De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET ONTWERP VOOR EEN GENERALE REGELING PREDIKANTSTRACTEMENTEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET ONTWERP VOOR EEN GENERALE REGELING PREDIKANTSTRACTEMENTEN

20 minuten leestijd

Van ds. Van der Graaf ontvingen wij dit stuk, dat wij in zijn geheel opnemen en waaraan ds. mr. Luteyn enkele opmerkingen (toevoegt. Red.

Het zij mij vergund enkele opmerkingen te maken omtrent de uiteenzetting, aangaande bovengenoemd onderwerp, verschenen in het nummer van 11 September van de Waarheidsvriend. Mijn eerste opmerking geldt reeds de eerste zin van bedoelde uiteenzetting. Dat de Generale Synode in zijn zitting van September zich bezig zal houden met bovengenoemde regeling is niet juist. De termijn voor het inzenden van de consideraties door de Brede Ministeria is uitgesteld tot December van dit jaar. En voordat deze consideraties, met de andere, die gevraagd zijn, binnen zijn, zal de Synode zich dus wel niet bezig houden met dit onderwerp.

Dat in dit onderwerp, zoals betoogd wordt, de finantiële positie der predikanten voor het gehele leven geregeld wordt, zal wel niet het geval zijn, daar de toestanden in het kerkelijk leven nu eenmaal niet constant zijn en herziening stellig telkens nodig zal blijken: te zijn.

Wat betreft de onderhoudsplicht van de predikant met zijn gezin door de gemeente, de beweringen hieromtrent zullen bij niemand tegenspraak uitlokken. Toch zou ik hieromtrent nog willen opmerken, dat aanvaarding van de roeping tot Dienaar des Goddelijken Woords wel degelijk inhoudt.een zeker levensoffer van de predikant zelf, van zijn ega en zelfs van zijn kinderen. Voor het aanvaarden van deze roeping dient men zich bewust te zijn, dat men een offer brengt voor het Koninkrijk Gods. De offerbereidheid mag door de gemeente niet worden uitgebuit. Doet zij dat, dan zal ze hiervan rekenschap aan de Kenner der harten hebben af te leggen. Waanneer men dit vergeet, beziet men de Dienaar des Woords teveel als een kerkelijk ambtenaar, wiens rechtspositie en bezoldiging op één lijn gesteld wordt met ieder ander academisch gevormde intellectueel. En naar ik meen, doet het Ontwerp met de toelichting zulks teveel. Deze gedachte wordt geheel uit het oog verloren.

Wat geschreven is over het feit, dat de grondvergaderingen der Kerk in dezen niet gehoord worden, verdient wel aller bijzondere aandacht. We zien hier inderdaad de dominerende invloed van de Raden en het centraliserende streven dat in de Kerkorde ligt opgesloten. Hiertegen heeft de Gereformeerde Bond zeer terecht bij de behandeling van de Kerkorde gewaarschuwd. Dit is ongetwijfeld een van de grootste bezwaren, die men in onze kring tegen de nieuwe K. O. heeft.

Inderdaad moest in een goed geordende, geestelijk levende kerk het voldoende zijn, wanneer vanwege de Classis toezicht gehouden werd op de nakoming der plicht der gemeente om voor de Dienaar des Woords te zorgen. Maar dan niet met onthouding van approbatie maar van autorisatie, daar men door de onthouding van de approbatie een zeer moeilijke situati.e voor de beroepene zou scheppen.

Ongetwijfeld wordt de band tussen predikant en gemeente door de ambtenaarsregeling, zoals die in het Ontwerp eigenlijk wordt voorgestaan, losser gemaakt.

Meer opmerkingen en ook aanmerkingen heb ik tegen hetgeen geschreven is over: Bezwaren tegen het Ontwerp zelf.

