De Hofnar van Gelre
Een verhaal uit het begin der 16e eeuw
„Toen heb ik medelijden met je gekregen. Wijntje, en heb voor je gebeden, dat de Heere ook jouw ogen eens mocht openen, opdat je een blik mocht slaan in je hart en de Heiland van zondaren te voet vallen. - — Maar, kom, ga nu maar rustig liggen; je zult je veel te veel vermoeien".
Wijntje toont zich echter verre van rustig en blijft in dezelfde houding zitten. ,,Maar weet ge dan wel wat ik je aangedaan heb ? " fluistert ze.
,,Ach ja, " zucht Anna, bij wie de herinnering aan de gevaren, waarin man en kind verkeren, weer levendig wordt Ach ja, maar al te wel. Laten we daarover 'maar liever zwijgen, want "
„Neen, neen, ik bedoel niet alleen dat van laatst; maar wat ik meester Occo nog meer heb aangedaan, vroeger? " herneemt Wijntje zenuwachtig, en laat er op volgen: ,,Weet ge wel, wie ik ben, vrouw Van Emden? "
„Wie je bent? Nu, dat 's me een vraag! Daarop kan de kleinste maat hier in Harderwijk een antwoord geven, zou ik denken. Je heet immers Wijntje, Wijntje van Dam!"
De ander schudt het hoofd. , , Ooh, ja, zo heet ik hier wel, maar dat is toch m'n eigenlijke naam niet. Ik heet Marijke en ben de weduwe van Occo Sytseszoon uit Emden daar nou".
Anna ontstelt hevig; ze deinst een pas achteruit en ziet Wijntje met saamgetrokken wenkbrauwen aan.
,,Dus !! vraagt ze heftig; „ben jij de vrouw van die neef van m'n man, die....? " Ze stokt in haar woorden.
„Zie je wel? " zegt Cornelis' moeder op bittere toon. „Als je me vroeger gekend had, zou je wel anders met mij gehandeld hebben! Dat dacht ik wel! Maar je zult niet langer last van me hebben!......"
Meteen slaat ze de dekens weg en wil de bedstede uitstappen.
Anna beheerst zich en houdt haar tegen. „Blijf, Marijke; waar wou je heen? Je hebt me bovendien verkeerd begrepen. Wel was ik pasjes even erg veraltereerd, maar laat ik je dit zeggen: als ik geweten had, dat je m'n niöht was, van wie m'n man me zoveel verteld heeft, ik had je alevel niet aan je lot overgelaten. En ook nu zal ik je niet minder goed behandelen. Ik heb leren vergeven. Je kent immers ook het „Onze Vader" en hebt zelf dikwijls gebeden: „Vergeef ons onze zonden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren? "
Marijke doet geen poging om op te staan. Schuchter en bedeesd vraagt ze:
„Ge vergeeft me nóg, nu ge mij kent? .... Kunt ge dat? Is het tóch waar? "
„Zeker, Marijke, alles; ook het bittere leed, dat jij en je man mijn Occo vroeger hebt aangedaan. — Ach, had je toen maar geweten, wat je deedt! — Maar... dat is nu afgedaan. Bid de Heere, dat Hij je ook moge vergeven".
Rijkelijk vloeien opeens de tranen uit Marijke's ogen, en aldoor 't hoofd schuddend jammert ze klaaglijk:
„Slecht ben ik!... Slecht!.... een catijf!.... Wach-arme! daarom komt dat alles over m'n hoofd? "
Dan vervolgt ze: „O, wat ben jij beter dan ik! Och, lacy, kon ik alles maar weer goed maken!
Vergeefs poogt Anna haar te troosten en tot rusten aan te manen. ,,Neen, och neen, " klaagt Marijke, „ik kan niet rusten, voor ik je alles verteld heb, wat ge weten moet. Mijn overleden man ben ik dat verplicht en ook — meester Occo. — Wil je me aanhoren ? " klinkt het smekend.
,,Nu, toe dan maar. Marijke", zegt Anna, terwijl ze op een stoel bij het bed gaat zitten. „Maar je dan niet erg vermoeien, hoor."
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's