Het kenmerkende van het reformatorisch getuigenis
We mogen gerust zeggen, dat, subjectief, dus vanuit de geestelijke worsteling van het mensenhart gezien, de reformatie geboren is vanuit de kreet om persoonlijke zekerheid des heils. Terwijl van alle kanten de schijnbaar onoverwinlijke burcht der Kerk door de roomse leer werd opgetrokken en er dus niets vaster, onwankelbaarder en veiliger scheen te zijn dan de hoede van het heilsinstituut der moederkerk, was echter door de leer der boetedoeningen en verdienstelijke werken enz. enz. de persoonlijke zekerheid des heils van het erf der Kerk weggeroofd en werden de geknechte gewetens in de diepte der wanhoop geworpen.
Het reformatorisch getuigenis, dat door Gods Geest in de zestiende eeuw verwekt werd, was dan ook kenmerkend gericht op het ontbinden dier geknechte gewetens. Het Evangelie van loutere genade klonk door de landen; de leer van de rechtvaardiging van de goddeloze werd van dag tot dag herhaald en in de gewetens ingedrupt. Heilige ijver brandde in de harten om het licht van Gods Woord helder te laten stralen voor de harten der duizenden, die rondgedoold hadden als schapen, die geen herder hadden. En dat alles, ja natuurlijk eerst, opdat God en Zijn Woord zouden geëerd worden, maar dan toch, opdat de ketenen mochten afvallen van hen, die in de maalstroom van helse vertwijfeling aangaande het heil hunner ziel dreigden ten onder te gaan, en opdat zij als vrije kinderen Gods hun weg verder met blijdschap zouden mogen reizen, gelijk we dat van de Moorman lezen.
Wat een zorg spreekt er uit al de geschriften der reformatoren omtrent het heil en de troost der zielen. Zij hebben er voor geworsteld en alles voor over gehad, opdat maar de vertroosting der Schriften aan arme zondaarsharten hoop zou geven.
En daartoe hebben ze eigenlijk niets anders gedaan dan maar altijd weer de getuigenissen Gods in Zijn Woord en instellingen naar voren gebracht. Altijd maar weer, in hun polemieken zowel als hun pastorale geschriften, beoogden ze slechts het onveranderlijk Getuigenis Gods in het volle daglicht te zetten en de aandacht der harten daarop te richten. Zij onderkenden de listen van satan juist daarin, dat hij zoekt de aandacht af te trekken van de zekerheden Gods en tracht heen te leiden tot allerlei onvruchtbare speculaties. Alleen immers in de persoonlijke relatie des harten tot de getuigenissen Gods in Woord en Scarament kan de persoonlijke zekerheid des heils opbloeien. De toonzetting hunner geschriften is dan ook immer in de geest van hetgeen Luther ergens zegt in de Galatenbrief: Wilt ge daarom verstandig, zeker en zonder gevaar voor uw geweten en uw zaligheid voortgaan, onthoudt u dan van zulk speculeren en navorsen, en leert onze Heere God aangrijpen op die wijze, als de Schrift leert, zoals in 1 Cor. 1 vs. 21^-24 staat geschreven (Comm. Gal. br. cap. 1:3).
Het ging er hun altijd weer om, de absolute vastheid en het allesomvattende van het heil in Christus voor een iegelijk, die gelooft, voor ogen te stellen, opdat de vruchten van vrede en blijdschap zouden genoten worden. Vandaar, dat de Christus, Zijn Persoon en werk, altijd bij hen in het middelpunt staan, doch niet in de idee, dat ergens hoog zweeft boven de hoofden, maar als de werkelijkheid Gods midden onder ons, zodat ook de christen in het licht getrokken wordt in zijn geloofsrelatie tot de Christus.
Om dezelfde reden neemt de rechtvaardiging van de goddeloze alleen om de verdiensten van Christus wille bij hen een dominerende plaats in hun denken en schrijven in. Alle weldaden, met name ook de wedergeboorte en het kindschap, ontvangen hun licht vanuit dit kernstuk der goddelijke leer. Om dat stuk ligt als het ware al het overige geordend.
Zo konden zij de blijde mare van het heil in hun prediking laten klinken en de zielen van zichzelf afleiden naar de vaste en onwankelbare Rots vaft Gods heil in Christus. Daardoor kon hun prediking ook nooit aanleiding geven om in het wankele leven van het gemoed te blijven hangen door dat te cultiveren, maar stootte hun woord alles wat vlees is om, opdat gezonken mocht worden op de vastigheid van Gods Getuigenissen. En met de volle aandacht daarop., gericht, handelden ze over de innerlijke zielservaringen en zieleworstehngen. Maar dit laatste dan ook weer in de geest van Calvijn's woord : Wanneer de apostel leert (Fil. 2 vs. 12), dat wij met vrees en beving onze zaligheid zullen werken, eist hij niets anders dan dat wij er ons aan gewennen, met grote verwerping van onszelf, op te zien tot Gods kracht. Immers niets wekt ons zozeer op om ons vertrouwen en de zekerheid des gemoeds op de Heere te werpen, als wantrouwen jegens ons zelf en benauwdheid, die ontstaat uit het bewustzijn van onze ellende. (Inst. III, hfdst. II, 23).