Wanneer betoogd wordt dat eigenlijk premievrij pensioen door de Kerk aan de Dienaar des Woords gegeven zou moeten worden, is dat niet voor tegenspraak vatbaar. Immers, wanneer men als zijn levensroeping (roeping voor het gehele leven) ziet de Dienst der Woords, dan heeft de kerk ook voor het gehele leven te zorgen. Vooral tegenover de emeritipredikanten is de kerk schromelijk tekort geschoten. Vandaar dat vroeger veel predikanten in dienst bleven zolang dat maar even kon. Tegenwoordig is dat door het verplichte emeritaat op 65-jarige leeftijd veranderd, maar daarmede is de kwestie van de pensioenering der emeriti nog meer acuut geworden.

Nu gaat het echter om de grootte van de premies, die nodig zijn om de emeriti van nu en van straks een behoorlijk zij het nog sober bestaan te geven.

Het pensioen na 35 dienstjaren bedraagt nu ƒ 3000.- n.l. ƒ 1500.— uit het Pensioenfonds en ƒ 1500.— Rijksemeritaatspensioen, aangevuld door de Kas tot Aanvulling van het Rijksemeritaatspensioen.

De weduwen hebben nu recht op ƒ 2000 d.w.z. ƒ 1500.— uit beurzen aangevuld door de Algemene Weduwen- en Wezenbeurs en ƒ 500.— uit het Pensioenfonds.

Straks worden deze bedragen gebracht op ƒ 3960.— en ƒ 2520.—, terwijl ook ten laste van de Pensioenen komt een wezenpensioen en de kindergelden.

De pensioenen van de emeriti van thans bedragen gemiddeld ƒ 2400.—. Dit wordt gebracht op ƒ 2988.—.

De weduwen van thans ontvangen voor zover ze niet trekkend geworden zijn vóór 1937 (inwerkingtreding van de Suppletiebeurs, die inmiddels weer is overgegaan in de Alg. Wed.- en Wezenbeurs) ƒ 1500 tot ƒ 2000.—, Deze weduwen zullen nu bij de nieuwe regeling ontvangen ƒ 2016. Het zal ieder duidelijk zijn, dat hiermede een belangrijke stap wordt gedaan op de weg om de emeriti en weduwen van thans te helpen. Maar hiermede is een zeer groot bedrag jaarlijks gemoeid. Niet minder dan ƒ 425000.— is hiervoor jaarlijks nodig. Dus bijna een half millioen ! Waar moet dat vandaan komen ?

Deze last eenvoudig de kerkvoogdijen opleggen, is een onmogelijkheid. De Commissie, die het Ontwerp samenstelde, heeft er deze weg op gevonden, dat de predikanten en de kerkvoogdijen een ongeveer gelijk bedrag jaarlijks zullen moeten storten. Een bedrag dat naar gelang men staat in een gemeente behorend tot een bepaalde grbep oploopt van ƒ 54Ó.— tot ƒ 720.—. Stellig een hoge premie. Maar hoe zal men anders aan dat bedrag van bijna een half millioen komen ?

Uit dit geld, waarvan dus door de thans dienstdoende predikanten de helft ongeveer wordt bijeengebracht, worden betaald de aanvullingen van de pensioenen der emeriti en weduwen van thans èn de rest wordt gereserveerd voor de financiering van de pensioenen der thans dienstdoende predikanten en van de verdere verplichtingen o.a. de betaling aan de weduwenbeurzen.

Hier wordt dus een deel van de gelden, nodig voor de verzorging van onze emeriti en van onze weduwen gelegd op de schouders van de thans dienstdoende predikanten. De schuld der kerk wordt hier dus mede gedragen door deze predikanten. Men beschouwt dit als een philantropische roeping. Afgezien van de vraag of men tot philantropie gedwongen kan worden (dan is het geen philantropie meer) kan hiertegen met recht bezwaar worden ingebracht. Het gaat hier om een bedrag van ongeveer ƒ 125000.— nodig voor bedoelde aanvulling.

