De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Abrahams einde

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Abrahams einde

10 minuten leestijd

„En Abraham gaf de geest en stierf in een goede ouderdom, oud en des levens zat, en hij werd verzameld tot zijn volken". Genesis 25 vers 8.

Enerlei wedervaart de rechtvaardige en de goddeloze. Zij keren allen weder tot het stof. Sterven is iets ontzettends. Het is ook een mysterie. Immers, niet alleen afgeleefde mensen buigen het hoofd en geven de geest, maar ook niet weinigen van hen, die in 's levens bloei waren of op de middaghoogte stonden, daalden af naar de binnenkameren des doods. Terwijl zij zich nog beroemden op hun kracht, vluchtte het leven van hen weg.

De loop der natuur is zó : wat oud is, is nabij de verdwijning. Waarom verdwijnen dan zo menigmaal ook jonge mensen uit dit leven?

Moeten wij zeggen dat een grillig noodlot hen getroffen heeft? Voor de denkende geest van hen, die Gods Woord niet kennen of dat in ongeloof verwerpen, moge dit de laatste rustgrond zijn, niet alzo voor hen, die dat W^oord horen en hetzelve bewaren.

Alleen dat Woord verspreidt ook over deze zaken zijn licht.

Wat zegt de Schrift?

Dat sterven een inzetting Gods is en geen noodlot. ,,Het is de mens gezet om eenmaal te sterven". Het is de uitvoering van het vonnis van de hoge God, over de mens uitgesproken: ,,Gij zult de dood sterven".

„Wij vergaan door Uw toorn".

Wij allen !

Hierin is geen aanzien des persoons bij God.

Vaders, moeders, kinderen, vorsten, bedelaars, gelovigen en ongelovigen, mensen die onmisbaar schijnen, bidders voor land en volk en kerk, allen moeten vallen.

De dood is een koning, die niet te verbidden is. Hij is doof voor verzuchtingen en gebeden, ongevoelig voor verdriet, onnaspeurlijk in het kiezen van zijn weg. Hij eist vandaag hier, morgen ginds zijn offer. En over u en mij zal zich eerlang, wie weet hoe spoedig, het gerucht verspreiden : Hebt ge 't al gehoord? Hij, zij is niet meer!

Vlucht niet voor deze gedachte. Dat zou dwaas zijn. Want die gedachte wordt vreselijke werkelijkheid aan ons. Wij gaan sterven, dat is het enige wat zeker is in een wereld, vol onzekerheden.

Wanneer gij aan een sterfbed staat, wanneer een doodsbericht u bereikt, wan­ neer gij in een sterfhuis binnengaat, de zwarte stoet u passeert, haal dan de doo^ naar u toe en Zeer te sterven. Vraag u dan af: Hoe zal toch mijn einde zijn?

Ook Abraham, de vader der gelovigen, stierf. Niet minder dan honderd vijf en zeventig jaren had hij geleefd in deze wereld. De laatste honderd jaar op de grond, welke God, de Almachtige, door het woord Zijner belofte aan zijn nakomelingen had vermaakt.

Uit het eerste tijdperk van Abraham's leven weten wij als enige bijzonderheid dit, dat hij toen de afgoden van zijn land gediend heeft, als dat tenminste een bijzonderheid heten mag. Want was het wel iets bijzonders dat hij deed, wat zijn voorgeslacht eeuw na eeuw had gedaan?

Neen toch !

Maar dit was iets bijzonders, dat de God der goden hem door een machtwoord wegriep uit zijn geboorteland en dat hij ging, zonder tegenspreken, niet wetende waar hij komen zou.

„Dat is het begin van het tafereel, dat zich in het leven van Abraham aan ons oog ontrolt. Dan zien wij hem optrekken met de pelgrimsstaf in de hand, een onbekende toekomst in, maar mèt God.

Wij zien hem als herdersvorst, als priester, die bij een altaar de Heere aanroept; als krijgsman, als hcrbergzaam gastheer, die bezoek van hemellingen ontvangt ; als smekeling voor de Heere, begaan met Sodom's lot; als grijsaard, die een pasgeboren jongetje in zijn armen draagt, met een nieuw lied op de lippen ; daarna zien we hem de zware gang maken naar Moria's top en nog later zijn geliefde Sara ter ruste leggen in de spelonk van Machpela. Zie, hoe hij het huwelijk van Izak en Rebekka inzegent. Sla hem gade, wanneer hij als grootvader zijn kleinzoontjes op de knieën zet, en dan nog wat jaren en hij geeft de geest in de hand van de Vader der geesten, goedsmoeds, vol geloofsvertrouwen". (Otto Funcke).

