De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Herderlijk schrijven

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Herderlijk schrijven

10 minuten leestijd

Het Huwelijk

Enkele richtlijnen

Op blz. 24 v.v. worden enkele richtlijnen gegeven, die voor de verdere behandeling van belang zijn.

In deze richtlijnen worden enkele dingen gezegd, die, naar wij veronderstellen een proeve vertegenwoordigen van de „duidelijke taal", die in onderscheiding met die van onze reformatorische formulieren voor onze tijd zoveel beter verstaanbaar zou zijn.

1. ,,Het onderscheid van man en vrouw berust op de scheppingswil Gods. God heeft de mens als man en vrouw geschapen en tot gemeenschap geroepen. De mens is aangewezen op de ontmoeting met de ander. Dit geldt in zeer bijzondere zin voor man en vrouw".

Ziedaar punt 1. ,,Het onderscheid van man en vrouw berust op de scheppingswil Gods". Hoe moet men nu over zulk een zinsnede oordelen. Eigenlijk staat er niets in, want men kan even goed beweren, dat het onderscheid tussen, welke schepselen ook, op de scheppingswil Gods berust.

Zulk een algemeenheid zal men wel niet bedoeld hebben. Maar wat heeft men dan wel bedoeld ? Uit het voorafgaande zou men haast onderstellen, dat men 'n beetje verlegen zit met dat onderscheid van man en vrouw, omdat men eigenlijk niet anders schijnt te begeren dan dat onderscheid weg te doezelen en weg te exegetiseren. Men zou haast denken aan een soort verontschuldiging : zoiets als, wij zouden het wel anders gedaan hebben, maar het onderscheid berust op de scheppingswil Gods.

Waarom niet van uit de Schrift begonnen : Genesis 1 : 26 v.v. ,,Naar Zijn beeld schiep Hij hem, man en vrouw schiep Hij ze" en Genesis 2:18: „Het is niet goed, dat de mens alleen zij. Ik zal hem een hulpe maken, die als tegenover hem zij". (Aalders vertaalt: die bij hem past).

Als wij dan bepaald worden bij de bijzondere zorg Gods over de mens, gelijk Genesis 1 : 26 daarvan getuigt, valt niet in de eerste plaats de nadruk op het onderscheid tussen man en vrouw, noch ook op het ,,hulpe" zijn van de vrouw, maar op de adel van hèt beeld Gods, waarin zij teza­men delen, en welke zij geroepen zijn tezamen rein te houden.

Dat de mens tot gemeenschap geroepen is, zoals punt 1 concludeert, is wel een heel vlakke en schier onjuiste uitdrukking. Immers, als de mens man en vrouw werd geschapen, gelijk de Schrift leert, is hij niet tot gemeenschap geroepen, maar hij kan op zich zelf zijn bestemming niet bereiken. God zegt immers, dat het niet goed is, dat de mens alleen zij. Het gaat in de Schrift niet om een mens, maar om de mens, dat is om de mensheid. God heeft uit énen bloede het ganse geslacht der mensen gemaakt. (Hand. 17 : 26). Daarmede zegt de apostel dus tegelijk, dat de scheppende daad Gods het ganse geslacht der mensheid omvat.

Derhalve is de mens niet geroepen tot gemeenschap, alsof hij die gemeenschap moest tot stand brengen, maar hij staat in de gemeenschap van het ganse geslacht der mensen en zondigt tegen God en zich zelf, als hij dit niet verstaat en niet betracht.

Nog eens gaat punt 1 verder met de opmerking : „De mens is aangewezen op de ontmoeting met de ander. Dit geldt in zeer bijzondere zin voor man en vrouw".

Hier klinkt weer diezelfde slappe toon door, alsof men het huwelijk nu maar moet accepteren, omdat de mens op de ontmoeting met de ander is aangewezen. Het heeft de schijn, alsof men eigenlijk zozeer door de vraagstukken van het huwelijk wordt ingenomen, dat men met het huwelijk zelf verlegen zit.

Hoe geheel anders zou deze voorlichting voor de dag komen, als men ernst maakte met het geloof der kerk van Christus in de eenheid der Heilige Schrift. Het is toch één en dezelfde Geest, die getuigt van de schepping des mensen en aan de apostel Faulus ontdekt, dat die scheppende daad zich uitstrekt over het ganse geslacht der mensen, hetgeen God uit énen bloede gemaakt heeft.

In het licht van deze openbaring verschijnt de schepping van de mens ,,man en vrouw", verschijnt ook het huwelijk, in de dienstbaarheid aan deze het ganse mensengeslacht omvattende scheppende daad Gods.

