij onderzoek bleek dat de onderwijzeres gezegd had, dat ondeugende kinderen later in 't gesticht terecht kwamen. En hoewel deze twee genoemde kleuters er bij de huidige voorschriften toch niet voor in aanmerking kwamen, hadden ze zich de zaak toch al te zeer aangetrokken.

Men begrijpt wel, dat de betrokken leerkracht zelf wat schrok van de gevolgen van haar uitspraak, die overigens goed bedoeld was, maar toch niet op zijn plaats. Vooral op het gebied der ,,bedreigingen" met straf past de uiterste voorzichtigheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Onderwijs

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's