Hoe wint U de buitenkerkelijke?
opdat ge eerlijk wandelt bij degenen, die buiten zijn. I Thess. 4 : 12.
GEEN STA IN DE WEG
Kwestie Huizen. MENSEN zo van het slag dat ze zelfs voor de Doop van hun lieve kind, geen stap in de kerk zouden zetten, lezen kerknieuws met Argus-ogen. Tenminste als in hun pers iets er van, meest niet het meest strelende, doorsijpelt. Is het geen sensatie, wanneer men in vacantie ergens in ons vaderland in een moderne streek gedurende een gesprek met een buitenkerkelijke geattendeerd wordt op de scheuring in de Chr. Geref. gemeente van Huizen. De jongste afscheiding ! Ook de laatste ? Ik geloof niet dat er in de talloze gescheiden kerken gejuicht is, toen dit prille nazaatje op kerkelijk erf verscheen. Wij spreken over deze separatie geen oordeel uit. We willen geen bewust-boosaardige opzet veronderstellen. In dergelijke aangelegenheden zullen betrokkenen toch wel iets in zich hebben van Luthers : „Hier sta ik, ik kan niet anders." De kerkgeschiedenis leert ons, dat Luther deze woorden wel niet gesproken heeft. Maar hij had het toch inderdaad kunnen zeggen want het typeert volkomen de situatie.
,,We verzwakken ons zo tegenover Rome", is het bezorgde oordeel van velen. Dat valt niet te ontkennen, al is 't tot daaraantoe. De eenheid van de Rooms-Katholieke kerk is in het licht van het Schriftwoord : ,,dat allen één zijn", minstens zo bedenkelijk als de verdeeldheid van het Protestantisme. Ik kan me indenken dat iemand zou zeggen, dat hij liever zwak is met het verbrokkeld Protestantisme dan sterk met de massieve ,,Catholica".
Zijn de ,,twee kerken, de ware en de valse, altijd zo licht te kennen en te onderscheiden van elkaar" als het slot van art. 29 van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt ? De Brés kende met de kerk van zijn dagen in ieder* geval niet zoveel kerken als wij. We mogen nimmer vergeten, dat er altijd een gezelschap hypocrieten vermengd is, om met de belijdenis te spreken, met de ware leden van de kerk. Deze geveinsden maken door hun aanwezigheid de kerk niet tot een valse kerk. Moeten we nu het uiterst toelaatbaar percentage hypocrieten gaan berekenen om te weten of we met een ware of valse kerk te maken hebben ? De kwestie is voor ons: wat is kerk, wat is secte ? Merkwaardig genoeg mangelt het ons vandaag aan de dag evenzeer aan tolerantie als aan tucht. Slechts het geloof weet beide te paren op een verantwoorde trant. In-tolerante tucht en tuchteloze tolerantie beide zijn aansprakelijk voor de verwarde situatie. De schone duiding : „pluriformiteit der kerken" kan de ellende niet verbloemen. Waarom spreekt men niet van de schizophrenie der kerken ? De Catechismus laat in zijn uitleg van 't geloofsartikel „de gemeenschap der heiligen" uitkomen, dat zowel aan het recht van het geheel als aan dat van de enkeling voldaan wordt. We lezen immers : ,,De gelovigen, alle en een iegelijk " In de valse kerk wordt te weinig, bij de secte te veel het inzicht van de inviduele gelovige ontzien.; Het gereformeerd Protestantisme moet leren én practiseren wat nu feitelijk kerkelijk denken is. Moet voor elk verschil van inzicht de eenheid van de kerk verbroken worden ? Is de zaak, waarvoor men zich inzet, ermee gediend dat men aanstonds efen eigen gemeenschap vormt ?
Deze vragen zifh temeer van betekenis als we het probleem van de buitenkerkelijken tegelijk in het oog vatten. Juist hen intrigueren de toestanden op kerkelijk terrein. We moeten deze interesse niet te hoog aanslaan. Zouden de kerken ooit geraken tot een indrukwekkende hereniging, dan is daarmee het vraagstuk van de buitenkerkelijkheid nog niet, zelfs niet grotendeels, opgelost. Voor velen is de verdeeldheid een uiterst welkome uitvlucht en een graag benutte gewetenspleister. We weten niet hoeveel ergernis tegen kerk en evangehe, bij de huidige stand van zaken een misleidend onderkomen vond in de ontevredenheid over de immer voortgaande verbrokkeling. Maar dit laatste mag geen reden zijn om nu de verdrietige en beschamende situatie te bestendigen.