Nu komt echter de vraag op, wie dit bedrag bijeen brengt. De predikanten in Groep V betalen jaarlijks ƒ 540.—. Maar dat bedrag is geheel nodig voor de premie voor het eigen pensioen. Ook thans betalen alle predikanten, vooral wanneer men pas begint ƒ 500.— a ƒ 600.-— pensioenpremie. Van deze betaling schiet dus niets over voor de hulp aan de emeriti en weduwen. Wel schiet er een bedrag over van de betalingen van de predikanten in een hogere groep van gemeenten dienstdoende. Dus de grotestadspredikanten betalen hieraan het meeste. Dat bij hen dus vooral protest tegen deze regeling zal ontstaan, is te verwachten.

Het geld nodig voor de hulp van emeriti en hun weduwen, ten bedrage van circa ƒ 125.000.—, komt dus van de bedragen der kerkvoogdijen en voor een klein deel van de predikanten in de grotere gemeenten.

Geheel onjuist is de voorstelling van zaken die gegeven wordt in de Waarheidsvriend van 11 September inzake de bedragen der pensioenpremies. Deze raakt helaas kant nog wal.

Er staat: ,,in Klasse V bedragen ze voor gemeenten en predikant jaarlijks ieder ƒ540.— dus gezamenlijk ƒ 1080.—. In Klasse I voor gemeente en predikant jaarlijks ieder ƒ 720.—, dus gezamenlijk ƒ 1440.—. Het pensioen zal met een diensttijd van 36 jaar op 65-jarige leeftijd bedragen ƒ 3960.—. Doch in dat pensioen is dan begrepen een kleine ƒ 1000.— rijkspensioen, waarvoor geen premie verschuldigd is. De ker'k heeft dus slechts te zorgen voor een pensioen van omstreeks ƒ 3000.-."

En nu komen de enormiteiten : „Daarvoor moeten dan in klasse V per jaar ƒ 1080.— aan premie worden betaald of 36%. Voor klassfe I wordt dit 48%."

Ten overvloede gaat de scribent dan door: ,,Een Verzekeringsmaatschappij vraagt voor een soortgelijke pensioenverzekering ongeveer 22% van het te ontvangen pensioen. Voor Rijks- en Gemeenteambtenaren is de pensioenbijdrage door ambtenaar en publieke lichamen gezamenlijk te storten 16.1 %. Oordeel zelf of deze premies hoog zijn".

De schrijver van het opstel beweert dus dat in de kerk voor een pensioen van ƒ 3000.— na 36 dienstjaren op 65-jarige leeftijd in Klasse V (klassen bestaan er niet meer, het zijn groepen) 36 % en in Klasse I 48 % wordt betaald. Maar vergeten wordt, dat er ƒ 125000.— voor de emeriti en weduwen alleen reeds bijeengebracht moeten worden. En dan gaat het niet alleen om een premie voor de ƒ 3000 emeritaatspensioen. Maar evenzeer om ƒ 2500.— weduwenpensioen en om invaliditeitspensioen en om wezenpensioen en om de kindergelden der emeriti. De ƒ 3000 is dus slechts een onderdeel van de verplichtingen, die gedekt moeten worden !!!

De premies die gevraagd worden zijn juist in vergelijking tot hetgeen betaald moet worden laag. Ik mag mij hierbij beroepen op een autoriteit op het gebied van het verzekeringswezen prof. dr. van Haaften, oud-Directeur van de Hollandse Sociëteit voor Levensverzekeringen, oud- Hoogleraar aan de vrije Universiteit en Hoofdredacteur van de Verzekeringsbode, adviseur van de Pensioenraad. Deze verklaarde, dat de premies, die de predikanten thans aan het Penisioenfonds betalen ƒ 99.•— per jaar minder zijn, dan aan een soliede Levensverzekerings Maatschappij voor een dergelijke verzekering zouden moeten worden betaald. Hoe dat kan ? Niet omdat de Pensioenraad der Ned. Herv. Kerk roekeloze toezeggingen doet inza'ke het pensioen. Dat kan eenvoudig niet, doordat voor de Pensioenfondsen het kapitaaldekkingsstelsel is voorgeschreven. Ook niet door speculatieve beleggingen der gelden maar o.a. door minder administratiekosten en vooral ook doordat het Pensioenfonds geen winst behoeft te maken voor uitkering van dividenden en tantiemes.