Toen kwam dat, waarop hij gewacht had: de stad, die fundamenten heeft, welker kunstenaar en bouwmeester God is.

Hij stierf in een goede ouderdom. Ook die had hij verwacht, en op deugdelijke gronden, want de Heete had hem dat beloofd, (hfdst. 15). Zijn ouderdom was goed, niet alleen omdat die hoog was en omdat hij het leven als een goede gave Gods had mogen genieten, maar ook en vooral omdat hij vrede met God had door de Beloofde, die hij van verre zag en omhelsde.

Een hoge leeftijd en de genieting des levens moge een zegen zijn, dat op zichzélf maakt een ouderdom nog niet goed. Goed is de ouderdom alleen dan, wanneer daarin een uitzicht is in een zalig verschiet.

Waarin zal hij anders goed zijn? Immers, het leven verliest dan zijn glans en bekoring.

De ouden : Wij vinden ze aan stoel of bed gebonden. Of, zij gaan nog, maar zij moeten het aanzien hoe jongeren hen vaardig voorbij stappen op de weg.

De ouden : Zij staren stil en strak voor zich uit en zij mijmeren over hun levenstijd, welke van hen is weggetogen gelijk een herdershut.

De ouden ; Zij hebben hun tijd gehad ; zij doorleven de dagen, van welke zij zeggen moeten: „Ik heb geen lust in dezelve".

Zal hun ouderdom goed zijn, dan zéker niet in hetgeen hier genoemd is. Het goede, het beste van het leven is dan voorbij. Of het moet zijn, dat de stralen van de nieuwe morgen, de morgen van de eeuwige dag, in de worsteling met de schaduw van de dood de overhand beginnen te krijgen, zodat de levensavond komt te staan in het licht van het Schriftwoord : ,,Ik wenste wel ontbonden te wezen en met Christus te zijn, want dat is zeer verre het beste".

O, wanneer zal het zijn ! Nog weinige stappen en dan ben ik thuis, in het Vaderhuis !

Dit is de blijde verwachting van alle ware Christ-gelovigen, die geweest zijn vanaf het begin der wereld tot nu toe, een verwachting, die hecht gefundeerd is niet in het werk van mensen, maar in het werk van die God „die hen begenadigd heeft in de Geliefde, in Dewelke zij hebben de verlossing door Zijn bloed".

Ook voor Abraham kon het niet anders, dan door deze Geliefde, door Christus. Daarom begeerde hij Zijn dag te zien, en hij hééft hem gezien en is verblijd geweest.

Wat een wonder !

Door het geloof schouwde hij het Lam, dat de Heere zichzelf ten brandoffer voorzag om de zonden weg te nemen en verloren mensen de toegang te ontsluiten tot de stad, die fundamenten heeft.

Dat was hem genoeg. Met de wereld, als het land der vreemdelingschap onder de voet, en met die stad in het oog vervolgde hij zijn weg, totdat hij van jaren verzadigd was en oud werd.

Maar die ouderdom verschrikte hem niet; die meldde hem slechts dat er van de „verdrukking van tien dagen nu reeds negen om waren. Dat verheugde hem en maakte zijn ouderdom goed en zoet.

Toen kwam de laatste dag, zijn sterfdag ! Toen werd zijn geloven verwisseld voor aanschouwen. Toen ging hij naar boven, om een erfdeel te ontvangen onder de geheiligden.

Hij werd verzameld tot zijn volken, of : tot zijn volks-genoten. Welke volksgenoten? Hij behoorde tot geen volk. Hij was een eenling op aarde ! De Kanaanieten, in wier midden hij leefde, waren en bleven vreemden voor hem.

De bewoners van Ur werden vreemden voor hem en hij voor hen. De Heere maakte hem vreemd voor hen, toen Hij hem wegriep, wegtrok uit hun midden.

Abraham had geen volksgenoten, geen soortgenoten.

Ja, toch wèl!

,,Uw volk is mijn volk", was eens de belijdenis van Ruth en haar keus : ,,Waar gij zult sterven, daar zal ik ook sterven en aldaar begraven worden". Die hier op aarde in ware gemeenschap met Gods volk hebben verkeerd, worden wellicht niet bij elkaar begraven zoals Abraham en Sara nu in 't stof des doods rusten in Machpela's spelonk, maar toch zijn zij verzameld en worden verzameld n.l. voor Gods troon, waar de verloste kerk haar nieuw lied zingt.

