ZONNEKLAAR
Ds. G. schrijft over „Het belijden der kerk" (vgl. Hervormd Weekblad d.d. 25 October 1952).
Hij begint in dit artikel met op te merken, „dat voor het herstel der kerkelijke gemeenschap in de Ned. Herv. Kerk nodig is het functioneren van de belijdenis als band van gemeenschap".
Dat kunnen wij met de secretaris van de Confessionele Vereniging eens zijn. Verder acht hij het van de grootste betekenis, dat de kerkorde daarover in art. X het nodige bepaalt.
Dit is o.i. een kwestie van opvatting, misschien zelfs een kwestie van smaak.
Ds. G. leest in art. X zonneklaar (!), dat de kerkorde de gehele kerk bindt aan de drie formulieren van Enigheid.
Het spijt ons heel erg, maar hoezeer wij overtuigd zijn, dat het zo behoorde te zijn, kunnen wij het in art. X niet zo „zonneklaar" uitgedrukt vinden.
Men kan de redactie wel zó voordragen, dat men het er voor houden zou, dat de weg van het belijden der kerk „wordt afgebakend" —• om de woorden van ds. G. te gebruiken — door de belijdenis der vaderen.
En wanneer men, dat in goed vertrouwen zo neemt, zou dit ook kunnen worden opgevat als binding aan de drie Formulieren.
Om echter in zulk een vertrouwen niet gedupeerd te worden en anderen niet te misleiden, zou het nodig zijn (of geweest zijn), dat ook de leiding, die de kerkorde heeft doorgedreven, en de leiding van daarna diezelfde opvatting hadden gehuldigd.
En dat is zeker niet het geval. Integendeel. Het toenmalige verzoek van de Gereformeerde Bond om binding aan de belijdenis zo duidelijk in de redactie op te nemen, dat men daaromtrent niet behoefde te twijfelen, is van de hand gewezen. Het heeft bovendien niet de minste steun gehad uit de kring van ds. G. Mogelijk, dat men het in die kring algemeen zo „zonneklaar" vond uitgedrukt ^- hoewel het daar niet ontbroken heeft aan waarschuwende stemmen, die bevreesd waren voor binding.
Ook afgezien van ,,toen" ontbreekt het tot nu toe toch aan verschijnselen, die er op wijzen zouden, dat men zelfs in confessionele kring met ds. G. van opvatting is, dat de binding aan de drie Formulieren „zonneklaar" door de kerkorde is voorgeschreven en dat daarmede ernst moet worden gemaakt.
Ds. G. schijnt het echter ook met zich zelf niet helemaal eens te zijn, want onmiddellijk laat hij er op volgen : ,,Dit kan natuurlijk alleen maar dan werkelijkheid zijn, als de gehele kerk haar belijdenis ook kent". En hij meent te mogen onderstellen, dat zulks niet het geval is. Ziedaar de „zonneklare" binding op nonactief gesteld, want men kent de belijdenis niet.
Iets verder schrijft hij : Men zou dan moeten beginnen met ,,alle ambtsdragers der kerk behoorlijk onderricht in de belijdenis der kerk te geven, en van hen instemming met de belijdenis te vragen".
Tot op zekere hoogte is het wel waar, dat de kerk voor een groot deel haar belijdenis niet meer kent — kerk dan genomen in de zin van ,,allen, die tot de Hervormde Kerk gerekend worden". Hoe onbetamelijk ook, geldt dat zonder twijfel ook van vele ambtsdragers en naar onze overtuiging zelfs van vele domine's.
Dat typeert gewis de ingezonken staat, waarin het kerkelijk leven verkeert, en men vraagt zich af, wat nuttigheid kan er zijn in al het werk, dat men overhoop haalt ?
Desondanks zijn wij het in het geheel niet eens met ds. G., want aangenomen, dat binding aan de drie Formulieren ,,zonneklaar" door art. X ware voorgeschreven •— hetgeen wij ontkennen - - dan nog zou het volstrekt niet „natuurlijk" zijn, dat zulk een voorschrift geen effect zou kunnen hebben vanwege het feit, dat velen de belijdenis niet kennen.
Wij laten nog in het midden, welk een vreemd kerkbegrip aan zulk een onderstelling ten grondslag moet liggen om nog te zwijgen van het feit, dat men een belijdende volkskerk wil.
Indien men geen effect van binding aan de belijdenis kan verwachten voor aleer allen haar kennen en ermede instemmen, kan men van zulk een effect wel afzien ad calendas graecas en de binding als een fictieve post beschouwen.
Daarentegen zou de kennis der belijdenis bij ambtsdragers en niet ambtsdragers allermeest worden bevorderd, indien de leiding der kerk ernst maakte met de binding aan de belijdenis. Als zij dat deed, zou het effect sneller en vruchtbaarder werken dan de heren wensen.
Bovendien vragen wij : Is ds. G. van mening, dat de Synode zich zelf aan de belijdenis der drie Formulieren gebonden acht en dit ook vordert van de onder haar verantwoording werkende raden en commissiën?
Of moeten wij aannemen, dat ds. G. ook bij de Synodeleden geen kennis of geen voldoende kennis der drie formulieren onderstelt, zodat ook in het beleid der hoogste kerkvergadering Art. X „natuurlijk" geen effect kan hebben ?