Dat betekent niet, dat iedere man en iedere vrouw ook zal huwen, en het valt daarom ook niet te ontkennen, dat het ,,man en vrouw" ook buiten het huwelijk een integrale betekenis heeft voor de aardse samenleving.

En wie het zo even aangehaald getuigenis aangaande het ganse menselijke geslacht ter harte neemt, verliest alle grond om de mens de controle over de geboorte toe te dichten en dat n.b. als van God gestelde eis ! . i

2. Het huwelijk is de van God gegeven orde voor die samenleving van man, en vrouw, waardoor zij in liefde verbonden van twee tot één worden, zonder dat daarbij hun eigen individualiteit wordt opgeheven. De huwelijks-verbondenheid is zo diep, dat het tot het wezen van het huwelijk behoort, dat het onontbindbaar is en de eenheid, die man en vrouw beleven alle levensuitingen omvat".

Heel schoon is deze redactie niet en zeker niet duidelijker of meer verstaanbaar dan de Schrift b.v. spreekt in Genesis 2 : 24.

„Vader en moeder verlaten en zijn vrouw aankleven en zij zullen tot één vlees zijn". Daarin is zeker het wezen van het huwelijk getekend. Dat tot één vlees zijn drukt op zich zelf de onontbindbaarheid van het huwelijk uit.

Waarom, als de kerk richtlijnen wil geven, gaat men niet van de Schrift uit ? Een eigenaardige indruk maakt ook de uitdrukking in bovenaangehaald punt 2. „Zonder dat daarbij hun eigen individualiteit wordt opgeheven". Waarom spreekt men hier niet van persoonlijkheid. Dat toch is het onderscheidende van de mens boven de andere schepselen op aarde, dat hij persoonlijkheid is. De persoonlijkheid is dan ook weer het onderscheidende van mens en mens, en het bijzondere is, dat de onderscheiding der personen blijft, ook in de nauwste gemeenschap in de aardse saamleving, het huwelijk. Anders kon trouwens geen sprake zijn van gemeenschap.

Wij onthouden ons van verder te theologiseren over het beeld Gods, waartoe aanleiding zou zijn, als wij stilstaan bij deze meerpersoonlijkheid bij ééiaheid van wezen, doch dat laten wij rusten om er alleen maar op te wijzen, dat het woord individualiteit wel wat al te vlak is.

3. „Het huwelijk is daarom meer dan een onderlinge afspraak, meer dan een contract. De huwelijksorde, waarin man en vrouw gesteld worden, gaat de kennis te boven. Het huwelijk is een groot geheim, omdat het een afglans is van het nog grotere geheim van de liefde van Christus tot Zijn gemeente".

„Het huwelijk is meer dan een onderlinge afspraak". Dat is zo. Het is eèn goddelijke instelling.

De betekenis van die tweede zin : ,,De huwelijksorde, waarin man en vrouw gesteld worden, gaat de kennis te ,,boven" is echter alles behalve duidelijk.

Vermoedelijk ziet men op Paulus' woord in Efeze 5 : 32, waar hij spreekt van ,,verborgenheid".

Dat is nog wat anders dan „de huwelijksorde gaat de kennis te boven".

Wij vragen alweer, als de kerk over het huwelijk wil schrijven en, zoals hier, over de „verborgenheid", waarvan de Schrift spreekt, waarom gaat men van de Schrift niet uit ?

En waarom spreekt men niet van „verborgenheid of mysterie" ? Want het Woord geheim past hier niet. Het woord ,,verborgenheid" heeft zonder twijfel een religieuse betekenis. En dat blijkt uit het vervolg van de tekst, als gesproken wordt van de gemeenschap van Christus en Zijn gemeente. Hierin spreekt een profetische symboliek.

Het rapport heeft daarvan wel iets willen zeggen, zoals men in punt 3 kan zien : „omdat het een afglans is van het nog grotere geheim van de liefde van Christus tot Zijn gemeente". Het eigenlijke is echter met dat ,,grotere geheim" ook niet getroffen, want die „verborgenheid" betreft het wezen van het huwelijk n.l. die twee zullen tot één vlees wezen. Daarover spreekt de apostel en dan blijft hij niet staan bij het huwelijk, maar hij zegt het met betrekking tot de verborgenheid, welke daar is in de eenheid van Christus en Zijn gemeente en ook deze heft het onderscheid tussen Christus en de Zijnen niet op.

4. ,,In het N. T. worden dan ook de richtlijnen voor de samenleving van man en vrouw ontleend „aan de liefde van Christus, waarmee Hij Zijn gemeente liefheeft".

