De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Onderwijs

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Onderwijs

7 minuten leestijd

In de zeventiger jaren van de vorige eeuw. begonnen de voorstanders van de Christelijke School in het bijzonder aan te sturen op: Staatsrechtelijke gelijkheid van het Bijzonder Onderwijs met het Openbare. Zo men weet, was hiervan in die tijd nog geen sprake. Op de vergadering van C.N.S. werd in 1874 de vraag voorgelegd, welke eisen door de vereniging aan de wetgeving van de Staat moeten gesteld worden, om het Christelijk Onderwijs voor onvermijdelijke ondergang te behoeden. Er werd een commissie gevormd, om deze vraag in studie te nemen en er rapport over uit te brengen. Het resultaat was, dat de commissie voorstelde om te komen tot het restitutie-stelsel. 

Wat bedoelde men daarmee? Als er geen Christelijke Scholen waren, zo argumenteerde de commissie, zouden de gemeenten veel meer geld voor het onderwijs moeten uitgeven, dan nu 't geval was. Dus is het billijk, dat de Overheid dit meerdere, dat de voorstanders van het Christelijk Onderwijs aan de gemeenten uitsparen, restitueert aan deze mensen van de Christelijke School. Daardoor zou niet alleen de Christelijke School het bestaan mogelijk gemaakt worden, maar haar ook in staat stellen, duurzaam de concurrentie met het Openbaar Onderwijs vol te houden.

Dit rapport werd door de vergadering van C.N.S. aangenomen en doorgezonden aan de toenmalige Conservatieve minister van Binnenlandse Zaken, Heemskerk, waarbij men eerbiedig verzocht dat Z.Exc. bij het opmaken van het toegezegde Ontwerp Onderwijswet, met de inhoud er van rekening zou houden en het in toepassing zou brengen.

Vóór echter het regeringsontwerp bij de Kamer werd ingediend, lag er reeds een nieuw ontwerp bij de Kamer, en wel van het Kamerlid Moens, inspecteur van het L.O. in Utrecht. Dit ontwerp wilde : kleinere klassen, dus veel meer onderwijzers, hogere salarissen, stichting van 13 kweekscholen .— alle prachtvoorstellen, maar daardoor werden de kosten van het onderwijs onnoemelijk veel groter en terwijl de Bijzondere Scholen ook aan de nieuwe eisen zouden moeten voldoen, werd aan geen enkel bezwaar van de voorstanders van het Christelijk Onderwijs tegemoet gekomen.

Hoe zou men ooit zonder één cent uit de publieke kassen, aan dit alles kunnen voldoen?

In ditzelfde jaar 1876 kwam echter ook het regeringsontwerp van minister Heemskerk en daarmee was het ontwerp-Moens al spoedig van de baan. In dit ontwerp- Heemskerk was totaal geen rekening gehouden met het ingediende rapport van C.N.S. met betrekking tot het restitutiestelsel, integendeel leek het de voorstanders van het Christelijk Onderwijs, dat bij aanneming van dit ontwerp de strijd nog zwaarder zou worden. Toch moet tegelijk erkend worden, dat niet alle mannen van het Christelijk Onderwijs er precies gelijk over dachten.

Wat toch was het geval? Reeds in een vorig artikeltje wezen we op het verschil van inzicht ten opzichte van de verhouding Staat en School. Men kan wel zeggen, dat de meerderheid weinig moest hebben van Staatsbemoeiïng in het onderwijs. Zelfs geringe hulp wierpen velen ver weg, omdat men overtuigd was dat de Staat niet behoefde te helpen aan het bezoeken der Christelijke Scholen. Men achtte het compromitterend, wanneer de hulp van de Staat werd ingeroepen voor de Christelijke Scholen. Velen meenden, dat dan de weg gemakkelijk gemaakt werd voor het invoeren van de Leerplicht, die ze niet wilden. Nog heerste bij velen de stellige mening, dat bij hulp van de Staat de scholen zouden ophouden Christelijke Scholen te zijn.

