Onderwijs
Van een kleine eeuw geleden
II. De tweede stroming ging met dit laatste niet accoord. Wel werd erkend, dat er nadelen aan verbonden waren, wanneer er een financiële band gelegd werd tussen Staat en Bijz. School; ook onderschreef men, dat dit nadelig zou werken op de inwendige bloei van het Onderwijs; als niet meer alleen de liefde van het Christenvolk de school zou dragen, maar gedeeltelijk ook toelagen buiten de Christelijke hefde om, daarvoor moesten dienen, zou zeker die liefde kwijnen, maar het doodvonnis van de Chr. School, neen, dat zou, het toch niet behoeven te zijn. Dan komt deze tweede stroming op het tapijt met een kwestie, die de eerste niet heeft aangeroerd. Dat was de vraag van het recht. Het was onrecht, dat de Regering het Openbaar Onderwijs voortrok, dat alle burgers moesten betalen voor één soort school, terwijl degenen, die om des gewetens wil deze school niet konden aanvaarden, nu nog eens gedwongen werden extra voor hun school te betalen. Dat voelden ze als onrecht en in strijd met het rechtsbeginsel, dat gelijkheid voor de wet toezegt aan alle landgenoten.
Begon nu de Regering met het Bijz. Onderwijs te subsidiëren, dan zou de Staat daarmee het onrecht erkennen en het onrecht gaan herstellen:
Zodoende zou er naar deze mening meer gelijkstelling komen en de uitwendige bloei van het Chr. Onderwijs worden bevorderd.
Deze tweede stroming gaat dus een heel eind met de eerste mee, in ihet zien der gevaren, maar gaat niet accoord met de mening, dat subsidie ongeoorloofd zou zijn als een band tussen Staat en School, die afgewezen moet worden. Veeleer beschouwt men deze oplossing als rechtsherstel.
III. Er was nog een derde stroming. Dat waren de optimisten. Zij zagen zo goed als geen nadelen. Er was volgens hen helemaal geen sprake van het uitoefenen van invloed op de strekking van het onderwijs. Subsidie was geen gunst, maar het Bijz. Onderwijs 'had er recht op. Deze groep beschouwde subsidie als een teruggave van de gelden, voor het Openbaar Onderwijs opgebracht door al die mensen, welke van dit onderwijs niet gediend waren.
Zij waren niet bang, dat het geloof en de liefde zouden verminderen. Voor geloof en liefde zou nog ruimte genoeg overblijven om zich te uiten, ook als er subsidie verkregen werd.
Gebeurde het echter niet, d.w.z. kwam er geen Overheidssubsidie, dan achtte deze groep dit het grote gevaar, dat na enkele jaren het aantal Chr. Scholen zou verminderen, inplaats van toenemen. Zoals het tot dusver ging was het volgens hen uit een financieel oogpunt eenvoudig niet vol te houden, om de scholen te exploiteren.
Tenslotte werd op deze vergadering een motie aangenomen (maar niet met algemene stemmen) van de volgende inhoud :
,, De vergadering is van oordeel, dat aan het subsidiëren van de Chr. School, mits de zelfstandigheid der school niet belemmerd worde, geen bezwaren zijn verbonden".
In 1869 werd weer op een Algemene Vergadering der Chr. Onderwijzers over dezelfde zaak gesproken. Er was n.l. een voorstel bij het Bestuur ingekomen: ,,De Vereniging van Chr. Onderwijzers spreke uit, wat vanwege de Staat ten behoeve van het Chr. Onderwijs kan gedaan worden". De voorsteller(s) beschouwde(n) de motie van 1867 als het fundament, en nu kon men in 1869 de plannen gaan maken voor de bovenbouw.
Echter, zover was het toen nog niet. Weer waren er verschillende meningen. ,,Het enige, wat de Staat kan doen is, ons de volle vrijheid te laten behouden en zich niet met ons te bemoeien".
„De Staat moet ophouden te schoolmeesteren".
„De Staat moet zich op de hoogte stellen van het Chr. Onderwijs, dan zal hij de belemmeringen, die hij het in de weg legt, wel doen opruimen". De spreker, die deze laatste opmerking maakte, verklaarde zich vóór subsidiëring.
Krachtig werden weer gehoord dezelfde stemmen als in 1867. Streef toch niet naar subsidie, want het streven naar Staatssubsidie loopt uit op de ondergang van de Vrije School.
Aan het einde dezer besprekingen werd besloten, niet van de Staat zijn heil te verwachten, maar in de mogendheid des Heeren te werken om de gewetens van de mensen wakker te schudden door hen te bewerken met volksblaadjes.
Of deze beslissing ten volle klopt met de gehouden besprekingen, is als buitenstaander moeilijk uit te maken, vooral omdat we slechts beschikken over een zeer, zeer kort verslag der vergaderingen.
Maar dat het bij de voorstanders van een subsidie-stelsel in de grond der zaak ging om recht en om rechtsherstel, is hier toch wel wat uit het oog verloren. Immers wel verre dat hiermede de mogendheid des Heeren wordt uitgeschakeld, kwam het er voor hen op aan, dat de Overheid haar taak opvatte naar recht en gerechtigheid, juist als eis van het Woord van God.
In hoeverre onze voortrekkers van 1867 de gevaren juist of onjuist hebben gezien, moge ieder voor zich in deze tijd overwegen. Wij voor ons geloven dat het zaak is om in deze waakzaam en werkzaam te zijn. Het is nu eenmaal zo, dat ruimte in financiële zin, dikwijls verslapping op ander gebied tengevolge heeft. Daarvoor sprak ook de vergadering, een paar weken geleden in Woerden gehouden, ter aanbeveling van de Unie-Collecte, een duidelijke taal.
De zaak van het Chr. Onderwijs moet de liefde hebben van ons hart.
Daarom past ons bezinning, of het zo is. Ook nu nog, nu de verhoudingen zo gans anders zijn als in 1867.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 oktober 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 oktober 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's