Al komen ze uit verre landen, allen die in Zion geboren zijn. Filistijnen en Tyriërs of hoe zij verder heten mogen, komen in die stad, van welke zij het burgerrecht hebben. En omdat dat burgerrecht een genade-techt is zullen zij, blijde zangers, daar Gods Naam prijzen met lofgejuich.

Ook wij geven, in het kort, de geest en sterven.

Wij zullen verzameld worden. Verzameld worden tot het volk waartoe wij behoren. Tot welk volk behoren wij ? Tot het volk van Abraham ? Zijn wij een soortgenoot van hem ?

Hij wandelde als vreemdeling op aarde Hij zocht een stad ter woning. Hij zocht een beter vaderland dat is : het hemelse. Zo zegt Hebr. 11 het.

Zouden wij altijd wel op aarde willen blijven ?

Vinden wij hier volle bevrediging. Ach, wie leeft er op aarde die dat vond. Gezocht wordt dat wel, rusteloos gezocht, van Bdens hof af aan. Maar waar en waarin zoeken wij die bevrediging dan ?

Dat is een levensvraag !

Abraham zocht en vond die in de Beloofde en toen sprong zijn ziel in hem op van vreugd.

Toen gunde hij Lot gaarne het beste stuk land voor diens vee en tot zijn vast eigendom begeerde hij slechts enkele meters grond voor zijn eigen lichaam en voor dat der zijnen. En voor het overige hoopte hij op God.

Wij behoeven het goed der aarde, in welke vorm dan ook, niet te verachten. Wij mogen dat zelfs niet doen. Maar kan het ons troosten ? Verzadigt het ons ? Dat kunnen wij weten. Waar uw schat is, aldaar zal ook uw hart zijn.

Wie als kind Gods wil sterven, moet ook als zodanig willen leven en wandelen. En dat zal alleen het geval kunnen zijn, wanneer Gods stem eens met kracht in ons leven doorbrak door alle andere stemmen heen en weerklonk in onze ziel: „Hoor, o mens en zie, neig uw oor en vergeet uw volk en uws vaders huis", en wij gewillig gemaakt door de vernieuwende en overredende kracht des Geestes uittrekken in het geloof vasthoudend als ziende de Onzienlijke.

Als dat niet geschiedt, blijven wij in de diepste grond wat wij allen zijn naar aard en aanleg : vrienden der wereld. En dat betekent: vijanden Gods. Maar dan is ons leven niet goed ; dan is onze jeugd, dan is onze ouderdom niet goed. Dat kan en mag zo niet blijven dan op straffe van onze eeuwige ondergang. Als wij als een boetvaardige sterven worden wij door God verwezen naar de verzameling der onboetvaardigen, naar onze soortgenoten dus. Bindt het onkruid in busselen.

Alle onvernieuwden van hart zullen zijn in die plaats, waar de rijke man vertoefde, zoals Jezus leert.

Bij dat volk, dat in Abrahams schoot gedragen wordt kunnen zij nooit komen, want er is een grote kloof. Verschrikt dat ons ? O ware dat zo !

De weg naar het Vaderhuis staat nog open voor een verslagen tollenaar en een wenende zondares in Hem, voor Wie datzelfde Vaderhuis een maal gesloten was, omdat Hij het vrijwillig verlaten had : de aan de vaderen Beloofde ! Langs de verse en levende weg die Hij baande en tekeAde met Zijn bloed voert Hij zondaren die zichzelf veroordelen naar het hemels Paradijs. Daarheen is - Hij hun voorgegaan, na hun het bemoedigend woord nagelaten te hebben : „Waar ik ben, aldaar zal ook Mijn dienaar zijn". Daarom is ook vader Abraham daar, want hij diende Hem, door Hem te verwachten. En daar zullen allen zijn, die met hem een even dierbaar geloof verkregen hebben.

Ook gij ?

Ook gij als gij de Heere leerde verwachten en hopen op Zijn Woord. Want bij de Heere is goedertierenheid en bij Hem is veel verlossing. Door de donkerheid der beproevingen en der bestrijdingen heen voert Hij Zijn kerk naar 't eeuwig licht!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 oktober 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Abrahams einde

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 oktober 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's