Toen in 1885 op de Algemene Vergadering van de Vereniging van Christelijke Onderwijzers een inleiding gehouden werd over deze zaak, bleek wel dat ook toen nog de meningen al- of niet-Staatshulp, scherp tegenover elkander stonden. De inleider was van oordeel, dat het niet meer aanging te zeggen, dat de Overheid zich van alle financiële bemoeiïng met het onderwijs moest onthouden. Er kon toch niet volstaan worden met het verstrekken van onderstand aan niet- of minvermogende ouders onder de rubriek „Armenzorg". Veeleer moest gestreefd worden naar een financiële regeling, die gelijke rechten aan allen toekende. De Overheid houde daarbij toezicht op het peil van het onderwijs, regele het getal leerlingen per onderwijzer, lette op getrouw schoolbezoek en wake tegen leringen, in strijd met de goede zeden, en waar de particuliere inzichten ontbreken of ontoereikend zijn, daar zende de Overheid Staatsonderwijzers heen.

Deze gedachten zijn ons, mensen van de 20e eeuw, al heel vertrouwd, maar in 1885 was een dergelijke inleiding nog een knuppel in het hoenderhok. Zeker, meerderen wilden ook wel deze kant op, en vooral het idee van recht doen, van rechtsgelijkheid van alle burgers voor de Wet — ook voor de Onderwijswet, begon veld te winnen. Maar toch was het verzet bij sommigen nog zeer sterk.

Eén der opponenten was verbaasd, dat zulk een voorstel in de kring der Christelijke Onderwijzers werd gedaan en achtte het eenvoudig niet voor behandeling vatbaar.

Een andere collega drukte zich nog scherper uit. Hij kon niet begrijpen, hoe iemand in die vergadering de moed had, met zulk een voorstel te komen. Volgens de Heilige Schrift zorgen de ouders voor de opvoeding hunner kinderen. Hij schroomde niet, om de Staatszorg: onbijbels onchristelijk en onmenselijk te noemen. En de voorzitter der Vereniging meende, dat de inleider met beide benen stond buiten de ontwikkelingsgeschiedenis van het Christelijk Onderwijs.

De opponenten behoorden blijkbaar tot' hen, die eigenlijk volkomen scheiding wensten van Staat en School. Niet allen wezen echter alle Staatshulp af, maar wèl was er algemeen de overtuiging, dat ook bij financiële hulp, de Overheid zich niet behoorde te mengen in de interne en speciaal niet in de godsdienstige aangelegenheden van de school. 

Keren we nog even terug tot 1876. Een 8-tal antirevolutionaire leden der Staten- Generaal hadden een ontwerp-wijziging ingediend op het wetsontwerp-Heemskerk. Naast technische wijzigingen vroegen zij, dat het Rijk zou zorgen voor de salariëring van alle onderwijzers en ook voor de pensioenering.

Deze voorstellen zijn niet in stemming gekomen, want met de val van het ministerie-Heemskerk, was tegelijk het ontwerp-Schoolwet verdwenen en de nieuwe liberale meerderheid zou de zaken opnieuw aanpakken. En de leiding van de Onderwijspolitiek berustte bij de zo pas opgetreden Minister van Binnenlandse Zaken : Kappeyne van de Coppello. En van hem had de Vrije School weinig goeds te wachten. Drie jaar vóór zijn optreden als minister, voerde hij het woord in de Kamer over de invoering van de Leerplicht. Let wèl, de invoering van de Leerphcht, zonder dat aan de voorstanders van de Christelijke School recht gedaan werd. Een minderheid in de Kamer zag hierin vergroting van het onrecht en achteruitzetting van het Bijzonder Onderwijs, dat toch al met zo grote en zware moeilijkheden te worstelen had.

Maar om die minderheid bekommerde Kappeyne zich bitter weinig en nooit kunnen we het berucht geworden woord vergeten, dat hij bij die gelegenheid sprak : Dan zou ik bijna zeggen : „Welnu, dan moet die minderheid maar onderdrukt worden, want dan is zij de vlieg, die de ganse zalf bederft en heeft zij in onze maatschappij geen recht van bestaan". Dat hij dit ,,bijna" zou zeggen, doet weinig af aan de buitengewone hardheid van de uitdrukking in dit verband. Hij citeert ook niet letterlijk, want hij spreekt niet van de dode vlieg. Neen, dat kon ook niet, want die minderheid vertegenwoordigde dat Christelijk volksdeel, dat in volhardende en moeizame strijd opkwam voor het recht der Christenouders. Maar wèl blijkt ten duidelijkste, dat deze vlieg toch bestemd was om doodgedrukt te worden.

Dus wisten de voorstanders van het Christelijk Onderwijs wat hun van deze bewindsman te wachten stond. Ze hebben het ervaren in 1878.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Onderwijs

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's