Voor menige buitenstaander zijn de kerkengroepen Schriftgeleerden, die eindeloos twisten, evenals die uit Marcus 9 : 14—19. Zoals daar komt de aanleiding en tegelijk de feitelijke nood op de achtergrond.
Het indirect afstoten door allerlei kerkonwaardige practijken, is veelal een krachtiger actie, dan de directe aantrekking door evangelisatie en dergelijke. „Verhindert ze niet". Sterk geldt ook hier dat woord. We hoeven de buitenkerkelijken niet zo voelbaar en op het belachelijke af na te lopen. Het lijkt wel of we onze laatste huwelijkskansen dreigen te missen. We moeten om te beginnen deze lieden eens wat minder in de weg te lopen. De kerk is helaas zo vaak het eerste argument contra het Evangelie.
Te Thessalonica. Het verschijnsel is van oude datum. Paulus vermaant de Thessalonicensen tot overvloediger liefde onder elkander. Dat hield ook in dat men eigen dingen deed. Broederlijke liefde is even anders dan bemoeizucht en klaplopen. Er is gedacht, dat men in Thessalonica de wederkomstverwachting overspande, zodat men het werk er bij neerwierp. Later moest men — ontgoocheld als tallozen in de lange loop der kerkhistorie — naderhand aankloppen bij de buitenstaanders. Dergelijke activiteiten verhogen niet bepaald het respect en het prestige. Op deze wijze neemt de gemeente niet dagelijks in genade toe bij God en mensen. Over de innerlijke motieven, over het geheim van de christelijke levenswandel kunnen de buitenstaanders weliswaar moeilijk een oordeel klaarmaken, maar hun houding (Gr. schema) moet toch uiterlijk zo wezen, dat die buiten zijn er schande van zouden spreken. Er wordt toch al zo op u gelet. Bovendien is het funest, want deze mensen moeten juist gewonnen worden voor het Evangelie. Paulus meent niet dat we een ,,alsof-houding" moeten aannemen tegenover de buitenwereld, maar wel dat een getrouwe uitleving van het evangelie inderdaad ook de goedkeuring, althans de achting van de omgeving weet af te dwingen. Per saldo is toch de wet in de harten ook van deze mensen geschreven.
Altijd, overal en voor allen. Deze regel van de Apostel heeft zijn geldigheid vandaag en tot het einde der wereld. En niet alleen door overspannen wederkomst-verwachting' alleen op allerlei wijze kunnen we het geloof in opspraak brengen door een levenswandel, die waarlijk niet de legitieme consequentie van het Godsvertrouwen mag heten. Het is heus niet overbodig, dat we con amore aan deze aangelegenheid aandacht schenken, want het is onder ons de gewoonte wel eens om een beetje al te vlot alle critiek van de „overkant" te doodverven als vijandschap. Allemaal vijandschap. Dan nog de tekst er over : ,,de natuurlijke mens verstaat niet de dingen, die des Geestes Gods zijn", en zietdaar we hebben ons op een vrome wijze van betichting gevrijwaard. Petrus spreekt van lijden als een christen. Hij zegt, dat dit een genade is. Het is zeer te vrezen, dat deze genade als zoveel genade wel bizonder schaars geworden is.
De Parizeer. Christus verwijt het in de Farizeërs, dat ze anderen verhinderen in te gaan. „Die ingingen, hebt gij verhinderd". Dat is bizonder scherp gezegd. Als we ons hier goed in verplaatsen, duizelt het ons vanwege zo verregaande verantwoordelijkheid. „En zie, of er bij mij een schadelijke weg zij". Dat mogen we ons telkens afvragen ook omdat we broeders hoeder zijn. In Jezus' dagen streden de Farizeërs tegen het Evangelie, per slot van rekening vandaag evenzeer, maar als christelijke Farizeërs binnen de muren van de kerk. Prof. V. Niftrik heeft wel eens de laatste tijd een boekje van Herbert Kuhn getiteld „Michel" geciteerd. De buitenkerkelijkheid licht, bij monde van een gewonde man, hun doopceel: „Wij zijn niet de verloren zoon. Wij zijn de zonen van de verloren zoon.
