Hoe wint U de buitenkerkelijke ?
Wandelt met wijsheid bij degenen, die buiten zijn. Col. 4 vs. 5.
II.
Twee lijnen.
Wanneer onze Catechismus spreekt over het ware geloof in antw. 21, lezen we: „niet alleen anderen, ook mij " Zielkundig juist is deze uitdrukking gekozen. Het voorwerpelijke, dat 't geloof eigen is, wordt op harmonieuse wijze verbonden met het even kenmerkende onderwerpelijke. Het ,,Zo doe Hij ook aan mij" wordt de bee van elk, die als een arm verloren zondaar voor God zich leert kennen. Spurgeon, de beroemde prediker, gaf een bundel preken in het licht onder de titel: „Zeven wonderen van genade". Verschillende bekeringen uit de Heilige Schrift, o.a. van de goddeloze Manasse en de godsdienstige Saulus, zijn stof der prediking.
De laatste preek draagt als opschrift : ,,Het grootste wonder". Deze preek behandelt de eigen bekering van hoorder en prediker. Is dat niet het grootste wonder?
Antwoord 86 van de Catechismus, op de vraag : waarom dan nog goede werken, stelt de volgorde anders: „door onze wandel ook de naaste voor Christus gewonnen". Twee lijnen dus in de Catechismus. De ene : niet alleen anderen, ook ik; de andere : niet alleen ik, ook anderen. Wij hebben het over die tweede lijn. De eerste is vanzelfsprekend verondersteld.
Levensstijl.
Elke tijd inaugureert nieuwe woorden. Tegenwoordig lezen en horen we vaak de term : levensstijl. Waar men vaak over spreekt, heeft men weinig van. Zo is het in het gemeen. Dr. Berkhof schrijft in zijn veel gelezen en ijverig besproken brochure „De crisis van de Midden-orthodoxie" ook een en ander hierover. „De laatste brokken christelijke levensstijl worden als „wettisch" aan de kaak gesteld, zonder dat er nieuwe en betere levensvormen voor in de plaats gesteld worden. De duivel van conservatisme en farizeïsme wordt uitgedreven door de Beëlzebul van stijlloosheid en secularisering. De genade is goedkoop geworden, offers worden niet gevraagd".
Er zijn wel oude schoenen weggeworpen, zonder dat men nieuwe had. Van velen, die buitenkerkelijk opgroeiden, kan men horen dat het juist de sfeer en de toon van de christelijke gezinnen waren, waardoor ze werden aangetrokken. Maar secularisering is nivellering. De kerkelijke gezinnen onderscheiden zich in niets van de Wereldse. In de gezinnen begint de ontkerstening. Ja, feitelijk in de harten. Men had het nog niet begrepen, toen de kerken nog vol waren. Maar die ogenschijnlijke gezondheid was een verraderlijke blos. We stellen voor de ontkerstening gaarne de funeste invloeden van wetenschap en cultuur aansprakelijk. Techniek en industrialisatie worden gebrandmerkt. Maar al deze machten zouden zo voorspoedig niet hun duizenden verslaan, als niet de vestingen in stilte stormrijp waren geworden. Processen van secularisering en dergelijke verlopen meestal in wisselwerking. Het ontbrak en ontbreekt de kerk aan wandel, aan levensstijl. We lezen, dat de wandel zonder woorden zelfs bij machte is om anderen te werven.
Och, dat al het volk profeten ware.
Overtuigde gelovigen, die hun geloof sieren met een waardige wandel, zullen de beste verbreiders van het geloof zijn. Het particulier initiatief is in dezen ook schaars. In de leidende kringen van de kerk gaat men wel inzien dat het inderdaad de kant op moet van persoonlijke contacten. Predikanten en priesters laten zich geheel inschakelen in het proces van de arbeid, om de arbeiders in alles gelijk te zijn. Het ambt van alle gelovigen moet evenzeer zijn een belijden juist in de wandel van geloof en hoop. Van grootscheepse actie komt men hoe langer hoe meer terug. Trouwens lang niet alle actie is gelukkig. Soms lijkt het wel of men in de kerk bezeten is door een minderwaardigheidscomplex en dat men de wereld wil laten zien, dat men óok films, (volks) dans, revue en cabaret heeft. Of men hiermee nu zo bizonder de eigen levensstijl kan demonstreren? Met afleggertjes van de wereld. Neen, dat is wel een bewijs van armoede. Men zal tegenwerpen, dat het hier een appèl betreft. Maar als men de mensen moet trekken door te speculeren op behoeften, die men toch juist niet wil vervullen, gaat men toch wel een zonderlinge kronkelweg. Zei Paulus niet, dat hij „listig was, en met bedrog" de mensen gevangen had? Inderdaad, maar Paulus' practijken waren heel wat argelozer. Ik zou aan heel velen graag vragen om een zorgvuldige uitleg en toepassing van de tekst: „Wordt deze wereld niet gelijkvormig".
