De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Luther en de persoonlijke heilszekerheid

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Luther en de persoonlijke heilszekerheid

8 minuten leestijd

Over de Reformatie der 16de eeuw is wel zeer verschillend geoordeeld. Van Rooms-Katholieke zijde heeft men haar veelal gebrandmerkt als een revolutionnair gebeuren. Geen religieuze, goddelijke, maar revolutionnaire krachten werkten in deze geestelijke beweging. In de Reformatie hebben wij volgens Rome te doen met het protest, de opstand van de autonome, zelfheerlijke mens tegen het gezag der kerk, d.i. tegen het gezag van God. De daad van Luther was een aantasten van alle vastigheden, de geboortestonde van een mateloos subjectivisme. Er loopt daarom, naar het oordeel van Rome, een lijn vanuit de Reformatie naar de Franse revolutie en het radeloos nihilisme van onze tijd. De ontkerkelijking van het leven moest wel de ontkerstening tot gevolg hebben.

Temidden van de geestelijke verwarring en onzekerheid, temidden van de moderne wereldchaos, klinkt echter de roep om genezing te zoeken onder de vleugelen der Moederkerk, die de enige haven des heils is, de vaste rots in de branding.

Dat deze waardering der Reformatie volstrekt onhoudbaar is, behoeft hier niet nader betoogd te worden. De kerkhervorming was geen afwerping van alle gezag, maar een gegrepen en gebonden zijn door het alleen gezaghebbend Woord Gods, de enige grond der zekerheid. Met name de begeerte naar persoonlijke heilszekerheid was het diepste, religieuze motief, waardoor Luther werd voortgestuwd. Om die persoonlijke heilszekerheid was het de Reformator bovenal te doen. En juist haar kon hij niet verkrijgen binnen de muren der R. K. kerk. Want dit is het merkwaardige: ondanks de nadruk, welke Rome legt op het onfeilbare gezag der kerk, is binnen het raam der R. K. leer geen plaats voor de persoonlijke zekerheid aangaande eigen heil. Op het concilie van Trente (1545/'63), de grote kerkvergadering, waarop Rome haar positie tegenover de Reformatie scherp bepaald heeft, werd bij de behandeling van de leer der rechtvaardigmaking duidelijk uitgesproken dat deze zekerheid onmogelijk is. Zonder een speciale openbaring kan er geen volstrekte verzekerdheid zijn van eigen heil. En daarbij hebben wij dan te bedenken, dat deze speciale openbaring slechts bij uitzondering geschonken wordt en omgaat buiten de normale weg van W^oord en belofte en roeping, die tot de ganse gemeente uitgaan. Zij draagt dus een onmiddellijk en rechtstreeks karakter.

Dit betekent intussen niet, dat volgens Rome het religieuze leven slechts gekenmerkt zou worden, : door een voortdurende angst. Al direct mag er n.l. geen twijfel zijn bij de christen aangaande de objectieve grootheden : de genade van God, de verdienste van Christus en de werkzaamheid der sacramenten. Dat de genade door Christus verworven is en door de sacramenten wordt medegedeeld, behoort tot de dingen, die volkomen zekerheid hebben. Maar er is voor de gelovige wèl reden tot twijfel, als het gaat om de toepassing van dit alles op hem zélf. Het persoonlijk geestelijk leven kan zich dan ook slechts bewegen tussen hoop en vrees, •— niemand kan volkomen zeker zijn van het bezit der genade. W^ie dit weerspreekt anathema sit (hij zij vervloekt). In verband met deze beschouwingen van Rome zou een brede uiteenzetting van haar leer van de rechtvaardiging gewenst zijn.

Wij willen echter volstaan met het aanduiden van enkele hoofdzaken. De rechtvaardiging is bij Rome die daad Gods, waardoor Hij niet alleen de schuld der zonde vergeeft en de eeuwige straf kwijtscheldt, maar ook de mens inwendig vernieuwt. De nadruk valt daarbij op het laatste, 't Gaat om een werkelijk rechtvaardig wórden, om de heiliging en vernieuwing van de inwendige mens in een tot de dood voortdurend proces. Dit alles vindt zijn verwerkelijking door de instorting der rechtvaardigende genade langs de weg van het sacrament. Het Woord heeft daarbij slechts een ondergeschikte, voorbereidende betekenis. De sacramentele mededeling van deze genade vindt echter niet plaats zonder de medewerking van de mens, o.a. in het opvolgen der geboden en het oefenen van goede werken. Zonder deze medewerking, waaraan een betrekkelijk zelfstandige waarde wordt toegekend, kan de verkregen genade niet bewaard en vermeerderd worden. Het is dus mede van de m enselijke activiteit afhanl^elijk of de mens tot de volle zaligheid zal geraken, en daarom is absolute zekerheid uitgesloten.De menselijke zwakheid maakt haar onmogelijk. De mens zelf is de onzekere factor in het grote proces. Want wie zou b.v. kunnen of durven zeggen, dat hij ten einde toe volharden zal ? Volgens Rome is dan ook alle spreken over persoonlijke heilszekerheid een onderschatten van eigen menselijke zwakheid en een verlaten van die ootmoed, welke ons, gezien onze geringheid, past.

