Herderlijk schrijven
Enkele richtlijnen (slot).
7. ,,Daarom is het huwelijk, waarin man en vrouw door de belofte van trouw verbonden zijn, de enige plaats waar man en vrouw zich lichamelijk en geestelijk aan elkander ten volle kunnen geven. De geslachtsdaad staat onder de verantwoordelijkheid jegens elkander en jegens het gezin, dat man en vrouw willen stichten. Huwelijks- en gezinsleven staan in dienst van God en Zijn Rijk".
,,Daarom" luidt de conclusie in, die uit het voorafgaande wordt getrokken : n.l. de liefde, waardoor „de een zich ten volle voor de ander verantwoordelijk weet". Klaarblijkelijk is het om de verantwoordelijkheid begonnen. Op grond van het persoonlijk karakter van de verantwoordelijkheid, hebben wij reeds een en ander opgemerkt over deze ietwat overdreven uitspraak.
Een minder gelukkige redactie noemt verder het huwelijk een plaats. Er zijn waarlijk nog wel andere en beter geschikte termen om het huwelijk te omschrijven, met name om de gehele mens omvattende gemeenschap uit te drukken, de eigenlijke bedoeling van de conclusie. Zij wil immers zeggen', dat de intiemste huwelijksgemeenschap staat onder verantwoordelijkheid jegens elkander en „jegens het gezin, dat man en vrouw willen stichten."
Het gaat eigenlijk om deze laatste toepassing der verantwoordelijkheid.
Het is immers volstrekt geen nieuw gezichtspunt, dat de mens als zedelijk wezen verantwoordelijk is voor zijn ganse gedrag in de onderscheidene levensverhoudingen en wel vóór alles, en boven alles verantwoordelijk jegens God.
Zo is het ook geen nieuw gezichtspunt, dat deze verantwoordelijkheid jegens God ook in het huwelijksleven ten volle geldt. Juist op grond van deze verantwoordelijkheid, waren omtrent huwelijks- en gezinsleven nog wel enige herderlijke vermaningen te plaatsen, wier religieus-ethische strekking niet langs de intiemste aangelegenheden zou heenglijden. De Synode schijnt echter vóór alles deze aangelegenheden onder de verantwoordelijkheid van man en vrouw jegens elkander te willen behchten. Met het oog, |op de ontaarding van het huwelijk is dat verstaanbaar, doch het is zeer de vraag, of zij deze ontaarding op ,,verantwoorde" wijze bestrijdt.
Verantwoordelijkheid ook jegens elkander is zonder twijfel ook in deze aangelegenheid besloten binnen de aan alle mensen opgelegde zedelijke verantwoordelijkheid jegens God. Man en vrouw zijn als mens geroepen ook in het huwelijk zedelijk te leven. Helaas is' op dit punt veel misverstand en ongehoorzaamheid en dat in verschillend opzicht. Het mankeert niet aan duidelijke Schriftuitspraken die aantonen, dat ook de echtelijke gemeenschap een gave Gods is. En dan ligt het voor de hand, dat het gebruik dier gave onder zedelijke tucht staat, en dat het gebruik dier gave als zodanig ten onrechte als zondig veroordeeld wordt.
"Het moet ieder voorts eigenaardig aandoen, dat deze richtlijnen met geen woord gewagen van des mensen verantwoordelijkheid jegens God, maar wel spreken van een verantwoordelijkheid jegens „het gezin, dat man en vrouw willen stichten".
Aangezien verantwoordelijkheid op een zedelijke betrekking van persoon tot persoon ziet, zou men kunnen vragen of men verantwoordelijk kan zijn jegens een gezin, — en dan nog wel een gezin, dat men wil stichten.
Deze uitdrukking kan enige zin hebben, als men voor gezin kinderen leest. Dan zou zij dus wijzen op een verantwoordelijkheid jegens de kinderen. Niemand zal trouwens ontkennen, dat er omstandigheden en aangelegenheden kunnen zijn, die inderdaad terecht van een verantwoordelijkheid der ouders jegens hun kinderen doen spreken.
Deze verhouding is echter alleen reëel jegens de kinderen, die er zijn. En de ouders kunnen zich krachtens de ouderlijke verantwoordelijkheid verplicht achten jegens de kindden, die zij krijgen zullen. Zij kunnen krachtens die verantwoordelijkheid b.v. zich voornemen hun kinderen op te voeden in de vreze des Heeren.