Oordeel zelf of de premies hoog zijn !!

Hoe de scribent er toe komt om te beweren, dat de pensioenen voortaan door de Kerkvoogdij zullen worden uitgekeerd, is mij totaal een raadsel. Dit is in strijd met art. 22 en volgende van het Ontwerp voor een Generale Regeling voor de pensioenen. Ook thans gebeurt dit voorzover mij bekend nooit, tenzij het misschien een of ander plaatselijk fonds betreft.

Ook over hetgeen gezegd wordt over de ligger heb ik enkele opmerkingen.

Dat een kerkvoogdelijke instantie zoals de Prov. Kerkvoogdijkamer over een ligger moet oordelen, is op zichzelf niet verwerpelijk. Men mag aannemen dat deze instanties meer ter zake kundig zijn dan b.v. het Moderamen van een Cl. vergadering. Wel ben ik het met de schrijver van het opstel eens, dat aan deze Commissie een veel te grote macht gegeven is. Hier stuiten we weer op het bezwaar van de Raden en Commissies in onze kerk, die geen dienende maar wel degelijk een zeer belangrijke regerende macht hebben, al treedt dit in de reglementering der artikelen niet altijd zo duidelijk aan de dag.

Doordat ik geen jurist ben, zoals schrijver van het opstel zeer waarschijnlijk wel is, weegt bij mij het bezwaar niet zo zwaar, dat de predikant het beheer van de pastoralia aan de kerkvoogdij afstaat. Praktisch zal dat toch wel bijna zonder uitzondering het geval zijn. Het beheer van pastoralia kan ik niet zien als een roeping van een Dienaar des Woords. Mogen civielrechtelijk tegen bedoelde overdracht ernstige bezwaren ingebracht kunnen worden, kerkrechtelijk acht ik het een voordeel, als de predikant zich met het beheer van pastoralia niet meer te bemoeien heeft. En nu tenslotte over de standplaatstoelage of personele toelage. De scribent, die zo heel sterk staat op het recht van de predikant, schijnt nu ineens voorstander te zijn van een persoonlijke toelage, die niet op de ligger vermeld staat. En hiermede doet hij dus afstand van een officieel recht dat de kerk hem geeft op de personele toelage.

Met de scribent ben ik van oordeel, dat er wel meer duidelijkheid mag komen in de kwestie van de personele toelage. Deze wordt wel genoemd in art. 19, al. 1, als op de ligger vastgesteld, terwijl op de ligger geen plaats is voor een personele toelage en alleen genoemd staat een standplaatstoelage, tenminste als in IV B eerstgenoemde niet kan worden ondergebracht.

Dat deze kwestie verband zou houden met het bepaalde in art. 20 al. 6, betwist ik echter.

De scribent beweert, dat aan een predikant, wanneer hij uit de bronnen, aangegeven in art. 19 al. 7 meer dan ƒ 500.— boven de minimum aanvangswedde geniet, dit meerdere hem gekort wordt op zijn uitkering uit de Centrale Kas. Als nu inderdaad alle bronnen van inkomsten voor een predikant vanwege de kerkvoogdij op de ligger moeten voorkomen, —' en dat schijnt toch de bedoeling te zijn — dan komt dat meerdere dan ƒ 500.—, dat een gemeente aan haar predikant uitkeert, ten goede aan de Centrale Kas".

Deze bewering is er totaal naast. Art. 19 al. 7 spreekt van het Rijkstractement, de netto opbrengst van de pastoralia en sub c en daarop heeft de scribent het oog: „de opbrengst van andere kradhtens de hgger aan de predikant(splaats) toekomende inkomsten". Deze inkomsten, op de ligger genoemd sub. II en III, moeten wel heel duidelijk onderscheiden worden van de toelage, genoemd in IV. Inkomsten aan de predikantsplaats verbonden, zijn dus Rijkstractement, pastoralia en b.v. uit vicariegoederen of inkomsten uit een legaat, enz.

