De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een domine vertelt

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een domine vertelt

5 minuten leestijd

over­ XXIX Verschillende gangen.

Ik meende, dat mijn weg nu leidde naar het voorname dorp aan de oude Rijn.

Twee en een half jaar ben ik er geweest, en de tijd is mij daar omgevlogen. Enigszins keerde ik hier tot het landelijk leven terug. Er stond een pastorie met grote tuin. Eén kamer van het huis was 81/2 meter lang, met een schoorsteenmantel van het prachtigste marmer.

Het huis was koud ; ijzig koud in de winter, 's Morgens zat het ijs op de lakens, want het vocht van de ademhaling was bevroren.

Des zomers was het er heerlijk koel.

(O, die ouderwetse pastorieën, die er eigenlijk alleen nog stonden voor een soort kerkelijke statie en waarin de moderne geriefelijkheden totaal ontbraken. De meeste zijn nu al lang gemoderniseerd).

In deze nieuwe Gemeente wachtte mij ook een zeer drukke werkkring.

Des Zondags tweemaal preken behoudens een enkele uitzondering. Goed gevulde kerken met een aandachtig gehoor.

In de vorige Gemeenten waren het de kleine luiden en de middenstand, die kerkten, met een enkele gegoede daaronder. Hier zaten ook de aanzienlijken, de rijken en ontwikkelden.

Naar zulk een gehoor had ik eigenlijk wel eens verlangd. Niet, omdat de arbeidsstand mij te min was ; de geestelijke adel uit God is immers de schoonste, maar omdat ik meende, dat, wanneer de vooraanstaanden voorgingen, en kerkelijk meeleefden, dit van zo zegenrijke invloed op de omgeving kon zijn.

Dat was nu in B. werkelijk min of meer het geval. Men kon daar rekenen op een belangstellend, meelevend gehoor.

Men behoefde waarlijk niet te proberen. de gemeenteleden wat voze knollen voor citroenen te verkopen, gesteld, dat iemand daar ooit eens over denken zou.

Er waren er zelfs, die voor theologen niet behoefden onder te doen en die het menige dominee zouden kunnen verbeteren. In hun boekenkasten prijkten echte, theologische standaardwerken, die ook gelezen en bestudeerd werden.

Het was bij hen niet als bij sommige rijkaards, die in die dagen (en later) met hun geld geen raad wisten en zich daarom ook boekenkasten hebben aangeschaft vol met ,,mooie bandjes".

Hier was belangstelling voor de geestelijke dingen en de dogmatische leerstukken.

Wat is dat veel waard voor de pastor loei, wanneer hij mensen rondom zich heeft, ook in de Kcrkeraad, van wie hij wat leren kan.

Geen ja knikkende broeders, die alles goed vinden, wat dominee zegt en doet, maar die een eigen mening hebben en dat, in alle vriendelijkheid, ook niet onder stoelen of banken steken.

Het is voor de heren predikanten niet goed, wanneer zij nooit eens tegengesproken worden. Het zou slechts hun ijdelheid vleien.

Op bovengenoemde wijze wordt hun eigen ambtelijk leven opgebouwd en ontvangen zij een prikkel, om zich nog intenser toe te leggen op preek- en andere arbeid. Ik noem hier geen namen van personen.

Dat behoort in dit geschrijf niet thuis.

Toch leven zij nog voort in mijn hart degenen, die nu reeds juichen voor de Troon en die hier op aarde een lichtend spoor achterlieten in hun omgeving.

Ach ! de uitwendige Kerk heeft altijd onder haar leden er veel gehad, die ; , de christen" uithingen, doch slechts weinigen, die toonden, christen te zijn in handel en wandel.

Hoe menigmaal heb ik gedacht in de loop van mijn ambtelijk leven, wanneer ik de jonge mensen zag opgroeien : waar zijn onze oude getrouwen in het land en in de Kerk ? Och, ik weet het wel: men kan van jonge mensen niet vergen, dat zij plotseling'oud zijn, in principe en ervaring; maar hoe gemakkelijk wordt het oude of er boord geworpen, terwijl het bewijs nog moet geleverd, dat het nieuwe beter is.

't Was anders druk in het mooie dorp aan de Rijn. Geen stadse maar wel een echt dorpse drukte was het daar. Ook wat het verkeer en het handelsleven aanging.

Dinsdagsmorgens was het op het kerkplein, vlak voor de pastorie, kaasmarkt. Trouwens de kaaswagens stonden ook tot ver door het dorp heen.

Dan had de predikant meteen een soort spreekuur of spreekmorgen voor de Gemeenteleden buiten het dorp, die nu van de gelegenheid gebruik maakten, om eens aan te komen aan de pastorie.

Tegelijk kwam dan onze medehelper en broeder godsdienstonderwijzer, om te horen of er iets bijzonders was. Wij bespraken dan meteen de gang van het werk.

Geheel zonder humor was onze broeder niet. Nog zie ik zijn ietwat spijtig gezicht, toen ik een bezoeker uit de Meije een sigaar presenteerde, uit hetzelfde kistje, waarvan wij er pas een hadden opgestoken.

„Denk er om, broeder, " zo riep hij, „dit is banket hoor ! dat moet u niet gedachteloos oproken !"

Ik had het over stadse en dorpse drukte. Wat is nu eigenlijk het verschil ? Dit is niet met een paar woorden uit te drukken. Ik zou zeggen : in de dorpsdrukte zit toch niet dat afmattende, zoals dat in stadse arbeid u neerdrukken, ja ondermijnen kan.

Hier ligt over het algemeen dat hopeloos onbegrensde, waarin gij met de beste wil uw werk niet overzien kunt. Hoemeer men werkt, hoemeer allerlei onvoorziene dingen als baren der zee op u aanrollen.

Gij gaat ergens op bezoek. Het wordt in het huisgezin, waar gij komt, zeer gewaardeerd. Maar tegelijk doet men u andere adressen aan de hand en voegt er bij: ,, Het zou wel goed zijn, dominee, als u daar ook eens heenging.

Dat is in een dorp toch anders. Al kan de werkkring ook daar groot en zelfs zeer uitgebreid zijn, de regel is er toch nog niet zoek geraakt.

Men komt de Gemeente niet rond in één jaar. Welnu, dat weet gij vooruit en denkt; „dan in twee of drie jaar !" Er is en blijft enig overzicht van de arbeid. Het gemeentelijk werk wordt meer over dag dan 's avonds verricht.

De meeste catechisatiën worden bij daglicht gehouden. Die van de jongens van buiten het dorp in de winter zelfs wel des morgens, terwijl de laatste avondcatechisatie zelden later aanvangt dan half acht.

Men heeft des avonds nog wat rustige tijd om te verpozen, zoals menig ander dat heeft na volbrachte dagtaak.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 oktober 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Een domine vertelt

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 oktober 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's