Doch verantwoordelijkheid jegens het gezin, dat man en vrouw willen stichten, ter zake in dit punt genoemd, zou een medezeggenschap in deze zo intieme gelegenheid onderstellen van kinderen, die er nog niet zijn, of van onmundigen.
Zulk een onderstelling zou echter met het wezen van het huwelijk, deze twee zullen tot één vlees zijn, niet stroken.
Kortom de verantwoordelijkheid ,,jegens het gezin", kan alleen terug slaan op de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van de ouders. Wat men verder daaromtrent wil met die „verantwoordelijkheid jegens het gezin, dat men wil stichten", kan slechts betrekking hebben op de verhoudingen van welstand en overwegingen in verband met gezinsidealen en sociale, oöistandigheden, waardoor de uitgebreidheid van het gezin zou worden bepaald..
Alle overwegingen in verband met deze factoren zijn ter gemeenschappelijke verantwoording van de ouders. Deze factoren hebben een woordje mede te spreken, Hoch ook deze overwegingen behoren onder zedelijke en geestelijke controle te staan. Men vergete niet, dat overwegingen van die aard volmaakt in strijd kunnen komen met het geloof en zelfs goddeloos kunnen zijn.
Ten slotte is aan punt 7 nog een zinsnede toegevoegd : ,,Huwelijks- en gezinsleven staan in dienst van God en Zijn Rijk". Weer een voorbeeld van een zinsnede, die in haar algemeenheid niet veel zegt, omdat men dat objectief van het ganse leven kan zeggen. Dit had dus wel enige nadere toelichting mogen hebben. Het is toch alleen weer in het geloof, dat dit wordt verstaan en in het geloof, dat men leert dienen en leert zich onderwerpen aan de Wil des Heeren, in het geloof, dat men de levenskracht in de strijd en vreugde van de Dienst des Heeren ervaart.
8. „Omdat de zondige neiging zich zelf te zoeken alleen door de liefde van Christus wordt overwonnen, is het noodzakelijk, dat in gehoorzaamheid aan Hem, man en vrouw bereid zijn elkaar als medeerfgenamen van Zijn Koninkrijk te erkennen en elkaar te vergeven. In Zijn gemeenschap wordt ook de machtsstrijd van zijn kracht beroofd, omdat Hij ons geleerd heeft, dat slechts de meeste is die het meeste dient".
De tekening, welke de Schrift van de in zonde gevallen mens geeft, is waarlijk nog iets radicaler: Hij is een zoeker van zich zelf geworden. Die zelfzucht is zo algemeen en gewoon bij de mens, dat sommige moraalphilosofen daarin hun uitgangspunt nemen voor de opbouw van een naturalistische moraal. Zij is het tegendeel van het ideaal der liefde.
Niemand zal beweren, dat de liefde van Christus de zelfzudht niet overwint, zodat zij wordt verkeerd in een liefdevolle en opofferende gezindheid, maar dan moet er ook een levende betrekking tot Christus zijn. Het staat ook vast, dat echtelieden zulk een gezindheid nodig hebben te oefenen om elkander te verdragen en te vergeven. Immers als man en vrouw zich zelf zoeken en niet elkander, gaat dat tegen de natuur van het huwelijk in, welke immers in de wederkerige liefde is gelegen.
Waar nog iets van zulk een liefde woont, is ook nog iets van zulk een wederkerige gezindheid in het huwelijk waar te nemen. Hebben wij er niet reeds op gewezen, dat er nog wel goede huwelijken zijn onder hen, die zich niet onder de gelovige Christenen scharen ? Daarom zegt het huwelijksformulier zo terecht, dat God de getrouwden wil zegenen, ook als zij dit zelfs niet verwachten. Daarin treedt duidelijk aan de dag, dat de Heere God redenen uit zich zelf neemt ook in deze zaak en dat Hij het huwelijk dienstbaar maakt aan de vervulling van Zijn Raad. Als punt 8 echter bedoelt de voorwaarden van het Christelijk huwelijk te beschrijven, geschiedt dit op een wijze, die ons weinig geestelijk voorkomt. Het is noodzakelijk, wordt gezegd, elkander te erkennen als mede-erfgenamen van Christus' Koninkrijk, alsof het alleen maar om erkenning ging van een waarheid of situatie, waarin men verkeert, ook al wil men dat niet erkennen.