Let op de woorden ,,met grote verwerping". Het gaat hun immers om de persoonlijke zekerheid des heils, en dat niet op wankele gronden, maar in het geworpen zijn op de enige, eeuwige en absoluut vaste grondslag, waarbij de mens met zichzelf en het zijne in de dood moet, en Gods Woord alleen alle eer ontvangt.
Daarom is hun getuigenis altijd zo beslist, doch tegelijk zo diep ernstig, want het is het antwoord op de bange roep : Zekerheid! Ik moet zekerheid hebben voor mijn arm hart!?
Laat ons maar eens een ogenblik luisteren naar Calvijn en Luther. Calvijn handelt b.v. als volgt over het geloof:
Hierom gaat het voornamelijk in het geloof, dat wij niet menen, dat de beloften der barmhartigheid, die de Heere biedt, slechts buiten ons waar zijn, maar in ons niet, maar dat wij ze veeleer binnen ons aanvaarden en tot de onze maken. Eerst hieruit ontstaat dat vertrouwen, dat dezelfde apostel elders vrede noemt (Rom. 5 VS. 1); tenzij iemand liever het zo wil uitleggen, dat daaruit de vrede ontstaat. En dit vertrouwen is een gerustheid, die het geweten voor Gods oordeel kalmeert en opgewekt maakt, zonder welke het door een onrustige angst gekweld en bijna verscheurd moet worden, tenzij het wellicht God en zichzelf vergetend, voor een ogenblik insluimert. Inderdaad voor een ogenblik: immers niet lang geniet het van die ellendige vergetelheid, maar het wordt door de herinnering aan het Goddelijk oordeel, die herhaaldelijk terugkomt, zeer heftig gepijnigd. Kortom, waarlijk gelovig is slechts hij, die met een vaste overtuiging ervan overtuigd is, dat God hem een genadig en'goedgunstig Vader is, en die van Gods goedertierenheid zichzelf alles belooft, die, op de beloften van Gods goedgunstigheid jegens hem vertrouwend, een ontwijfelbare verwachting der zahgheid heeft; (Inst. III, hfdst. II, 16).
In het vervolg behandelt hij de tegenwerping, dat de gelovigen toch zo vaak door ongerustheid worden gekweld. Hij laat dan zien, dat de gelovigen toch nimmer geheel afvallen en afwijken van dat vertrouwen, dat ze aangaande Gods barmhartigheid hebben opgevat. ,,De gelovigen daarentegen, die door de last der beproevingen gebogen en bijna terneergedrukt worden, richten zich, zij het niet zonder last en moeite, weer op. En omdat ze zich hun eigen zwakheid bewust zijn, bidden zij met de profeet: „Ruk het woord der waarheid niet van mijn mond al te zeer" (Ps. 119 VS. 43). Door die woorden worden wij onderwezen, dat ze somtijds ver-^ stommen, alsof hun geloof ternedergeworpen was: dat ze echter niet bezwijken of terugwijken, maar hun strijd voortzetten, en hun traagheid door bidden scherpen, opdat ze althans niet door toegefelijkheid jegens zichzelf ongevoelig zouden worden Al worden wij door het drijven van de ongelovigheid op en neer geslingerd, verzinken wij daarom nog niet in haar afgrond. En ook al worden wij geschokt, worden wij daarom nog niet van onze plaats gestoten. Immers van die strijd is dit altijd het einde, dat het geloof zich aan die moeilijkheden, waardoor het omgeven wordt en zo in gevaar schijnt te verkeren, tenslotte ontworstelt".
Nu zo maar een willekeurig stukje uit Luther's verklaring van de Galatenbrief : Daarom moeten wij onze harten met deze en dergelijke andere getuigenissen van Paulus (Luther geeft hier verklaring op hfdst. 1 VS. 4) wel toerusten en bekwamen, opdat we de duivel, als hij weer eens komt en ons aanklaagt, en zegt: Zie, ge zijt een zondaar, daarom moet ge verdoemd zijn, kunnen tegemoet treden en antwoorden: Ja, beste duivel, juist daarom, dat ge mij als een zondaar aanklaagt en wil verdoemen, daarom zal ik rechtvaardig en vroom zijn, niet verdoemd, maar veeleer zalig worden. En of hij dan al aanhoudt en zegt: Per slot, ge moet verdoemd worden, dat ge u op de been en standvastig weet te houden, en te zeggen: Neen, niet alzo, want ik houd mij aan Christus, Die Zichzelf voor mijn zonde heeft overgegeven; daarom zult gij, gehate satan, daarmee, dat ge mij de grootte mijner zonden voorhoudt, en mij daarmee wilt verschrikken, verontrusten en in verwij f e- ling voeren, en wilt maken, dat ik Gode vijandig worden zal en Hem zal verachten en lasteren, niets bereiken. Want juist met datgene, wat gij me zegt, n.l. dat ik een arme, grote zondaar ben, geeft ge mij een zwaard en wapen in de hand, waarmee ik je machtig overwinnen, ja, met je eigen wapen worgen en neerleggen kan.
Het zal ons best goed doen, om over hetgeen we boven gelezen hebben, eens wat na te denken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 oktober 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 oktober 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's