Wanneer deze inkomsten gezamenlijk meer dan ƒ 500.— uitgaan boven het minimum aanvangstractement, wordt dat meerdere gekort op de uitkering van de Centrale Kas. Inplaats dat hier een beknotting is van de rechten der gemeente, is dit juist een facihteit, die gegeven zal worden boven de thans vigerende regeling. Zie hiervoor art. 30 al. 4 van het Reglement op de Predikantstractementen thans luidende Generale Regeling van de Predikantstractementen.

Tegenwoordig wordt het gehele meerdere bedrag verrekend. In het Ontwerp mag de predikant dus ƒ 500.— zelf houden en wordt dit bedrag hem juist niet gekort.

De door scribent gewraakte bepaling heeft niets te maken met de Toelagen, die een kerkvoogdij boven het minimum aanvangstractement wil geven.

Dat deze toelagen op de Ligger vermeld worden, is niet bezwaarlijk. Men houdt deze toelagen menigmaal geheim omdat men vreest voor een Ihogere aanslag van de Raad voor de Predikantstractementen, doch de bepaling van de aanslag houdt geen verband met deze kwestie, daar deze volgens geheel andere maatstaven wordt berekend.

ledere Kerkvoogdij is en blijft wel degelijk vrij om als tractement te geven wat ze wenst en billijk acht.

Ook wat geschreven is over: een onbehoorlijk dwangmiddel is niet geheel juist. Het dwangmiddel, waarover geschreven wordt, is geen novum in het Ontwerp. Het is ook thans vigerend volgens art. 30 al. 11 Generale Regeling Predikantstractementen.

De interpretatie van art. 20 al. 8 is echter m.i. onjuist. De scribent spreekt van minfmam-aanvangswedde en gaat daarvan uit. Maar dat staat niet in bedoeld artikel. Daar staat: de voor zijn standplaats geldende aanvangswedde. Dus de wedde, die op de ligger staat. En dat is billijk ook. Er zijn wel eens gemeenten die niet aan de Centrale Kas betalen en dan aan hun predikant geven, wat ihem krachtens verhogingen en kindergelden toekomt opdat hij niet de dupe zou worden van de weigering der kerkvoogdij om de aanslag te voldoen. Zulk een predikant zou nu dubbel ontvangen, wanneer de kerkvoogdij de achterstallige bedragen zou gaan betalen. In deze bepahng ligt natuurlijk wel de zijdelingse drang om de personele toelage op de ligger te plaatsen, daar men anders hiermede gemakkelijk moeilijkheden kan krijgen. De verschillende bepalingen van dit Ontwerp zijn soms zo zuiver op elkaar afgestemd, dat men bewondering moet hebben voor - het vernuft en de scherpzinnigheid waarmede het is samengesteld.

Nu ik toch schrijf over de finantiën der kerk wil ik nog even wijzen op de uitgaven van de kas voor de administratiekosten der kerk. De uitgaven worden voor 1952 begroot op niet minder dan ƒ 448.000.—. Behalve een toelage uit 's Rijks kas en nog enkele andere inkomsten moet toch uit de gemeenten hiervoor komen een bedrag van ongeveer ƒ 440.000.—'. Of dit bedrag nu in de vorm van quota, bijdragen, collecten of hoe dan ook, bij elkaar gebradht wordt, doet er minder toe. Het moet op de een of andere wijze toch door de gemeenten worden opgebracht. Wanneer er bezuinigd zou moeten worden, zou het hierop gezocht moeten worden. Het draagvlak der gemeenten moet niet te zwaar worden belast door de uitgaven der hogere organen der kerk. Maar wel hebben de gemeenteri in de eerste plaats de dure plicht om te zorgen voor de emeriti predikanten en ihun nagelaten betrekkingen.

C J. van der Graaf.