Zo kan men b.v. ten aanzien van de zonde spreken. Niemand is goed tot niet één toe. Dat is Gods waarheid, of men dit erkent of niet.
De Schrift leert ons echter nergens, dat alle mensen mede-erfgenamen van het Koninkrijk Gods zijn, of wij van dat Rijk burgers wensen te zijn, of niet. Nergens vind ik in de Schrift een God, die zit af te wachten, of wij zo vriendelijk zijn Hem te erkennen en van Zijn erfenis gebruik te maken.
Integendeel, de Christus zegt, niemand komt tot Mij, tenzij de Vader hem trekke. Dergelijke pelagiaanse voorstellingen als ten grondslag liggen aan uitdrukkingswijze van punt 8 behoorden in een officiële kerkelijke voorlichting vermeden te worden.
Zij die daarvoor verantwoordelijk zijn, zullen echter opmerken, dat er nog wat bij staat: ,,in gehoorzaamheid aan Hem".
Gelijk ! Dat staat er bij. Maar hebt gij ooit gelezen, dat Christus eist: ,,Gij moet elkander erkennen als mede-erfgenamen", of zalig zijn zij, die elkander erkennen als mede-erfgenamen van het Koninkrijk Gods ?
Of is het anders ? Is het niet zo, dat Hij geloof eist en gehoorzaamheid aan Zich Zelf. Dat Hij eist, dat men Hem erkenne als de Zoon van de levende God en Zijn Woord bewaart ?
Een gans merkwaardige toepassing van huwelijksethiek ligt in de volgende woorden ; „In Zijn gemeenschap wordt ook de machtsstrijd van Zijn kracht beroofd, omdat Hij ons geleerd heeft, dat slechts de meeste is, die het meeste dient"
Ten eerste gaat het in het Schriftverband niet over het huwelijk, maar over wie de meeste zal zijn in het Koninkrijk Gods. Ten tweede onderstelt men hier een machtsstrijd tussen man en vrouw, welke in het Christelijk huwelijk geen plaats heeft, omdat men zich onderwerpt aan de ordening van Christus.
Ten derde maakt dat woord in dit verband gezet de indruk van een dooddoener. Daar komt men toe, als men de door God gegeven plaats en orde van man en vrouw niet erkennen wil. Dan roept men bovendien de strijd eerst recht wakker. En als daarmede de nood van het huwelijk vergroot wordt, omdat mannen en vrouwen, die zich aan die door God gegeven orde niet willen onderwerpen, zich beroepen op herderlijke brieven van de kerk, dan zegt de kerk : Gij vrouw, gij wilt de meeste zijn, welaan dan moet gij ook het meeste dienen, of gij man, gij wilt de meeste zijn, dan moet gij het meeste dienen.
Ook deze herderlijke brief spreekt zo gemakkelijk over de dienst van God. Vgl. punt 9, dat wij niet meer bijzonderlijk zullen behandelen: „Hierbij moet ook bedacht worden, dat bij het opvoeden van kinderen vóór alles de opdracht is, de kinderen te leren, dat de bestemming van de mens gelegen is in de dienst van God". Dat is juist. Dat is onze bestemming. Maar de zonde staat tusen ons en onze bestemming in ! Reeds daarom is het voortreffelijker met het Huwelijksformulier te spreken van opvoeden in de vreze Gods. Een ander bezwaar komt bij ons op, als deze opvoedingstaak wordt achtergesteld bij ,,de verantwoordelijkheid om te handelen overeenkomstig de belangen van het gezin". Daarover werd reeds gehandeld in het voorafgaande.
Wij zijn n.l. van overtuiging, dat de hoogste belangen en daarin alle andere belangen van het gezin gediend worden door een opvoeding in de vreze des Heeren en dat een opvoeding, waaraan dit ontbreekt door ongeloof en ongehoorzaamheid in het allervoornaamste te kort schiet. En wij houden ons hartelijk overtuigd, dat ook in het huwelijk het woord des Heer en van kracht is: Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid en al het andere zal u worden toegeworpen.
Hoe gaarne zouden wij gezien hebben, dat de herderlijke voorlichting der Synode meer recht had gedaan aan de werkelijkheid van het geestelijk leven, zoals dat ook door de Schrift wordt getekend. Dit stuk roept telkens de klacht op, dat het toch zo niet is, terwijl de Schrift altijd weer noopt om te zeggen : Het is wel zo, maar ik heb er geen lust in.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 oktober 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 oktober 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's