De Hofnar van Gelre
Een verhaal uit het begin der 16e eeuw
Anna is reeds opgestaan.
„Hou je rustig, Wijntje, " zegt ze vriendelijk vermanend, terwijl ze de gewonde een tinnen beker met melk voorhoudt.
„Drink maar 's ; dat zal je goed doen."
Daarop vervolgt ze zacht, alsof ze bang is, dat de vrouw onwillig zal worden :
„Je bent hier, dat zie je toch wel. Herinner je je niet, dat je huisje ? "
Een blik van begrijpen en een hoofdknik.
Op 't somber-peinzend, gerimpeld gezicht is duidelijk een tweestrijd te lezen, die in 't hart van Wijntje gestreden wordt.
Anna merkt het op en kijkt haar meewarig aan. Ze heeft medelijden, want ze begrijpt wat pijn die arme van binnen moet hebben om het verlies van haar jongen, en niet als zijzelve, dat weet ze, bezit Wijntje de enige troost in lijden : het vertrouwen op de hoge God.
Maar neen, Anna leest toch niet goed.
„Wil je niet wat eten. Wijntje ? " vraagt ze, als de zieke blijft zwijgen. ,,Wacht, ik zal iets gereed maken."
Wijntje schudt het hoofd en maakt met de linkerhand een afwerend gebaar. Dan blijft ze maar voor zich uit staren.
Opeens heft ze 't gebogen hoofd omhoog en, Anna aanziende, vraagt ze met zwakke stem :
,,Hoe kom ik juist hier, vrouw Van Embden ? Wie heeft me hier gebracht ? "
,,Wel, ikzelf heb je hierheen laten brengen, toen je gewond in je huisje lag. Ik dacht zó : je kon hier nog het best opgepast worden ; want er was eigenlijk niemand anders, die zich aanbood, om je op te nemen. — Maar — kwel je toch niet met onnodige zorgen : de heelmeester heeft dringend rust aanbevolen, hoor."
Deze vriendelijke, gulhartige woorden maken blijkbaar indruk. Heel even kijkt nu Wijntje de ander uitvorsend aan, doch slaat dan terstond de ogen neer.
Echter, hoe 't komt weet ze niet, maar ook Anna voelt zich thans tegenover Wijntje minder op haar gemak.
,,Wacht, " vervolgt ze bedrijvig ; „ik zal seffens een kandeeltje voor je gereed maken."
Meteen keert ze zich om en mompelt:
,,De kaars is haast afgebrand. Nu, het daglicht is ook door de spiegaten zichtbaar, naar ik merk. 'k Zal de vensterluiken maar gaan openzetten."
Reeds wil ze heengaan om de daad bij het woord te voegen, als ze zacht heur naam hoort roepen.
Ze keert dadelijk naar de bedstede terug en vraagt:
„Riep je me. Wijntje ? "
Een hoofdknik. Daarop komt er schuchter uit :
„Zijt gij niet vreselijk boos op me ? Vindt ge me geen catijf ? Haat ge me dan niet ? "
Verwonderd, doch ook medelijdend, kijkt Anna de zieke aan. Ah, nu begrijpt ze, wat er in Wijntje's gemoed omgaat; het stugge, koude, vijandige hart is getroffen door Anna's onbaatzuchtige daad. 't Is haar duidelijk : Wijntje vat niet, hoe iemand Paulus' vermaning letterlijk kan opvolgen : „Indien dan uw vijand hongert, zo spijzig hem ; indien hem dorst, zo geef hem te drinken."
„Of ik boos op je ben ? Of ik je haat ? " is Anna's wedervraag. „Haten doe ik niemand ; mag ik ook niet. Wel ben ik een ogenblik heel boos op je geweest, och ja; maar 't was maar kort, want ik voelde, dat ik daaraan verkeerd deed.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 oktober 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 oktober 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's