Een domine vertelt
XXIX Verschillende overgangen.
Daar, in mijn derde Gemeente, heb ik goede jaren doorgebracht. Het werden er meer dan zes, want ik zat daar ,,vast".
In die tijd brak juist de wereldoorlog uit. De eerste namelijk. Helaas was ik met vacantie afwezig en daar de andere predikantsplaats vacant was, zat de Gemeente zonder.
Zodra mogelijk ben ik toen teruggekeerd, zij het ook met de grootste moeite. Een gedeelte van de reis moest per rijtuig worden afgelegd, omdat daar geen treinen meer liepen.
Er heerste vooral de eerste dagen een soort panische stemming. Zouden de Duitsers ons land binnenvallen of niet ?
Het stedeke lag vol militairen, vooral Rotterdammers en ieder vreesde, dat de oorlog ook over onze grenzen zou treden.
De Kerkeraad vroeg mij, om wekelijkse bidstonden te houden, hetgeen dan ook geschiedde. Het was er stampvol.
De eerste maal heb ik gepreekt over Samuel 30 : 6b : „En David sterkte zich in de Heere, zijn God".
Van alles zat onder het gehoor; ook de Joodse Rabbi. Tijdens de middenzang verliet hij de kerk. Na afloop van de Dienst stond hij mij buiten op te wachten en zeide; „Neemt u mij niet kwalijk, dat ik de kerk moest verlaten ; ambtsbezigheden riepen mij elders, maar ik was het volkomen met u eens !"
,,Volkomen ? " vroeg ik. „Ook in de volle consequentie van het Oude Testament, de Christus ? " Maar daar had hij niet van terug.
Zodra mogelijk hebben wij daar voor de militairen een Tehuis opgericht. Een Bestuur was spoedig gevormd uit leden van de plaatselijke Christelijke Kerken, namelijk Hervormd, Gereformeerd en Christelijk-gereformeerd.
(Vreemd toch : in uren van nood en gevaar, dan komen wij bij elkander en werken samen. Is het gevaar en de nood voorbij, dan keert een ieder tot het zijne weer).
De mensen hielpen ons prachtig aan de middelen en zo konden wij onze militairen een gezellig Christelijk Tehuis aanbieden.
Ieder was er welkom ; ook de Roomse en de Jood, wanneer zij zich aan de regelen van het huis onderwierpen.
De mannen konden brieven schrijven, lezen, schaken, met elkander praten ; alleen ze moesten de opening ook meemaken, bestaande in gebed ; lezen van een gedeel- . te uit Gods Woord en een korte bespreking daarvan. Een gereformeerde collega en ik deden dat elk om de andere avond.
Eerst had dat heel wat voeten in de aarde. Het was nog niet zo gemakkelijk, om de vrolijke soldaatjes stil te krijgen. Onder hen was een Jood ; een echt type, dat ons eerst nog al wat last bezorgde. Hij deed precies of hij bij moeder thuis was en had het grootste woord.
Of wij al stonden voor het gebed, hij met zijn kornuiten, babbelde en joelde gewoon door.
„Stilte mannen !" klonk het. Even was het stil en werden wij tijdens het gebed niet gestoord ; doch onder het lezen begon de drukte opnieuw.
Toen sloeg ik met de hamer op tafel en zeide: , , Dat moet daar achteraan nu eens uit wezen ! Het is hier een christelijke inrichting en wij eisen; dat er eerbied voor Gods Woord zij. Wij hebben u hier niet geroepen. Gij zijt vrijwillig hier gekomen en dat vinden wij best, maar op deze voorwaarde : Gij onderwerpt u aan de regelen van het huis en luistert een kwartier met eerbied. Vragen wij teveel ? "
Dat hielp voor goed. Het ging de militairen als schooljongens, die een nieuwe meester eerst graag eens willen proberen, hoever zij met hem gaan kunnen.
Alleen op Koninginheavond, op 31 Augustus, liep het even spaak.
Het was een feestavond voor de militairen. De plaatselijke commandant was ook aanwezig.
Aan mij was opgedragen de feestrede te houden en de verdere leiding van de avond.
In de loop van de bijeenkomst werden er enkele voordrachten gehouden.
Daar stond ineens de jolige zoon van Israël op en vroeg of hij ook eens wat mocht voordragen.
„Als het niet tegen de geest van ons Tehuis strijdt", gaf ik ten antwoord.
,,Ik zal er voor zorgen, dominee", sprak hij geruststellend en hij zette daarbij een verdacht onschuldig gezicht.
Hij kondigde aan, dat hij een vers zou zingen, getiteld : ,,Goliath !"
En meteen stak hij van wal:
War einst ein Riese Goliath Ein gar gefahrlich Mann"
De Bestuursleden keken elkander bedenkelijk aan, vragend : Waar moet dat heen ? Want Goliath was nu wel niet bepaald een heilig man en zijn naam te noemen, is geen heiligschennis, maar vermoedelijk bleef het bij Goliath niet alleen. Dat deed het ook inderdaad niet. Daar trekt een christelijk-gereformeerde ouderling mij aan de jas en fluistert: „dominee, het gaat niet langer. U moet dat niet verder toelaten."
Even kwam er een ondeugende gedachte bij mij boven, dat, als die ouderling naar zijn hart te werk was gegaan, hij de Jood nog wel een poosje had laten zingen. Trouwens ik had zijn wenk niet nodig. maar had zelf al besloten, er meteen een eind aan te maken.
Hevig protest van de Jood ! ,,Ik zong toch niets onvertogens", zo beklaagde hij zich. Maar dat was een zaak, die wij te beoordelen hadden.
Thans, na jaren, moet ik over deze dingen nog glimlachen. Wat kunnen wij toch dikwijls strijden voor het christelijk cachet. Tot iedere prijs moet dat bewaard blijven. Wij zijn dikwijls echter lang zo bezorgd niet voor waarachtig christelijke inhoud.
Men vliegt in het vuur voor christelijke tintjes en als dat tintje verbleekt, dan verbleken wij. Wij moeten steeds weer leren, het te wagen met het christelijk beginsel. De wereld moet weten, wat zij aan ons heeft.
Laten wij die wereld in onze christelijke Verenigingen half toe, dan zit zij binnen het half uur geheel op het kussen. Het gebed en de dankzegging neemt men dan wel op de koop toe.
Uit een en ander blijkt, dat de arbeid van de ambtsdrager hier een kostelijke voorbereiding vormde voor het werk in een grote stad.
Bijna de gehele mobilisatietijd ben ik in die Gemeente gebleven. Wij waren zeer aan elkander verbonden.
Maar eindelijk kwam toch de tijd van scheiding. Een zuster der Gemeente had wel „een woord" ontvangen, dat ds. voor het Beroep naar B. zou bedanken. Zij was bepaald bij het woord uit Jesaja : „Uwe leraren zullen niet meer als op vleugelen wegvliegen".
Ik heb die zuster er evenwel op gewezen, dat zij het mis had. Dat die tekst in het verband toch zeker niet sloeg op mij, of dat hij airede vervuld was, omdat ik toch ook het eerste het beste Beroep niet had aangenomen.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 oktober 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 oktober 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's