Een domine vertelt
XXIX Verschillende overgangen.
Schuin aan de overzijde lag de Holland- Amerikalijn. Welk een schouwspel, wanneer een der prachtige Oceaanstomers daar des avonds in volle illuminatie gereed lag voor vertrek.
De weerkaatsing van dit alles in de deinende waterspiegel herschiep dit ganse toneel als in een wonder, nachtelijk sprookje.
Eens zag ik op klaarlichte dag de „Karimatha" langzaam voorbij drijven, een geweldig ijzeren gevaarte, dat op weg was naar Ter-Sohelling, om daar, zo mogelijk, het goud weer uit de zee op te diepen, dat daar al vele jaren vermoedelijk lag verzonken.
(Wie had ooit kunnen denken, dat er later een dag zou komen, waarop ik datzelfde water niet meer zien kon, vanwege de oorlogsverschrikkingen, die zich daar hadden afgespeeld. Wanneer ik dan over de bruggen ging, keek ik maar liefst een andere kant uit).
Reeds bij de bezichtiging van de pastorie had ik wel begrepen, dat het zeer wenselijk zou zijn, het bureau in mijn studeerkamer zó te plaatsen, dat men niet elk ogenblik naar buiten keek. Het zou anders de aandaoht te veel hebben afgeleid. De „ruime uitzichten" werden toch wel in de predikatie opgenomen.
Wat vreemde gewaarwording anders bij aankomst in een grote stad ! Het is toch zo heel iets anders of men daar een bezoek brengt voor een paar dagen, dan of men er aankomt met.de gedachte: dit wordt nu mijn woonplaats.
De overgang was toch wel heel groot. Hier geen nieuwsgierige mensen, die u van boven tot beneden opnemen en het zo heel gewichtig vinden, dat er een nieuwe pastor is aangekomen. Wat doet die éne man meer of minder er toe ? Gij zijt „lucht" voor al die mensen.
Het gewichtigheidsgevoel van menige echte dorpsdomine zou hier direct al een hele knak krijgen.
Die de herdersstaf op wil nemen in een stad, moet toch wel goed weten wat hij doet. Het moet een besluit geweest zijn voor 's Heeren Aangezicht. Daar moet het uitgestreden zijn, dat de innerlijke drijfveer niet was, om grote dingen te zoeken en een weg van roem en eer na te jagen, daar men meende, hiervoor weggelegd te zijn.
Wat zijn toch grote dingen ? De dingen, die wij heden groot achten, zijn morgen vaak al onbeduidend geworden, Stadsdomine te zijn, het klinkt nog al gewichtig. Maar wat heeft een mens nu aan de klank ?
Men is ook geen greintje gewichtiger voor God, dan een pastor met 100 zielen ter zijner verzorging.
Men kan er dan soms ook zo wee van worden, wanneer men die nieuwbakken stadsdominees wel eens van de kansel hoort dazen bij hun intree :
,,Dat had vader of moeder nog eens beleven moeten !"
Dat bij de ambtsaanvaarding de gedachten van de jonge ambtsdrager ook nog wel even teruggaan naar het ouderlijk huis, dat is begrijpelijk, maar waarom die stad nu zoveel gewichtiger is ? Ach, die gewichtigheidsdoenerij !
Het ambt is gewichtig, waar het ook van de Heere ontvangen werd, hetzij in dorp of stad. Maar de man, die het bedient, is maar een doodgewoon schepsel, met dezelfde hebbelijkheden als ieder ander mens.
Hoemeer hij dat voelt voor 's Heeren aangezicht hoe beter het is.
Wij willen even vragen : Zijn de Gemeenteleden in de steden beter onderlegd dan in de dorpen ?
O, wat de dingen der wereld betreft, dan kan men in de stad meepraten. Men is op de hoogte van de nieuwste ,,snufjes".
Men is alleszins gelijk als deftig maar schrik als 't u belieft, niet, wanneer men vreemde woorden hoort radbraken.
Er zijn er ook onder de kerkgangers wel, die terdege op de hoogte zijn van films en filmsterren en die zo ,,en passant" ook nog wel eens een bioscoopje pakken ; al zullen zij u dat natuurlijk niet vertellen. Maar dat ziet gij wel, wanneer gij hen tot uwe ontnuchtering ontdekt onder de lange files van mensen, die daar menigmaal van 's morgens 6 uur af al stonden en op kaarten wachtten.
Wat de vragen van het godsdienstig leven aangaat, kunnen de stedelingen in de schoenen der dorpelingen niet staan. (Ik spreek natuurlijk over die steden en dorpen, waar de Waarheid nog van de kansels weerklinkt).
Velen onder hen kunnen zich van alles laten wijsmaken, inzake verschillende leringen, die in strijd zijn met de H. Schrift, omdat zij hopeloos onkundig staan tegenover Bijbelse zaken.
Neen, een pastor moet zijn verwachting van de stad niet te hoog spannen. Want dat valt bitter tegen.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's