Het is verheugend, dat er aandacht geschonken is aan het lange stuk over een dorre stof. Het doet me genoegen, dat er op verschillende punten instemming is met de bezwaren, die er geopperd zijn tegen de aangeboden generale regeling. Naast • instemming zijn er evenwel ook ernstige bedenkingen, inzonderheid over de opmerkingen over de hoge premies. Hierover zouden enormiteiten beweerd zijn.

In mijn opmerkingen over het bedrag der premies, die betaald moeten worden is er op gewezen, dat deze noodwendig hoog moesten zijn, aangezien de pensioenen voor de emeriti, die geen of weinig pensioenpremies betaald hebben, verweven is in de pensioenregeling der predikanten, die de vereiste premie betalen. Deze emeriti zijn dus niet over het hoofd gezien. Dat is evenmin het geval met de weduwen- en wezenpensioenen en het invaliditeitspensioen. Er is toch een vergelijking getrokken tussen de pensioenen van de rijks- en gemeenteambtenaren, waarin deze pensi­oenen ook zijn opgenomen, en de pensioenen van de generale regeling. Ik wees toch op een soortgelijk pensioen. Misschien heeft men dit over het hoofd gezien. En dan blijven de feiten, dat bij rijk en gemeente 16.1 % aan premies wordt betaald en in de generale regeling 36 % tot 48%. Bij pubheke hchamen en trouwens bij vele maatschappelijke instellingen worden de premies door werkgever en werknemer gezamenlijk gedragen. Ook de kerk volgt deze weg in deze generale regeling, die toch permanent bedoeld is. De fout in deze regeling is m.i., dat de pensioenen der predikanten, die geen of weinig pensioenpremie hebben betaald is ingeweven in de pensioenregeling voor premiebetalende predikanten. En nü is het een feit, dat predikanten uit klasse V bij een verzekerings-mij. duurder zouden uit zijn, doch een predikant uit klasse I weer goedkoper. En dan betalen, de kerkvoogdijen nog een even hoge premie. Ds. Van der Graaf beroept zich voor zijn beweringen op prof. Van Haaf ten, die een autoriteit is op verzekeringsgebied. Ik kan niet anders dan dankbaar zijn voor dit beroep met zijn gegevens. Ze steunen slechts mijn bewering, dat de gevraagde premies enorm hoog zijn. De beweringen over hoge premies zijn geen enormiteiten, maar de premies zijn enorme feiten. Ik meen ook af te mogen wijzen de qualificaties van mijn beweringen als zouden ze kant noch wal raken, integendeel, de spijker is op de kop geslagen.

De oorzaak van de hoge premies ligt in de combinatie van de twee groepen predikanten. De last der pensioenen van de oudere predikanten drukt op de dienstdoende predikanten en kerkvoogdijen. De predikanten, die geen of weinig premie hebben betaald zijn een verdwijnende groep. De ontworpen regeling is tooh zeker bedoeld als permanent. Na verloop van tijd zouden de voorgestelde premies verlaagd kunnen worden. Waarom heeft men geen afzonderlijke regeling voor beide groepen ontworpen ? Het wil me voorkomen, dat er dan minder bezwaren zouden ingebracht worden.

Mijn criticus wil ook tegenstrijdigheid zien in mijn verzet tegen gedwongen afstand van het beheer der pastoralia en het opkomen voor de mogelijkheid van een persoonlijke toelage. Voor mij liggen deze strevingen in één lijn. Ze zijn een uitvloeisel voor Ihet opkomen voor de rechten en vrijheden van gemeente en predikant. De kerkorde met alle daaruit voortvloeiende regelingen heeft een sterk centraliserende en nivellerende tendenz. Ook de onderhavige regeling vertoont dit karakter. Dit is niet slechts een civielrechtelijke kwestie, doch raakt ook terdege de zelfstandigheid van de gemeente en haar kerkelijk en geestelijk leven.

Ten slotte de netelige kwestie van de standplaatstoelage en personele toelage. Mijn criticus erkent met mij, dat in deze materie meer duidelijkheid behoort te komen.