De zonen van vaders, die God verlaten hebben. Toen wij geboren werden, waren zij allang op de terugweg of bij de zwijnen omgekomen. Toen werden wij geboren, in bordelen, waar zij hun goederen er door gebracht hadden. Uit hoeren, die om hun hals hingen, toen zij hun erfdeel verbrasten. Wij zijn niet naar een ver land getrokken, wij zijn in een ver land geboren. Wij zijn de kinderen van de grote hoer". Hier is dus de moderne heiden aan het woord. Hij is" in de totale vervreemding geboren. Maar wanneer het is zoals het hier beleden wordt, zou de situatie nog gunstig liggen. Immers de jonge man heeft er nog weet van dat hij de zoon is van de verloren zoon, Ihij weet ervan af, dat de verloren zoon een weg terug is ingeslagen. Want het laat zich indenken, dat de kerk als die teruggekeerde verloren zoon, dus in grote solidariteit, tot dit zijn kroost zich richt met de prediking, dat er een weg van terugkeer bestaat. Inderdaad is de ellende van de moderne heiden, dat hij het Christendom achter zich heeft. Hij heeft er weet van. Misschien staat de notie, die hij nog heeft overgehouden, hem meer in de weg dan zijn gebrek aan rechte kennis. Maar ik vraag me in de lijn van Herberts beeldspraak wel eens af, of we in de moderne mens niet veelmeer van doen hebben met de zoon van de oudste zoon ?
De kwestie is dus heel wat moeilijker en de kerk en het Christendom zijn in veel engere zin aansprakelijk.
Ruimt de stenen weg. Het mag ons een eer en vreugd zijn om metterdaad dé „weg des volks te bereiden" en daartoe „alle stenen weg te ruimen". Laten we onze verhoopte broeders niet ergeren door duizend pietluttigheden, temeer omdat zij op hun manier even kleinzielig zijn en op alle slakjes zout leggen, zodat ze nog minder vorderen dan die slakjes. Wij weten niet wie onze broeder worden kan. De diepstgezonken zondaar en de vijandigste godloochenaar wellicht. Bij de Parizeer is een grenzeloze minachting voor de medemens, die alleen goed is om hem in zijn godsdienstige topprestatie te bewonderen. De Parizeer wil gezien worden. Wil ook afsteken, opdat zijn kanji' sen stijgen. Zo waant hij tenminste. Het gaat de Parizeer om het applaus, niet om het heil van de massa. Gods kind daarentegen wordt uit de mensen verkoren en van de mensen verlost, om zodoende juist en werkelijk iets voor die mensen te zijn. Hij wordt immers gezonden tot de lieden. Waarvan hij verlost werd. De Heere kastijdt die Hij liefheeft, maar Hij heeft ook op het oog die Hij in Zijn wonderlijke liefde opneemt, want Hij kastijdt een iegelijke zoon, die Hij aanneemt. Zo moeten wij onze broederdijke liefde uitstrekken niet alleen tot allen die in het grote huisgezin zijn ingelijfd, ook de allerminste der broeders, maar bovendien tot die de Heere trekken wil. Laat onze levenshouding geen obstakel vormen. Wel een aanbeveling. Denk steeds : God ziet me overal. Maar ook : de naaste ziet me voortdurend. Wie is mijn naaste? vroeg zeker wetgeleerde. Hij wilde zichzelf redhtvaardigen. Trouwens dat is zijn hele bedrijf: zichzelf rechtvaardigen. Wie is mijn naaste? Een wettische, een tiheoretische vraag zo. Door zijn gelijkenis benadert Christus bet vraagstuk op een geheel andere wijze. We hebben naaste te zijn. In de wettische pnobleemr stelling zitten wij hoog en droog in de diepte te turen oif we iemand de eer kun nen aandoen hem onze naaste te noemen, maar in de evangelische oplossing nemen we de laatste plaats in en we zijn aller dienaar. Zonder wedergeboorte kan niemand Gods Koninkrijk. zien en evenmin laten zien. Die werd wed erom geboren, wordt innerlijk met ontferming bewogen, omdat hij innerlijk Christus heeft aangedaan, die de Barmhartigheid zelve is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 oktober 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 oktober 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's