Dr. Berkhof schrijft in zijn ,,Geschiedenis der Kerk" : ,,Door al deze dingen bewees de kerk (hei"'gaat hier over de oude kerk), dat ze 'éen eigensoortige levensgemeenschap was, die een andere Heer diende en andeiife wetten volgde dan haar omgeving. En het is zeker, dat deze eigensoortigheid, die de keerzijde was van haar gehoorzaamheid aan Christus, niet alleen de achterdocht en ergernis.der wereld heeft opgewekt, maar ook en nog meer een geweldige aantrekkingskracht heeft uitgeoefend, en voor een groot deel de oorzaak is geworden van de snelle uitbreiding van de gemeente. Dat spreekt te meer, daar zending in onze zin des woords niet bestond. Meer dan in leer en eredienst heeft de kerk in haar, daad en leven het wezen van het Evangelie aan de wereld geopenbaard. Ondanks haar dwalingen, was de kracht van de Heilige Geest in haar werkzaam. Daardoor is juist van haar leven der liefde een wervende en zegenende invloed tot haar heidense omgeving uitgegaan". Vergeef me dit uitvoerig citaat. Het is uitermate geschikt om in het algemeen het belang van de studie van de Kerkgeschiedenis te bepleiten en in het bijzonder verschaffen deze regels ons waardevol bewijsmateriaal voor ons betoog. Een leemte aan leven en liefde, een gemis van Geest, laat zich door geen halfwerelds surrogaat aanvullen.
Zodanigen worden, gelijk ik ben.
De gelovige moet iemand zijn. Er zijn zovele confectie-christenen, waar geen spier van uitgaat. Maar als het waar werd, dat niet wij meer leven, maar dat Christus leeft in ons, dan moet er wel een invloed van ons uitgaan, die tegenstand oproept en ook meesleept. Want Christus, ook als Hij geopenbaard is in de Zijnen door de Geest, is gezet tot een val en opstanding, en tot een teken dat weersproken wordt. In het Evangelie lezen we het merkwaardige, dat Christus in de gunst staat en toch ook weer op het felst gehaat wordt. De Handelingen geven van de jonge kerk eenzelfde beeld. Het wil ons dubbelzinnig voorkomen, maar deze mengeling van genade en ongenade is het watermerk van de echtheid van Gods werk. Het verwijt van dubbelzinnigheid ploft onmiddellijk terug op ons, dubieuse mensen, gevallen schepselen. We zijn teveel schepsel Gods om niet overtuigd en bekoord te worden door de onschuld en het aantrekkelijke dat al Gods werk eigen is. Maar we zijn ook te zeer gevallen en vijandig om niet onze rebellie te openbaren.
Wie zijt gij?
Toen Ruth van haar nachtelijk verblijf op de dorsvloer in de schemer van de vroege morgen huiswaarts keerde, beidde Naomi haar met de vraag : ,,Wie zijt gij, mijn dochter? " Naomi wist, wie ze voor zich had. Maar ook wist ze, dat iedere jonge vrouw, die zich verlooft, diep ingrijpend veranderd wordt, zodat zeker de vraag van pas is : „Wie zijt gij? " Als we van een ander worden, worden we anders. Wie Christus' eigendom werd, roept óp de vraag : „Wie zijt gij? " Hij is een teken en wonder in het midden van zijn medemensen.
Huidige methoden van evangelisatie.
We hebben al een enkel woord gezegd over de terugkeer van massale acties tot indirecte evangelieverkondiging. De predikanten, die onderduiken in de fabrieken en op werven, mogen zich wel niet door romantiek laten verleiden, want dan zou het hun wel eens kunnen vergaan als Sceva's zonen, die de bezetene op de nek kregen en ternau\yernood hun naakte en gewonde lijf konden bergen. De zuivere hartstocht van het Evangelie alleen moet ons bezielen. Laat al de gelovigen hun posten betrekken. Onopzettelijk moet de eigensoortigheid van de gemeente uitkomen. Ik meen, dat we juist zulke methoden ernstig moeten onderzoeken en volgen.
