Hoe wint U de buitenkerkelijke?
EEN ATTESTATIE VAN DE BUITENKERKELIJKEN.
En hij moet ook een goede getuigenis hebhen van degenen, die buiten zijn. 1 Tim. 3 vs. 7a.
Wat in geen kerkorde met zoveel woorden staat.
Men kan nu eenmaal niet alles in een kerkorde vastleggen. Trouwens men zou al spoedig vastzitten met de practische uitvoering. Maar niettemin blijft het een eis van het Woord, dat de ambtsdrager en met name de ouderling geen nieuweling alleen, maar ook niet iemand wezen mag, die bij de buitenwereld een slechte pers heeft. Wordt dit altijd voldoende overwogen? Zeker, het is moeilijk in een kerkorde zoiets vast te leggen. Want tot welke officiële instanties zou men zich moeten wenden? Tot het bestuur van een plaatselijke afdeling van de Dageraad? Of tot de plaatselijke voetbalvereniging? Maar we begrijpen opperbest waar het om gaat. Het is vanouds zo geweest, dat leesbare brieven van Christus óok door buitenstaanders worden ingezien. We lezen van de jonge gemeente, dat ze genade had bij het ganse volk. Ja, zelfs dat niemand zich dorst voegen bij de gemeente, maar dat toch het volk hen in grote achting hield. De zeven diakenen moesten een goede reputatie genieten. Trouwens Christus zelve steeg voortdurend in de genade bij God en de mensen.
Gewillig personeel. Men zou de indruk krijgen, dat het tegenwoordig juist een aanbeveling is om gekozen te worden, wanneer men een slechte faam geniet. Als ook de buitenwacht zo geestdriftig met de getuigschriften komt aandragen, vragen andere schijnvrome lieden zich ernstig af of zoiets niet erg suspect is. Onze oude reglementenbundel kende een typische uitdrukking. „In alle gemeenten, waar het personeel daartoe niet ontbreekt, zal een kerkeraad zijn. Gemeenten, die, door gebrek aan genoegzaam geschikt en gewillig personeel, geen kerkeraad kunnen hebben, of "Die moeten we nu precies niet hebben. Dat ,,gewinig personeel", waar er maar al te veel van is. De Reglementenbundel ligt op zolder, maar het „gewillig personeel" is nog niet opgeruimd. Het respect van de buitenwereld, daar kunnen we toch niet buiten. Het zal menigeen feitelijk een openbaring zijn, als zijn oren er voor open gaan, dat God in Zijn Woord een zo positieve taak, een zo grote zeggenschap toekent aan de buitenkerkelijke wereld. O zeker, men was wel gewoon een tikje te rekenen met het oordeel van de wereld. Het mocht niet al te dol wezen. Maar het werd meer gevoeld als een spijtige concessie dan als een blijde confessie. Eigenlijk moesten we die nemen, maar dat kan nu eenmaal niet, want de opspraak zou te fel wezen.
De kinderen dezer wereld. Christus is ons voorgegaan om de wereldlingen niet louter negatief te beoordelen. Wat waar is, dient gezegd te worden. ,,Indien gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, . "We zouden haast concluderen dat slechte bomen toch nog goede vruchten kunnen voortbrengen. Het is een ongerijmdheid, al is vanzelfsprekend waar dat deze goede daad in de volle zin van het woord niet goed mag heten. Het zal alleen de mens nog minder excusabel maken. Het feit ligt er in ieder geval, dat ouders toch bun kinderen nog goede gaven schenken. Hunsondanks. Want als de nood aan de vrouw komt, om van de man maar te zwijgen, deinst ze niet terug om haar eigen kind te koken. Dat zullen wel zeer gedegenereerde types zijn, zeer ontaarde moeders, meent u? Nog minder dan a-sociaal, bepaald een psychologische afwijking. Iets voor de courant „Stuitende kindermishandeling" Jeremia klaagt: „de dochter mijns volks is een wrede geworden". En verder ,,De handen der barmhartige vrouwen hebben haar kinderen gekookt". De barmhartige vrouwen! Nota bene. Anders zo begaan met het lot van de deerniswekkende stakkers. Ze hadden 't nooit kunnen denken, dat ze zo zouden zijn. Geen moeder kan zich daarin verplaatsen, als ze haar rose kindje knuffelt. De hand van de barmhartige vrouwen. Zelfs het bestuur van de weldadigheidsbazar. Ze hadden zich al gewaand in de hemel in het koor met de heihge engelen. Vooral na die vertroostende preek van ds. Goedmans, over Mattheüs 5 vs. 7: ,,Zalig zijn de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden". Hoe roerend sprak zijn eerwaarde nog over al de werken der barmhartigheid. En nu dit schandaal. Zou ds. Ontdekker dan toch gelijk gehad hebben met zijn preek toen over Psalm 73 vs. 22 c: „Ik was een groot beest bij U". Foei, wat was er veel over die preek te doen geweest. Die kleur was hard genoeg voor de mooie regenboog van modaliteiten, die zo troostrijk gespannen staat over de kerk. Het is algemene genade, dat ouders hun kinderen nog het beste toestoppen. Het is algemene genade, wanneer de philanflhropische vrouwen al hun meedogen en energie opbrengen, om de misdeelde te helpen. We kunnen van de kinderen dezer wereld veel leren op allerlei terrein. Maar laat ons nimmer vergeten, dat het gaven van algemene genade zijn. Laat ons ook nooit heimelijk algemene genade houden voor bizondere. We moeten koperen centen niet uitgeven voor gouden tientjes.
