De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Herderlijk schrijven

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Herderlijk schrijven

9 minuten leestijd

Het Huwelijk

Het is geenszins onze bedoeling om de moeilijkheden, die zich voordoen te verkleinen of te negeren, maar het is lang niet 'hetzelfde, op welke wijze men de vraagstukken betreffende het huwelijk in onze tijd aangrijpt en tot een oplossing tracht te brengen.

De methode nu, welke het herderlijke schrijven der Synode volgt onderscheidt zich weinig of niet van de methode, die „men" tegenwoordig aantreft bij vele scribenten, die zich met deze en andere vraagstukken van deze tijd op het terrein der zedekunde bezig houden. In zoverre volgen de betrokken instanties, de Synode incluis, de mode van de tijd. Zij buigen met de stroom mede en bevorderen een massageest, hoewel zij die heten of mogelijk zoeken te bestrijden.

Men klaagt — voor zover men daarover klaagt •— over de saecularisering van het Christendom, en zo men daarover geen klacht verheft, constateert men het feit, of neemt het klakkeloos over op gezag van anderen, die geacht worden kennis van zaken te hebben. Intussen gaat men van zulk een gesaeculeerd Christendom uit en past zich daarbij aan.

Wat de geloofsbelijdenis aangaat en de Christelijke zedekunde, men acht deze verouderd, overleefd, afgedaan en derhalve onbruikbaar voor heden en toekomst.

Geen dogma's, geen wet, geen Tien Geboden als normen voor geloof en leven, want zo argumenteert men, men kan de waarheid niet vastleggen in formules en bepaaldheden. Dergelijke intellectualistische vrijpostigheden zijn uit de tijd, of moeten volgens zulke redeneringen uit de tijd. Men kan hoogstens spreken van zekere aanwijzingen, regulatieven, die richting kunnen geven aan onze beslissingen, maar geen generale geboden en geen besluiten voor het leven; Sommigen willen een zodanige waarde en betekenis nog wel gehecht zien aan de Heilige Schrift, d.w.z. aan Schriftwoorden, die daarvoor in hun oog in aanmerking kunnen komen, maar het ligt voor de hand, dat 'het zoeven gestelde standpunt omtrent de waarheidsvraag ook slechts betrekkelijke, wijl benaderende waarde aan de Bijbel toekennen kan.

Het gevolg is, dat het gezag van het Bijbelwoord zo ver draagt, als de waardering van het ogenblik daaraan wil toeschrijven.

Van een objectief voor allen en in alle tijden geldende autoriteit van Gods Woord voor ons geestelijk leven en voor de zedelijke verhoudingen in de menselijke omgang en in de saamleving kan op zulk een standpunt uit de aard der zaak geen sprake zijn.

Enige uitspraak van de profeten en de apostelen en van de Christus zelf, kan wel voor een tijd gelding hebben gehad en tot dogma zijn verheven, maar dat is dan slechts voor een tijd. Voor de problemen van onze tijd hebben zij geen betekenis, want de omstandigheden en de vragen waren in de tijd van de profeten en de Christus anders, zo redeneert men.

Het enige resultaat van dergelijke beschouwingen is dit, dat alle geestelijke en zedelijke vragen in nevelen der vaagheid opgaan, en het einde is een soort natuurlijke moraal, welke op willekeur en zedeloosheid moet uitlopen. Een dergelijk dogmatisme van de betrekkelijkheid van ons kennen aangaande een hogere geestelijke werkelijkheid, welker centrum God is, en van algemeen geldige zedelijke normen, is zwanger van de meest heilloze gevolgen voor de saamleving.

Er is nu eenmaal geen middenweg tussen Christelijk geloof en heidendom, tussen Christelijke ethiek en heidense moraal.

Daarom is een metlhode van aanpassing aan een gesaeculariseerd en verwaterd Christendom, zoals ons in het herderlijk schrijven over het huwelijk vanwege de Synode geboden wordt, niet verantwoord en niet in overeenstemming met de roeping der kerk.

Bovendien kan een voorlichting, die telkens blijk geeft van de strengen des Evangelies te laten vieren, geen resultaten verwachten van bekering en verbetering.

Men spreekt met voorliefde van nood en noden op allerlei terrein, zo ook van het huwelijk en gewaagt zo heel weinig van zonde. Die velerlei nood staat niet op zich zelf. Ook niet de nood van het huwelijk en deze heeft ook niet onmiddellijk te maken met geboorte en geboortebeperking, maar hangt samen met de geestelijke en zedelijke crisis van onze tijd, welke zich aftekent in de verschijnselen van ontbinding van een cultuur, die zich afkeert van de bron van vitale krachten, waaruit zij is opgekomen. En waar het cultuurleven is ontzonken aan de tucht van Gods Woord, moest dit zich wreken in de ontaarding van het huwelijksleven.

Het huwelijk laat zich niet inpassen in de vorm van een accoord van gemeenschap met wederkerig recht van wederopzegging, als ware het een aangelegenheid van puur menselijk beleid, en niet een zaak van goddelijk bestel zijnde een goddelijke ordening.

De Christelijke aera heeft dit verstaan en heeft de volkeren opgevoed tot erkenning en betrachting van de eerbaarheid van het huwelijk. Er is in het huwelijk iets, dat heilig mag worden genoemd, al zijn wij ook van oordeel, dat de Roomse leer het huwelijk ten onrechte onder de sacramenten heeft opgenomen. Wij denken inzonderheid aan de geboorte, waarin de mens deel heeft aan een scheppende daad Gods. Welk een zorg over de mens, die naar Zijn beeld werd geschapen, heeft God geopenbaard, zelfs en niet het minst over de gevallen mens, als Hij Zijn Zoon gegeven heeft. Als de engelen verheugd zijn over één zondaar, die zich bekeert, ja, als de Drieënige God woning maakt bij de mens, die Hij verkiest, kan men dan aannemen, dat die God het in de beschikking van een mens zou gesteld hebben de geboorte van mensen te controleren en te reguleren ?