Het gesprek.
Een juiste methode is nog geen waarborg voor een juiste opvatting van het geloof. Dat blijkt wel, wanneer het eenmaal komt tot een gesprek. Het antwoord op de informatie wie wij zijn, wordt een belijdenis Wiens wij zijn. Van een eenvoudig, waarachtig en persoonlijk getuigenis van een geestelijk mens gaat winnende kracht uit. Of men verhardt zich. Onbewogen laat het niet. Het werk van Gods Geest is vol eenvoud en gratie en het maakt door en door oprecht. Het is maar jammer dat zoveel pseudo-geestelijke mensen het echte werk Gods in discrediet brengen. Maar dit satanisch verschijnsel heeft alle eeuwen door de werkzaamheid van Gods Geest met verstikking bedreigd. Natuurlijk is het goed, dat allen die zich wagen •— en ze kunnen niet anders - - aan het gesprek met de buitenkerkelijken, beslagen ten ijs komen. We moeten afweten van filisofie, stromingen, secten, cultuurverschijnselen, psychologie. Maar laat ik gauw ophouden.
Men neme niet meer wetenschap tot zich dan men verwerken kan. De buitenkerkelijke zal onze quasi-wetenschappelijkheid gauw doorzien. Hij wil niet overtuigd worden door boekjesmannetjes.
Mocht hij zelf behoren tot het slag van die halfwetenschappelijken, dan kan hij per hoge uitzondering wel eens overtroefd worden, maar de winstpunt is dan nog dubieus, want hij is nog bij lange na niet tot geloof gekomen. Het is een akelig soort mensen, die een kleinigheid geleerd hebben, en die wanen dat ze daarmee de wijsheid in eeuwige erfpacht hebben. „De mens in zijn waan, het schrikkelijkste van het verschrikkelijke", zo zong ons Schiller. Nee, het gebrek aan persoonlijkheid, aan geloof en Geest laat zich niet aanvullen door een dotje geleerdheid. Laat men thuis zijn in.Gods Woord en in eigen hart.
Het trefwoord.
We zijn vaak verlegen om het juiste woord. In Col. 4 schrijft de Apostel ook, nadat hij de gemeente vermaand heeft met wijsheid te wandelen bij degenen, die buiten zijn : ,,Uw woord zij te allen tijd in aangenaamheid, met zout besprengd, opdat ge moogt weten, hoe gij een iegelijk moet antwoorden". Dat is heus niet gemakkelijk. We zoeken en bidden vaak om het juiste woord te mogen spreken. Eén woord kan inderdaad de duivel in een mensenhart vellen. De ongelovige is, welbeschouwd, al is hij de diepzinnigste hoogleraar in de wijsbegeerte, een zot.
Ik heb eens een hele herrie meegemaakt in verenigingsverband, omdat het ene lid het andere voor dwaas zette, met beroep op het Schriftwoord : Antwoord de zot naar zijn dwaasheid. Vermoedelijk was het de betrokkenen niet bekend, dat de Spreukendichter in het voorafgaande vers zegt: Antwoord de zot naar zijn dwaasheid niet. En waarom niet? Hoe bestaat het, dat de Schrift zo vers na vers zichzelf weerspreekt? De motivering zal veel van uw bedenkingen' wegnemen. Men moet de zot niet naar zijn dwaasheid antwoorden, wanneer men zich daarmee zo blameert, dat men zichzelf practisch tot zijn gelijke maakt. Het kon wel eens zijn, dat in het hierboven aangehaalde historische geval, het antwoord zó onwijs uitgevallen is, dat de repliekdienaar zijn doel voorbijschoot en zich zelf met evenveel recht had moeten bestrijden. Maar vat de beantwoording ook niet al te serieus op, want dan zal de zot gerust denken dat hij even wijs is als u. Het komt er op aan, dat u uzelf niet blameert en dat u de zot niet flatteert. Ik meen, dat we ook bij ons gesprek met de buitenkerkelijke ,,zotten" .— ik zeg dit in diepste deemoed •— ons moeten storen aan deze beide richtlijnen.
In de watten.
