Onderwijs
Van een kleine eeuw geleden
Van een kleine eeuw geleden. Wanneer wij ons even indenken in de huidige positie van onze scholen, dan is met deze positie onlosmakelijk het subsidie-stelsel verbonden. Immers met de gelijkstelling 1920 wordt aan de Bijzondere Scholen toegekend:
a. Rijkssubsidie, uitmakende het wettelijk salaris van het verplichte personeel.
b. Gemeentelijke subsidie, uitmakende de exploitatieuitgaven, berekend naar het totaal der voor de Gemeentescholen gedane uitgaven.
c. De stichtingskosten der scholen met inventaris.
Dit alles vinden wij over het algemeen heel natuurlijk en zowel moreel als rechtens volkomen aanvaardbaar niet alleen, maar ook plicht van de Overheid om zó ten opzichte van het Bijzonder Onderwijs te handelen.
Weet ge wel, dat zo'n kleine honderd jaar geleden dit alles bij de voorstanders van het Chr. Onderwijs niet zo vanzelf sprak? Het was de tijd, weleens genoemd de tweede phase van de schoolstrijd, d.i. na de grondwetsherziening van 1848, of nog liever na de schoolwet van 1857. Vóór die tijd waren het hoofdzakelijk de Kerkelijke, de Diaconiescholen, die als Bijz. Scholen waren opgericht, waar armen en minvermogenden voor hun kinderen terecht konden.
Deze scholen werden dan gefinancierd door de Kerk of nader door de Diaconie, 't zij uit bestaande fondsen of eigendommen, 't zij uit kerk- en andere collecten.
Maar nu kwamen ook scholen op uit andere corporaties of verenigingen. Wat vóór 1848 uitzondering was (denk aan de Chr. School te Nijmegen, 1844) werd na dien meer algemeen. Wel moesten de voorstanders nog alles zelf betalen, tot de laatste cent, maar de oprichting van Bijz. Scholen ging nu dan toch wat gemakkelijker, wat de officiële rompslomp aangaat, al werd de moeilijkheid van de exploitatie der scholen er niet gemakkelijker op. Niet slechts, dat vermeerdering van scholen en toenemend aantal leerlingen ook grotere kosten met zich meebrachten, die uit eigen beurs moesten betaald worden, maar ook omdat tal van gemeentebesturen op allerlei manieren het de Besturen der Scholen moeilijk maakten om de leerlingenaantallen op peil te houden en om de vereiste schoolgelden, die voor de exploitatie dringend nodig waren, binnen te krijgen. Vooral als men er daarbij aan dacht, dat in zeer vele gemeenten de schoolgelden voor de Gemeenteschool uiterst laag werden gehouden, om beter de concurrentie tegen de Bijz. School vol te kunnen houden en dat de gehele kosten der Openbare Scholen, dus ook die welke voortvloeiden uit de mindere schoolgeldopbrengst, evenzeer in evenredigheid door de voorstanders van de Chr. School via Rijks- en Gemeentebelasting moesten worden betaald, dan kan men een steeds groeiend gevoel, dat dit onrecht was, onze mensen niet euvel duiden. Zelf moesten ze voor hun scholen het volle pond betalen, en tevens ook nog evengoed als de voorstanders van het Openbaar Onderwijs, hun evenredig deel neerleggen voor de school, die ze niet konden en niet mochten kiezen voor hun kinderen.
En toch is dit nu het eigenaardige, dat men het in die dagen niet gemakkelijk eens kon worden, hoe tot een oplossing van deze kwestie te geraken.
Het was in 1867, dat Jhr. de Braauw, Conservatief lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, een voorstel indiende om de mogelijkheid te openen, dat de Chr. Scholen van de Gemeentebesturen subsidie zouden kunnen krijgen.
Hiermee kwam ineens een zeer belangrijke zaak midden in de belangstelling te staan. We weten nii wel, dat de tijd er nog niet rijp voor was, vooral niet wat de tegenstanders der Chr. School betrof. Het zou nog wel een paar decenniën duren, eer het Bijz. Onderwijs uit de gemeenschappelijke geldmiddelen van Staat of Gemeente zelfs ook maar een zeer bescheiden vergoeding kreeg. Echter was er bij de voorstanders van het Chr. Onderwijs ook geen algemeen-enthousiaste ontvangst van dit voorstel. Immers er was hier zeker wel sprake van een som geld, die de Chr. Scholen misschien zouden kunnen krijgen en die ze ook uitstekend konden gebruiken en dringend nodig hadden, maar er zat meer aan vast, en zó gemakkelijk stapte men in die dagen niet over principes heen. Velen vroegen zich af, of het niet beter ware, geen enkele band te aanvaarden tussen Staat en School en wel in 't bijzonder de Chr. School. Een belangrijke groep, die voorstander was van de scheiding tussen Staat en Kerk, wenste eveneens volledige scheiding tussen Staat en School. Wel realiseerde men zich, dat hiermee lijden en opoffering dóór zouden gaan, maar dat moest men er, naar men meende, voor over hebben.
In verschillende kringen werden besprekingen over dit onderwerp gehouden. De AlgemeneVergadering der Vereniging van Chr. Onderwijzers hield er zich in 1867 reeds direct mee bezig. Het was naar aanleiding van een referaat, dat gehouden werd als antwoord op de vraag: „Welke voor- en nadelen zouden er verbonden zijn aan Christelijke Scholen die door de Staat gesubsidieerd worden? "
In hoofdzaak waren er drie stromingen in deze vergadering, en we kunnen wel aannemen, dat dit een getrouwe weerspiegeling was van de meningen in het gehele land.
I. De eerste mening was, dat subsidie van Overheidswege zó nadelig zou zijn voor de Chr. Scholen, dat op de dag, wanneer subsidie zou worden toegestaan, meteen het doodvonnis zou getekend zijn. Er zouden dan wel heel wat nieuwe Scholen met de Bijbel worden opgericht, maar juist het essentiële zou worden gemist: 't geloof, de liefde en de behoefte aan Christelijke opvoeding. Deze zijn niet voor geld, niet voor subsidie te koop. Daarbij zag men nog een ander gevaar in de toekomst rijzen. Wanneer de Gemeente de Chr. School subsidieert, zal ze ook medezeggenschap willen hebben in de wijze van besteding der toegekende gelden en vooral werd de vrees geuit, dat dan zeker de godsdienstige geest van het onderwijs zou worden aangetast en meer of minder zou moeten worden aangepast aan de wensen of misschien wel voorwaarden, door het Gemeentebestuur aangegeven.
Deze groep voorstanders van het Chr. Onderwijs wilde blijven op de weg, die tot dusver gevolgd was en verkoos lijden, opoffering en strijd, boven wat zij noemde een schijnbaar voordeel.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 oktober 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 oktober 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's