Het Humanisme. Deze overwegingen zijn zeker van belang. Want tegenwoordig wordt hardnekkig aan de orde gesteld de samenwerking van Kerk en Humanisme. Is er een gemeenschappelijk pand waarvoor we schouder aan schouder kunnen opkomen? Ik vrees, wanneer we aan inventarisatie toekomen, dat er bitter weinig overblijft. W^at we gemeenschappelijk hebben is zonde en schuld, is diepe verdorvenheid van ons hart. Elke onberaden, optimistische waardering van het Humanisme wreekt zich onherroepelijk. Het zachtaardige Humanisme, dat ons zo gazelle-achtig aankijkt, kon wel eens een wolf in sdhaapsvacht blijken. Dat we niet in een roofdier-staat leven, is Gods genade en er is alles aan gelegen dat we dit genadekarakter onderkennen van al het goede in deze gevallen wereld. Wat hebben ook zij, dat ze niet ontvangen hebben? We gaan toch wel over de schreef, wanneer we orakelen dat de ganse mensheid objectief in een veranderde situatie geraakt is door de kruisdood van Christus, Zoiets is wel de, consequentie van Earth's verkiezingsleer. Het ,,dwingt ze om in te gaan" is practisch : vertelt ze, dat ze in het Koninkrijk zijn. Kerk en Humanisme stoelen niet bepaald op éen wortel, al evenmin als Reformatie en Rome. Maar toch moeten we er op bedacht zijn dat juist de humanistische wereld door een zonderlinge goedheid Gods tal van trekken toont, die ons tot beschaming en exempel strekken. Het oordeel van de buitenstaanders is heus apriori niet verwerpelijk. We hebben ons dat aan te trekken.
Jaloersheid. Buitenstaanders, trouwens ook kinderen, verbazen ons menigmaal door een scherp, maar vooral raak oordeel. Misschien is het ook wel voor een deel dit, dat ze menigeen onderscheppen met de gedachte : „Ja, je hebt nu wel vrome'praatjes en geveinsde manieren, maar je hoort toch bij ons, je bent niet wezenlijk anders". Bovendien heeft ware genade het vermogen eerbied in te boezemen, terwijl juist wie terzijde staat daar bizonder gevoelig voor is. Die er meer midden inzit, is dikwijls zeer weinig critisch ingesteld. Vaak blijkt de intuïtie van de buitenwereld treffend gelijk te krijgen. Zodoende hebben ze een positieve taak in het kerkelijk leven. Wanneer we geen rekening houden met hun stem, ' slaan we een gevaarlijk spoor in. Het wordt heus wel gemerkt als iemands principe onbuigzaam als een ijzeren staaf blijkt in zaken-, die. tegelijk gans niet onvoordelig zijn voor eigen belang, terwijl bij enig risico van die belangen dat zelfde principe voor de dag kruipt als een lenige slang, die zich in duizend bochten wringt. God prikkelt Zijn volk tot jaloersheid door een volk te verwekken, dat gans geen volk was. Me dunkt, ik zie daar al de voortekenen van in het feit, dat de wereld rondom niet alleen een hoogstaand oordeel velt, maar bovendien soms op zo voorbeeldig niveau leeft, dat we alleen maar beschaamd en jaloers kunnen zijn. Onze leer dient versierd te worden met een godvrudhtig en ingetogen leven. Welaan, ook de dwaalleer is heel dikwijls dermate illuster versierd, dat we spijtig constateren, dat een dergelijke levenswandel een betere leer waardig zou zijn. Door de omwonende volken heeft God de Heere gedurig Israël getuchtigd. Geestelijk heeft Gods kerk in 's levens strijdperk een wolk van getuigen rondom. Droevig blind zijn we, wanneer we op deze heiligen niet voortdurend letten en wanneer we hun wandel niet ernstig navolgen. Maar anderzijds omringt