Verder denken wij aan de symboliek van het huwelijk gelijk de Heilige Schrift leert. Zelfs zo, dat de huwelijksgemeenschap als een afschaduwing wordt getekend van de gemeenschap van Christus en Zijn gemeente.

Deze dingen heeft het heidendom nooit kunnen verstaan en, als er terecht van nood wordt gewaagd, kan deze slechts in het hart worden gegrepen, als wij de oorzaak zoeken, waar zij ook ligt, n.l. daarin, dat de vervreemding van het Evangelie de Christelijke waardering van het huwelijk inruilde voor een naturalistische opvatting, welke tegelijk God en de mens onteert.

Nog een ander bezwaar tegen de methode van het herderlijk schrijven is gelegen in het feit, dat dit eenzijdig aandacht schenkt aan zekere actuele vraagpunten, die de nood zouden uitmaken. Daarbij zijn ,,problemen" —• alles heet tegenwoordig ,,probleem" — die in een gezond huwelijks- en gezinsleven allerminst als zodanig aan de orde zijn ; b.v. de verhouding van man en vrouw.

Wij spreken van een gezond huwelijksleven, dat door wederkerige liefde en trouw wordt gedragen en dat ondanks industrialisatie en techniek ook nog een goed gezinsleven weet te onderhouden. Voorbeelden-daarvan zijn er gelukkig nog genoegzaam ook onder degenen, die het kerkelijk medeleven van ouders en grootouders, helaas, hebben opgegeven, laat staan onder degenen, die de Heere vrezen. Niemand mene, dat ook daar geen moeite en verdriet zou worden gevonden of, dat ook daar geen zwarigheden voorkomen, die bij anderen tot breuk en ellende aanleiding werden. Blijkbaar ontbreken bij deze anderen echter zedelijke en geestelijke krachten, die bij de. eersten aanwezig zijn.

Naar ons oordeel moest meer nadruk gelegd zijn op, wat wij noemen, het gezonde huwelijk en op de zedelijke en geestelijke factoren, die daaraan bevorderlijk zijn. Zoals de belijdenis uitgaat van het hoge niveau van het geloof der gemeente, zou de huwelijksvoorlichting het Christelijk huwelijk als uitgangspunt behoren te stellen naar de eis van Gods Woord en de norm van Gods geboden, waaraan zij alleen geestelijk en zedelijk gezag kan ontlenen.

Wij betreuren het zeer, dat van zulk gezag weinig sprake is, tenzij dan in de vage uitdrukkingen als Bijbels verantwoord of dergelijke. Men verwondert zich daarover niet, als in aanmerking wordt genomen, dat leden der Synode — en niet de geringste — en ook haar functionarissen bij monde en bij geschrifte gewagen van distantie tussen de Heilige Schrift en Gods Woord.

Voorwaar, geen onschuldige uitdrukking. Immers welbeschouwd wordt daardoor scheiding gemaakt tussen de Schrift en Gods Woord. Er is afstand tussen de Schrift en Gods Woord. De Schrift is, dus niet Gods Woord. Gods Woord is wat anders dan de Bijbel. Deze is slechts een oorkonde, meer of min juist, van wat men onder Gods Woord wil verstaan, en dit alzo in strijd met het geloof der kerk van Christus, die de Heiligg, Schrift ontvangt als Gods Woord.

Het Woord Gods is volgens deze opvatting dus als zodanig onbekend en de God des W^oords een onbekende God. Zulk een beschouwing past geheel in de opvatting omtrent de Waarheid als een evenzeer onbekende, welke slechts te benaderen is, en in geen geval in dogma of leer adaequate en bindende expressie kan verkrijgen.

Dergelijke beschouwingen slaan uit de aard der zaak terug op de waardering van het geschreven Woord, en van de geboden der Wet. Aan Gods Woord kan wel gezag worden toegekend, maar, wanneer spreekt God Zijn Woord, wanneer en in hoeverre hebben wij met Gods W^oord van doen ? En zo het al geschieden mag, dat God ons aanspreekt, wat gezag heeft dat Woord voor ons gedrag van morgen en overmorgen ?

Deze en dergelijke opvattingen gaan in de grond der zaak uit van veronderstellingen, die niet uit het Christelijk geloof zijn voortgesproten, want dat kent een God van verre, maar ook van nabij, een God, die Zijn Woord bevestigt in het leven.

Zulk een waardering van de Heilige Schrift wordt ons ook door Christus niet geleerd. Als Hij zegt, dat de mens bij brood alleen niet zal leven, maar bij alle woord, dat de mond Gods uitgaat, doelt Hij op het profetische woord, want Hij beroept zich daarop : „Er staat geschreven".

Uit een en ander blijkt, dat de distantie tussen de Heilige Schrift en Gods Woord gesteld kwalijk anders kan worden gewaardeerd dan als distantie van ongeloof. Zij, die discipelen van de Heere Christus willen zijn, kunnen deze leermeesters niet volgen. Omgekeerd kunnen de aanhangers van zulk een Schriftbeschouwing het goddelijk gezag der Heilige Schrift niet erkennen dan onder de restricties, welke zij zelf bepalen.

De vrees is gewettigd, dat de Synode, die de binding aan de belijdenis van de hand wees, mede door de Schriftbeschouwing, die in haar midden wordt aangehangen, verhinderd wordt een voorlichting te geven, waarin het profetische ,,tot de Wet en de Getuigenis" krachtig en op de wijze der reformatoren weerklinkt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 oktober 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Herderlijk schrijven

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 oktober 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's