De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Hofnar van Gelre

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Hofnar van Gelre

Een verhaal uit het begin der 16e eeuw

4 minuten leestijd

Marijke schudt haar scheef-hangend hoofd, de ogen droef en nadenkend ; dan begint ze met doffe stem :

,, 't Is lang geleden, wel twintig jaar en meer. Ik was de tweede vrouw van Onno, die nog een zoontje had uit z'n eerste huwelijk, Ogeüs, een klein, gebrekkig ventje. Wij woonden in Embden. In die tijd werd onze Cornelis geboren.

De zaken van Onno gingen niet al te best. Toen zochten wij op een andere manier geld te verdienen. Wij verborgen af en toe spionnen en vijanden van de Graaf in ons huis, en wonnen zo en op andere, min eerlijke wijze een aardig duitje.

Op zekere tijd kreeg men achterdocht tegen ons. Wij hadden juist weer een spion in onze woning verborgen. Mijn man ging toen naar z'n neef Occo en diens vader, om hun te verzoeken, de spion een poos te verbergen: ; want je moet weten, dat wij door de hof bij elkaar konden komen. Zij wilden niet, maar waarschuwden m'n man. Wel wisten wij de spion nog bijtijds te doen ontsnappen, maar men bleef ons toch wantrouwen.

Nu begingen wij een daad, die nog slechter was.

Ach ja, wij waren erg boos op jouw man en z'n vader, en meenden, dat zij voor ons de neus optrokken, omdat wij arm waren.

En wat deden wij toen, om ons te wreken en onze eigen baan schoon te vegen? Mijn man ging Occo en z'n vader beschuldigen van alles, wat wij zelf gedaan hadden. En, zoals ge weet, het gelukte hem. Occo's vader stierf spoedig daarop, en Occo zelf werd verbannen Ach, lacy !

Marijke houdt even de hand voor de ogen, snikkend ; dan gaat ze nauw verstaanbaar voort:

„Maar weldra begon men ons weer te verdenken. Daarom vonden we het maar raadzaam het land te verlaten.

Wij gingen toen naar Amsterdam. Maar hier begon ons lijden eerst recht. Alles liep ons tegen. Wij leden soms gebrek. Daarbij kwam nog, dat m'n stiefzoon Ogeüs, hoe jong hij ook was, alles begrepen had, en m'n man en mij, als wij erg in nood zaten, maar telkens sprak over uw ongelukkige man, die zo onschuldig was verbannen. Wij namen het de jongen kwalijk, maar nu moet ik zeggen: 't was toch goed van hem, ach ja, de jongen was beter dan wij. Wij wilden dit toen niet bekennen. Eens kreeg hij met z'n vader hierover hoge woorden, 't Gevolg was, dat Ogeüs wegliep. En we hoorden niets meer van hem.

Mijn man werd toen ziekelijk. Ik moest nu met een klein winkeltje voor ons drieën de kost verdienen.

De zieke werd niet beter. Nu kreeg hij wroeging over wat hij gedaan had. Voor dat hij stierf schreef mijn man nog aan meester Occo een brief en maakte ook een stuk op, waarin hij uw man aan alles, waarvan hij hem vroeger beschuldigd had, onschuldig verklaarde. Hij droeg mij op, dit meester Occo te bezorgen. Ook had hij vooraf nog zulk een brief aan zijn broer in Emden gezonden. Daarop is hij spoedig gestorven.

Waar moest ik heen ? Daar hoorde ik toevallig, dat neef Occo, na zijn verbanning, hierheen gevlucht en met jou, een wees, getrouwd was. Nu besloot ik naar Harderwijk te vertrekken. Ik dacht: daar kan ik evengoed als hier in Amsterdam een klein apothekerswinkeltje opzetten.

Op reis sprak ik met Cornelis af, dat hij in Harderwijk moest zeggen, dat ik Wijntje heet; want toen het er op aankwam, had ik nog niet zo dadelijk de moed je man onder de ogen te komen. Om mij niet te verraden, had ik Cornelis verzwegen, dat meester Occo onze neef is.

Nauwelijks had ik mij hier gevestigd, of daar vernam ik, dat neef Occo in 't geheim een Lutheraan was geworden. Nu vertelde ik alles aan pater Boudewijn Die had al een hekel aan jullie. Hij zei, dat ik ketters niet vriendelijk mocht behandelen en de brief van m'n man moest verbranden.

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 november 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Hofnar van Gelre

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 november 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's