Er blijft dus bij Rome plaats voor een verfijnde werkgerechtigheid, een aanvullingsverhouding tussen genade en werken, hoezeer ook alle nadruk gelegd wordt op het feit, dat de medewerking van de mens niet los gezien mag worden van de genade. Bij Rome kan de mens practisch alleen uit zijn gedrag (afkeer van de wereld, streven naar heiliging) tot het bezit der genade concluderen, maar hierbij, gezien eigen zwakheid, hoogstens komen tot een vermoeden van dit bezit. In zijn twijfel mag de gelovige zich echter troosten met de garanties der kerk: haar werkzame sacramenten en goddelijk priesterschap. Zodoende wordt hij bewaard voor vertwijfeling.

Maar juist op dit punt kwam het tot een conflict tussen Luther en de R.K. kerk. Voor Luther was het de allesbeheersende vraag : ,,hoe vind ik een genadig God ? " Met God wenste hij vóór alles in het reine te komen. Daarop trok heel zijn innerlijke worsteling zich samen in zijn kloosterjaren. In deze zaak kon hij zich niet tevreden stellen met kerkelijke garanties; hij moest persoonlijk zekerheid hebben. En het vinden van deze zekerheid betekende voor hem de beslissende bevrijding.

Dacht Luther dan optimistischer over de mens en zijn mogelijkheden dan de R.K. kerk, die, zoals wij zagen, deze zekerheid uitgesloten achtte ? Wij weten dat het tegendeel het geval was. Hij dacht groter van God en stond juist sceptischer dan deze kerk tegenover de mogelijkheden van de mens. God was voor hem allereerst de gestrenge Heilige, Wiens eigen heilig en absoluut zijn en in Wiens licht alle eigenwaarde en eigen gerechtigheid verbleekt. Luther leerde, in onderscheid van de R.K. kerk, weer verstaan, dat in de rehgie alle dingen volstrekt worden. Tegenover God past ons slechts volstrekte deemoed, waarbij de mens voor zichzelf niets durft vragen, behalve — uit de benauwdheid des harten - dit éne : Gods genade! Genade als iets, dat geen mens ook maar in 't minst verdient; wèg met de goddeloze leer der verdiensten en met elke aanvullingsverhouding tussen Gods genade en onze werken. Zoals voor de heilige God onze deemoed volstrekt heeft te zijn, zo kan Zijn genade alleen maar volstrekte genade wezen. Alleen uit genade kreeg de verloren zoon vergiffenis. Er is maar één evangelie : de boodschap der absolute genade van de heilige God voor de volstrekt zondige mens. En die boodschap van het evangelie heeft tot inhoud : de vrijspraak van de goddeloze op grond van de gerechtigheid van Christus, die de onze wordt door het geloof, dat een gave van God is. De zonde wordt de berouwvolle zondaar vergeven, omdat de gerechtigheid van Christus hem wordt toegerekend. Zó komt de mens weer in de juiste verhouding tot God, wordt hij gerechtvaardigd. En zo is het geloof de korte weg tot de vrede en tot het heil. Wie in Christus gelooft is wèl geborgen ; hij is van zijn heil volkomen zeker.

Wij moeten hier afzien van een nadere uiteenzetting van de inhoud van Luther's leer der rechtvaardiging. Slechts een enkele opmerking moge nog gemaakt worden. Luther denkt bij de rechtvaardiging van de zondaar niet alleen aan een vrij en rechtvaardig spreken van de zondaar, maar tegelijk beslist aan een reëel recht­vaardig worden, aan de innerlijke vernieuwing, die God met het geloof laat aanvangen. Wanneer God de mens rechtvaardig verklaart, dan doet Hij dit met de bedoeling om hem ook rechtvaardig te maken. De gelovige is dus in een proces, — dat tot de dood voortduurt — van wezenlijk rechtvaardig worden begrepen. Christus werkt zich in ons uit als het principe onzer heiliging. Geloof, heil en heiliging zijn één. Zo is het geloof nooit zonder de werken. Geloof en werken zijn niet te scheiden, evenmin als branden en licht geven. De werken worden echter geen ogenblik tot een grond van de heilszekerheid. De goede werken, die, volgens Luther, vanzelf uit de inwoning van Christus in de mens geboren worden, zijn geen werken van de mens, maar van Christus, die in hem woont. De persoonlijke zekerheid rust alleen op het éne werk Gods in Christus. Zonder het geloof in dit éne werk zijn alle werken niets waard voor God. Maar in het geloof in dat werk Gods vindt het verontruste zondaarshart — óók vandaag — een volkomen vrede : „vertrouwende dit, dat Hij, die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op de dag van Jezus Christus." Zo is de grond der zekerheid alleen het uitzicht op de trouw en de genade Gods, terwijl de Geest des geloofs getuigt met onze geest dat wij kinderen Gods zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 oktober 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Luther en de persoonlijke heilszekerheid

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 oktober 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's