Dit voorschrift (Art. X) is volgens deze schrijver immers „richtlijn voor de ontwikkeling van het leven der kerk".
Als wij dit zo schrijven is het ons niet te doen om een discussie met ds. G. en nog minder om de houding van verschillende , , confessionelen" aan enkele uitspraken van ds. G. te toetsen.
Wij vragen ons alleen af, zien mannen als ds. G. dan niet, dat wij er naar de mens gesproken zó nooit komen ?
Houdt men het er waarlijk voor, dat de leiding aanstuurt op een functioneren van de drie formulieren van Enigheid, ten spijt van „Fundamenten en Perspectieven", ten spijt van het , , Dienstboek", ten spijt van het herderlijk schrijven over het huwelijk en ten spijt van zovele uitingen, ook in de officiële kerkelijke pers over het zestiendeeeuwse verouderde goed?
Heeft het de oprechte belijder van het geloof naar de Drie Formulieren niets te zeggen, dat een man als dr. Berkhof openlijk kiest voor Arminius als de geestelijke vader van de z.g. Midden-orthodoxie?
Wij zijn van oordeel, dat dr. Berkhof terecht bij de richting, welke hij met de term midden-orthodoxie aanduidt, de geest Van Arminius ontdekt, al verklaren wij die niet als een rechtstreekse afstamming van die voorman der Remonstranten.
Het lijkt ons uit historisch oogpunt beschouwd veeleer een verschijnsel, dat als een vrucht van Lutherse bodem moet worden gezien. De bijna geheel eenzijdige invloed vanuit het Lutheranisme op ons geestelijk leven in het algemeen en inzonderheid op de theologische ontwikkeling in ons vaderland gedurende meer dan een eeuw uitgeoefend, heeft zijn uitwerking niet gemist.
Het kan zelfs niet worden ontkend, dat met het oog op zekere stromingen in de Hervormde Kerk, met het volste recht van Lutheranisering kan worden gesproken. Dit verschijnsel openbaart zich niet alleen in een overigens aan het Lutheranisme eigene afkeer van al wat Gereformeerd is, welke afkeer zich bedekt of onbedekt ook in Hervormde kringen laat gelden en door sommige leidende personen niet onder stoelen of banken wordt gestoken. Niet alleen in die afkeer openbaart zich dat verschijnsel, doch ook in een toenemende neiging van Sacramentahsme. Van meet af, d.w.z. van het begin der reformatie af, heeft de Lutherse leer gewezen op de kracht van de genademiddelen als een daaraan eigene, daaraan gebondene, heilwerkende kracht, welke men derhalve alleen door het gebruik dier genademiddelen kan deelachtig worden. Heel duidelijk komt dit reeds uit in de Lutherse Avondmaalsleer.
In de loop der zestiende eeuw is het Lutheranisme steeds meer verwijderd van de leer ener absolute praedestinatie en hoewel het de leer der uitverkiezing (van de uitverkorenen, dus in positieve zin) niet ligt varen, verbond zij die aan de zoeven gememoreerde beschouwing der genademiddelen.
Het zwaartepunt kwam alzo te vallen op de genademiddelen en op het gebruik daarvan en dit moest wederom ten gevolge hebben, dat Pelagius opnieuw zijn duizenden zou verslaan. In de tijd van de Dordtse Synode was het officiële Lutheranisme reeds zover op deze weg voortgeschreden, dat de Lutheranen in de veroordeling van de leer der Remonstranten ook hun eigen leer veroordeeld vonden.
Is het nu wonder, dat de z.g. Middenorthodoxie, welke zich in verschillend opzicht verwant toont aan het Lutheranisme, naar Arminius opziet?
Het is waarlijk niet zo vreemd en wij zouden op meer verschijnselen kunnen wijzen.
Laat de mensen, die in de Hervormde kerk gereformeerd begeren, te zijn in de zin der Drie Formulieren van Enigheid, nuchter zijn en geen verwachtingen voor een gereformeerd kerkelijk leven koesteren van de Midden-orthodoxie.
Remonstranten en andere vrijzinnigen, gevoelt zij zich nader dan aan de belijders van de Drie Formulieren en zij heeft er menselijk gesproken volstrekt geen belang bij de Hervormde kerk bij deze belijdenis te bepalen. Zij is het met de meest centrale stukken van deze leer niet eens, stelt zich vijandig daartegen over en schuwt degenen, die haar aanhangen.
Nederlandse Hervormden zijn misschien toch wel wat anders dan Lutheranen, hoewel de Pelagiaanse neigingen niet alleen Lutheraans zijn en ook in Gereformeerde kringen voorkomen.
Het is wel mogelijk, dat zij toch wat anders denken dan de Lutheranen en in enige opzichten een ietsje meer gereformeerd, b.v. bij de ontdekking van symptomen, die nogal romaniserend aandoen en die niet vreemd zijn aan boven gememoreerde waardering van de genademiddelen.
Het is mogelijk, althans dat er zo zijn, maar de wijze, waarop de Synode dergelijke symptomen schijnt te beschouwen, getuigt nu niet bepaald van een kerkelijk beleid, dat zich oriënteert aan de belijdenis van de Drie Formulieren van Enigheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's