Die opmerking is zeken op zijn plaats, want ik geloof, dat we met de buitenkerkelijken wel een beetje afgoderij plegen. Wanneer we ons oor te luisteren leggen hier en daar krijgt men zeer sterk de indruk dat men buitenkerkelijk moet zijn, als men nog over een greintje zelfrespect beschikt. In het weekblad „In de Waagschaal" viert een buitenkerkelijk heer met leesbaar genot zijn buitenkerkelijkheid. „In de Waagschaal" moest zich niet lenen voor een dergelijk exhibitionisme. De buitenkerkelijken zijn heel wat interessanter mensen dan de gewone gemeenteleden. Ik geloof dat we moeten ophouden voortdurend de eersten tegen de laatsten uit te spelen. Hier speelt ook een rol het argument, dat men het uitheemse mooier vindt dan het eigene. De buitenkerkelijken zullen zich nog voelen, na al die speciale attenties. Dat ze zich niet gemakkelijk la ten incorporeren in het gemeenteverband, spreekt wel vanzelf, na al de zwartmakerij van de vromen.
Diensten voor buitenkerkelijken.
Men doet de buitenkerkelijken ook geen goede dienst door speciale diensten in de kerk. Per uitzondering is iets anders. Maar men maakt er een regel van. Allereerst blijkt dat er velen komen, die anders de gewone diensten bezochten. Maar men kweekt op deze manier een gemeente buiten de gemeente. Zulke diensten zijn geschikt om een nieuwe mentaliteit en een nieuwe modaliteit aan te zetten. Waanneer gaan de bezoekers over naar de gewone kerkdiensten? Catechisatie en gesprekkringen zijn aangewezen voor echte buitenkerkelijken. Daar is persoonlijk contact en daar is het ook mogelijk de bezwaren tegen de empirische gemeente en gewone kerkdiensten af te reageren. Het blijft zo echter een eindeloos flirten met het Evangehe in het portaal van de kerk.
De Samaritaanse vrouw.
In het gesprek van Christus aan de Jacobsbron vinden we een treffend voorbeeld van benadering van de buitenkerkelijke. Met grote wijsheid brengt Christus de Samaritaanse tot zelfkennis en tot kennis van haar Zaligmaker. Helemaal niet geijkt, maar zakelijk, zuiver en ernstig. Het zou ons te ver voeren om dit gesprek op de voet te volgen en te behandelen. Maar in dit hoofdstuk en in zovele andere, valt veel te leren. Heel onschuldig begint het gesprek, dat voert naar de diepte der zelfontdekking en dat ook leidt naar de top der verrukking, waar-, men Zijn Verlosser vindt. De gevolgen blijven niet uit. Deze vrouw op haar beurt, keert geestdriftig naar haar woonoord terug en beweegt velen tot de ontmoeting met Christus. In deze geest zie ik de verantwoorde bearbei ding van buitenkerkelijken. De gemeente moet door de prediking ook onderwezen en vermaand worden tot dit dringende werk, waarmee ze alleen haar bestaan rechtvaardigen kan. Wie zielen vangt is wijs.
Hunne werken.
We zijn begonnen met een aanhaling uit de Catechismus. Antwoord 86 kwam ter sprake. Het is goed dit antwoord in zijn geheel te bespreken. Goede werken moeten allereerst God verheerlijken. Dit doel wordt pro memorie genoeg genoemd. Maar beoefenen we inderdaad de verheerlijking Gods ? We moeten niet zeggen : Nu ja vanzelfsprekend wordt God geëerd door onze goede daden. Al onze gedachten, heel ons hart en gans onze ziel moet op de meest levende wijze daarin opgaan. Het leven der dankbaarheid is eredienst. Voorts worden we zelf verzekerd van ons geloof door goede werken. Die zekerheid hebben we zo broodnodig. Alleen dank zij die genadige verzekerdheid — heel iets anders dan de zelfverzekerdheid waaraan de buitenkerkelijke zich blauw ergert — kunnen we de wereld tegemoet treden als anderen dan zijzelf. Dan gaat er winnende kracht uit van werk en wandel. Dan is het woord aangenaam en met zout besprengd. Sommige uitleggers zeggen van de bekende tekst uit Openb. H : „Zalig zijn de doden, die in de Heere sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, op dat zij rusten mogen van hun arbeid ; en hunne werken volgen met hen" dat die werken zulke zijn, waardoor anderen gewonnen worden. De werken zijn vlees geworden in onze naasten, die door ons getrokken werden tot het geloof. Voorwaar een heerlijk visioen zo onze werken te zien achter ons aan. Maar als het goed is, zijn we het ons maar weinig bewust. Want de gezaligden vragen zo heerlijk onnozel: „Heere wanneer ? "
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 oktober 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 oktober 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's