In aansluiting hieraan roerde ik ook aan art. 20.6, dat de bepaling bevat van een korting van ƒ 500.— op de uitkering uit de centrale kas, indien uit bronnen genoemd in art. 19.7 er meer dan ƒ 500.—• boven de minimum-aanvangswedde genoten wordt. Deze bepaling iheeft onder predikanten veel onrust verwekt. Ik hoop, dat zijn uitlegging gevolgd en welwillend toegepast wordt. Doch voor mij blijft de vraag, wat zijn andere krachtens de ligger aan de predikants( plaats) toekomende inkomsten. Zijn dit de fondsen uit de ligger onder III of ook nog iets meer ? Waarom neemt men in art. 19.7.C een afzonderlijke bron van inkomsten, die de ligger onder III niet kent. In de ligger worden onder III de pastoralia en fondsen in één adem genoemd. Waarom worden ze dan in art. 19 uiteengéhaald ? Laat men in art. 19 dan alleen verwijzen naar de ligger onder III en dan is alle onrust weggenomen. Dan kan art. 19.7.c weggelaten worden. Dan is er eenvormigheid en dient men de duidelijkheid.

Los van het bovenstaande blijft mijn bezwaar bestaan tegen deze korting van ƒ 500.—• op de uitkering uit de centrale kas. Bij de thans vigerende regeling worden alle inkomsten uit goederen in de dode hand, die een minimum-aanvangswedde te boven gaat, gekort op de uitkering uit de centrale kas. Deze bepaling is nu verzacht en er wordt slechts gekort, wanneer deze inkomsten een bedrag van ƒ 500.— te boven gaan. Mijn criticus ziet hierin een faciliteit. Hij gaat dus uit van het redht, of althans de redelijkheid van zulk een korting. Ik ben een andere mening toegedaan en aoht, dat niet gegrepen moet worden naar deze inkomsten, die hier en daar in een gemeente zijn, wanneer de gemeente aan al haar verplichtingen tegenover de centrale kas heeft voldaan. Maar zoals reeds meer is opgemerkt: Men wil nivelleren en overhevelen. Zijn er in enige gemeente zulke goederen, laat de gemeente dan aangeslagen worden, in aanmerking nemende een bijzonder gunstige positie.

Maar korting komt me onredelijk voor.

Bezwaar wordt ook geopperd tegen de term onbehoorlijk dwangmiddel. Dat ziet op het geval, dat een predikant geen uitkering uit de centrale kas ontvangt, wanneer zijn kerkvoogdij de aanslag aan de centrale kas niet heeft betaald. Dat woord kan ik echter niet terug nemen. Het is bedoeld als dwangmiddel en ik acht het onbehoorlijk. Andere wegen kunnen tot hetzelfde doel leiden.

Evenmin kan ik toegeven de billijkheid van art. 20, 8., waar bepaald wordt, dat een predikant op de uitkering uit de centrale kas ingehouden wordt, hetgeen hij uit de gemeente heeft ontvangen, terwijl zijn uitkering uit de centrale kas werd stop gezet. Deze steun aan een predikant kan ook van anderen komen dan van de kerkvoogdij. Het kan tijdelijke hulp zijn. En mijn criticus onderstelt, dat de kerkvoogdij later toch betaalt aan de centrale kas. Maar als de kerkvoogdij nu eens niet betaalt of niet bij machte is om te betalen? Of een accoord weet te treffen, als de predikant overleden is? Dan hebben de erfgenamen misschien een vordering op de centrale kas, maar de patiënt is overleden. De werkelijkheid in het leven kan hard zijn en men moet ook de ongunstige gevallen zich indenken. En al zou een predikant eens meer ontvangen dan waarop hij recht zou hebben, de centrale kas lijat geen schade, wanneer de kerkvoogdij haar aanslag betaalt. Met hetgeen een predikant misschien eens zou kunnen ontvangen boven zijn uitkeringen, heeft de centrale kas zich niet te bemoeien. Dit zijn interne aan­gelegenheden.

A. Luteijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 oktober 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

HET ONTWERP VOOR EEN GENERALE REGELING PREDIKANTSTRACTEMENTEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 oktober 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's