ons een andere wolk van getuigen en we doen goed als we ons oefenen (en oefenen is iets anders dan improviseren) om altijd een onergelijk geweten te hebben bij God en de mensen. (Hand. 24 : 16). Gelooft u maar vrij, dat het voor Abraham en voor zijn zoon Izak diep beschamend was, om te worden terecht gewezen door een heidense Farao en door een heidense Abimelech. Een goede pers is voor een ambtsdrager en voor de gehele gemeente een zaak van heel wat meer importantie, dan men aanvankelijk geneigd is aan te nemen. Gods Woord is in dergelijke aangelegenheden zo onbetaalbaar nuchter. Alle overdrijving en alle overgeestelijkheid haat de Heere evenzeer als de ongelovige wereld dat doet. Een bewijs van slecht gedrag, verstrekt door de buitenkerkelijke wereld, is zonder meer geen vrij entree voor de hemel.
Niet doorvloeien. Het was ons een vreugd bij de bespreking van het „probleem" van de buitenkerkelijkheid te constateren, dat we deze groepen ook positief mochten waarderen. Ze zijn niet alleen object van evangeliserende bemoeienis, maar tegelijk ook subject van een beoordeling, waar de kerk geducht mee moet rekenen. „Ik heb over u horen spreken, " zei een Amerikaan tegen de Engelse politicus mr. Asquith, door President Wilson, door kolonel House en door uw vrouw". ,,Wat zei mijn vrouw ? " vroeg mr. Asquith. Men zou tot een ambtsdrager kunnen zeggen : „Ik heb over u gehoord van mensen, die nooit in de kerk komen, van trouwe kerkgangers en van kinderen Gods." Het zou ongetwijfeld vroom zijn te vragen naar het oordeel van de laatsten. Maar het zou zeer onvroom wezen het oordeel van de eersten niet te willen vernemen. Het is verheugend dat we op grond yan Gods Woord mogen wijzen op deze vertrouwenspositie, maar we zullen toch niet rusten om allen, die buiten zijn te bewegen om een heerlijker plaats in te nemen en een edeler taak te vervullen. ,,In het huis des Heeren geplant te zijn" is verweg het beste. Daarom willen we ook de oordeelskracht van degenen, die buiten zijn niet overdrijven. Het is mode in de kerk te menen, dat ze aan de overzijde de wijsheid gepacht hebben. De kerk is zichzelf niet meer. Methoden en stijl alles moet geleend of gehuurd wezen bij onze broeders, de buitenkerkelijken. Laat ons echter goed bedenken dat iedere theologisdhe generatie het in de onmiddellijk voorafgaande afkeurt, dat ze zo gebonden was aan de geest van de tijd, zo verslingerd aan de filosofie, die toentertijd de lakens uitdeelde. We kunnen in ieder geval wel eens rustig en ernstig overwegen of onze kinderen straks ook ons dat zullen verwijten. De kerk mag eisen methode, stijl en eigen geluid en karakter niet verloochenen voor zeer dubieuse winst.
„Anders krijg je de mensen niet!" „De moderne mens wil zoiets niet", zie dat zijn grove dooddoeners, waar we niet een, twee, drie voor opzij hoeven. Laten ze ons dan maar niet voor vol aanzien. Ik houd niet van een kerk en een evangelie, dat bedelt om mee te mogen tellen en om geëerd te worden voor en door de wereld. Christus geeft de vrede niet gelijkerwijs de wereld. Dat „niet gelijkerwijs de wereld" moet onze voortdurende aandacht hebben bij al wat we doen en laten, zeggen en verzwijgen.
,,De heiligheid is Uwen huize sierlijk". Die heiligheid moet het respect en de waardering van de wereld afdwingen. ,,Toen hieven zelfs de heidenen aan "
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's