Wij missen alweer de uitgang uit de Schrift. Volgens hetgeen wij op blz. 83 lezen, heeft men punt 4 geschreven naar aanleiding van het zoeven aangehaalde hoofdstuk uit de brief'aan de Efeziërs. Hoewel ongenoemd haalt men daar het woord van Paulus uit Efeze 5 : 25 aan. Het is echter wel wat erg riskant om de mensen aan dit hoofdstuk te herinneren, vooral met het oog op de voorlichting over het vrouwenvraagstuk, want de apostel spreekt van onderdanigheid aan de man, gelijk de gemeente aan Christus.

En het laatste vers van het hoofdstuk : ,,Zo dan ook gijlieden, elk in het bijzonder, een iegelijk hebbe zijn eigene vrouw alzo lief, als zich zelven ; en de vrouw zie, dat zij de man vreze".

Inderdaad spreekt dit hoofdstuk een andere taal als de herderlijke brief ten aanzien van de verhouding van man en vrouw.

Dan volgt in punt 5 een apodictische uitspraak, die in haar algemeenheid niet verantwoord mag heten.

5. „Alles wat op de verhouding man en vrouw in het huwelijk betrokken is, staat onder de leiding, tucht en vergeving van deze liefde van Christus".

,,Van deze liefde van Christus". Welke liefde is dat ? De liefde van Christus tot Zijn gemeente. De grote verborgenheid Zijner gemeenschap dus, die n.l. alleen in het geloof kan worden gekend en gekend wordt.

De allereerste onderstelling van dit punt is de onuitgesproken stéfling, dat het hier gaat over het huwelijk, waarin dat geloof leeft.

Immers hoe zal men zich onder de leiding en met name onder de tucht van Christus de Heere voegen en welbevinden zonder geloof?

En het is zeker, dat onder de tucht en de liefde van Christus ook de Verhouding van man en vrouw, zoals God die in Zijn Woord heeft bepaald, wordt erkend en geëerbiedigd, niet alleen, omdat het er staat, maar in het geloof."

Dat geloof heeft ook wel zijn strijd, maar het komt altijd weer goed. De kerk is echter niet getrouw aan het Woord, als zij dat maar zo algemeen stelt. De Schrift maakt onderscheid tussen kerk en wereld, Christen en heiden, geloof en ongeloof.

Zij geeft een herderlijke brief over het Huwelijk, maar de moeilijkheden die zij naar voren brengt, komen niet op uit het geloof, maar uit de toenemende verachting des geloofs en van de Wet Gods.

Daarom ware een krachtige roep tot bekering op haar plaats, maar zulk een toon zoekt men in dit „heïderlijk" geschrift vergeefs.

Men schijnt het tegenwoordig niet meer nodig te vinden, hoewel de Schrift daartoe bij wijze van spreken op iedere bladzijde vermaant.

In punt 6 wordt over erotiek en ware liefde geredeneerd, welke laatste wordt gekenmerkt als een zich ten volle verantwoordelijk weten voor elkander. De synodale stukken zijn niet karig met dergelijke uitdrukkingen als „verantwoordelijk voor elkander" en ,,verantwoord".

Wij weerspreken niet, dat het gebod der naastenliefde ook verantwoordelijkheid voor elkander insluit, zowel in als buiten het huwelijk. Maar de Synode spreekt hier van volle verantwoordelijkheid. Zo vol en zo algemeen is wel wat heel erg overdreven. Dat zou gelijk staan met een algemene onmundig verklaring, zodat de volle verantwoordelijkheid voor elkander zelfs onzin zou behelzen, daar er niemand overbleef, die competent ware om verantwoordelijkheid te dragen.

Ook op dit punt leert de Schrift wat anders. Zij legt nadruk op de persoonlijke verantwoordelijkheid en wijst verder nadrukkelijk op de verantwoordelijkheid voor anderen als een ambtelijke, een opgedragene : Men leze Ezechiël 18 over de persoonlijke verantwoordelijkheid en het is duidelijk dat persoonlijke verantwoordelijkheid ook verantwoordelijkheid jegens elkander is. Vgl. verder Ezechiël 33 : 8 en 9, waar de profeet wordt verantwoordelijk gesteld voor de zondaar, die hij niet tot bekering heeft vermaand.

Zulk een verantwoordelijkheid rust uitteraard op de ouders jegens hun kinderen, op de predikant en de ouderling jegens de aan hun zorg toebetrouwden, en tot op zekere hoogte op allen, die over anderen zijn gesteld.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 oktober 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Herderlijk schrijven

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 oktober 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's