De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een domine vertelt

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een domine vertelt

6 minuten leestijd

over­ XXIX Verschillende gangen.

Wat de preekarbeid betreft, is het in de stad nu weer heel wat gemakkelijker. Er zijn weinig stadsdominees, die men 's Zaterdags niet op straat ziet.

Het is haast ontstellend, zoveel „vrije beurten" de predikanten in sommige steden hebben.

In de dorpen, waar kerkelijk leven aanwezig is, is er des Zondags tweemaal Dienst en moet domine dus tweemaal preken. De voorbereiding voor deze arbeid vergt tijd, maar het is een schoon en rustig werk, dat men zelf regelen kan. Behoudens noodgevallen, geeft men Vrijdag en Zaterdag eenvoudig „niet thuis"

Ook een begrafenis kost in een dorp meer tijd dan in een stad, omdat men mee gaat naar de dodenakker.

Maar och, het kerkhof is meestal niet ver van huis.

Vanuit uw venster ziet gij op de graven. En na uw toespraak zijt gij zo weer thuis. Het meegaan vergt geen zwoegen en geen slaven.

De arbeid in een dorp heeft niet dat zenuwschokkende, zoals in een grote stad.

Vergaderingen baren u geen slapelooze nachten. Iets van de dorpsrust en gemoedelijkheid mag uw ziel daar binnenvaren, als het u maar niet in lome sluimering te veel doet sussen.

Gij hebt zo geen idee, dat Delila daar plotseling roepen zal: ,,de Filistijnen over u, Simson!" Gewoonlijk heeft dat daar niet plaats.

Veel schokkende gebeurtenissen heb ik in B. dan ook niet beleefd.

Wel enkele, die mij nog al aangrepen, waaronder de begrafenis van een oude vrouw, die vermoord was.

Ik herinner mij ook nog die man, die in zenuwangst bij mij kwam en bevreesd was, de zonde tegen de Heilige Geest te hebben bedreven.

Dan denk ik ook nog daaraan, hoe iemand, die op een Zondagavond bij mij op bezoek kwam, koelbloedig verklaarde, dat allen, die een eind aan hun leven maakten, voor eeuwig verloren waren.

Evenzeer blijft in mijn herinnering voortleven dat evenement op de grote meisjescatechisatie op zekere winteravond. Er lag buiten veel sneeuw en het was dooiweer. Rustig zat ik te catechiseren. Daar meende ik, dat de buitendeur heel zacht geopend werd. Het kon echter ook wel zijn, dat ik het mij verbeeld had, want niemand van de meisjes scheen iets te horen.

Nu kwam men van buiten eerst in een portaal, vóór men de catechisatiekamer binnentrad. Daar in eens gebeurde het: de deur werd opengestoten en met grote kraöht werd er een sneeuwpop naar binnen geworpen, tegen de gaslamp op; over de meisjes heen ; over mijn tafel, met boeken en al.

Alles zat onder de vieze sneeuw. Wat lage, wat laffe streek !

Had men nu, na afloop van de catechisatie vooral die meisjes eens wat ,,getracteerd" op behoorlijke sneeuwballen, die er naar solliciteerden, door de ,,heren der schepping" eens met de witte substantie ingewreven te worden, het ware echt jeugdig en jolig spel geweest en dus tot daar aan toe.

Maar dit ging alle perken te buiten. Dit hadden geen vrienden gedaan. Dat was duidelijk.

Direct, nadat de ,,lawine" was neergedaald, ben ik opgesprongen en naar buiten gerend, enkele vluchtende belhamels achterna. Er kwam een jonge man uit een steegje en ik greep hem onmiddellijk, maar hij kon zijn alibi bewijzen. Het een met het ander hielp mij niets en onverrichterzake keerde ik naar de catechisanten terug.

Niemand sprak een woord. Wij eindigden en na het ,,amen" gebood ik hun, even te wachten, want ik wilde zelf meegaan, om hen thuis te brengen.

En daar liep ik aan het hoofd van de stoet. Uit alle hoeken en gaten kwamen de jongens ; de handen vol sneeuwballen. Nauwelijks echter zagen zij de processie of de ballen lieten zij naast zich neervallen en heel gewoon klonk hun groet: ,,goeden avond, domineel"

Ik gaf geen antwoord, maar bracht de meisjes wel zó ver, dat de belhamels van hun spel geen aardigheid meer hadden. Of alle meisjes dat ook prettig gevonden hebben, vermelden de kronieken niet.

Enige tijd later hoorde ik namen noemen van degenen, die het lage stuk zouden bedreven hebben. Ik kan niet zeggen, dat zij ter goeder naam en faam bekend stonden.

Laat mij tenslotte hier ook iets verhalen, van hetgeen ik in B. eens verkeerd deed ; althans zó niet meer doen zou.

Meer dan eens hadden namelijk de opschriften of spreuken mijn aandacht getrokken, die op de hekken of huizen van de grote boerderijen stonden, onder anderen : „Vaders wens". „Moeders vreugd". „Acht is meer dan duizend". (Was hier bedoeld : acht geven is meer dan duizend gulden? ). Of: „Nooit gedacht!" „Rundervreugd". „Veel geschreeuw, weinig wol". En wat verder weg, buiten de Gemeente :

„Niet verdiend en toch verkregen ; 't Al verbeurd; 't is door Gods zegen".

Ik had daaruit mijn conclusies getrokken ten opzichte van het gedachtenleven der bewoners. Hoe dat leven zich veelal eigenlijk bewoog om de dingen van het aardse leven en hoe dit wel het hoogste van alles hier beneden scheen te zijn, een kapitale boerderij te bezitten.

Vanaf de kansel heb ik in een preek daarover gesproken en dat was ten eerste wat ondoordacht. Bovendien zat het min­ der tactvolle hierin, dat ik ook een bepaalde hoek of een bepaalde ,,zijde" noemde, waar ik die opschriften had gelezen. Dat was jammer, want ik bedoelde het niet voor die hoek alleen.

Toch vatten de bewoners aldaar het zo op.

Ik ontving dan ook een heel aardige en verdiende les. Wanneer ik op vacature moest preken, reden de boeren mij ongeveer om de beurt er heen. Zij hadden dat vrijwillig op zich genomen.

Nu geviel het eens zó, dat ik een volontair rijder nodig had voor een bepaalde Zondag en niets vermoedend vervoegde ik mij bij iemand, die juist woonde „in de hoek", waar dan zogenaamd de klappen waren gevallen.

Op mijn vraag kreeg ik het volgende antwoord : .„Wij, bewoners van kunnen bij u blijkbaar geen goed doen, dominee ; dat bleek verleden Zondag, maar daarom wil ik u toch met genoegen rijden".

Die zet was raak. Ik ging naar huis en zat des Zondags in het rijtuig, met kolen vuurs op mijn hoofd.

Ik heb mij later wel er voor gewacht, uit namen en opschriften op huizen of hekken iets te concluderen, hoe de bewoners daar binnen wel zullen wezen, aangezien ik daar menigmalen oprechte christenen heb aangetroffen, en ook omdat men het niet aanrekenen kan aan het geslacht van heden, wat er, wellicht eeuwen geleden voor aan een huis of op een hek werd gezet.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 oktober 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Een domine vertelt

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 oktober 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's