De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een domine vertelt

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een domine vertelt

6 minuten leestijd

XXIX Verschillende overgangen.

Wat zijn er vele verenigingen, die de predikant wel eens zien en horen willen. „U komt toch ook ? " vragen zij dan ; „U heeft heus niet veel te doen !" Domine mag de avond openen ; desnoods ook de leiding hebben. Verder kan men het zelf wel. Doet men het eigenlijk, liever zelf. Domine mag naar de prestaties der jongeren luisteren.

Intussen : onverma!kelijk is dat af en toe niet. Men kan dan een humoristische overeenkomst ontdekken tussen sommige (let wel: sommige!) stadsmensen en de stadsmussen ze gaan voor u van het trottoir niet af ; maken hoogstens een paar zijsprongetjes, om meteen hun oude stand weer in te nemen.

De pastorie is in de grote stad niet meer het geestelijk verenigingspunt, in die zin, dat er veel bezoek komt, om met de herder te.spreken over geestelijke dingen. De woning ligt te ver weg meestal en al ware dat ook anders : de afstand tussen gemeentelid en pastor is over het algemeen groter. Dat is wel jammer, maar het is van zelf zo gegroeid.

Intussen wil dat niet zeggen, dat men de deur op de ketting of op de kier laat, wanneer een gemeenteliid domine even aan huis wil spreken.

Maar tijd voor een rustig, degelijk gesprek is er in de stad toch eigenlijk niet. De kring is te groot, te uitgebreid geworden.

Een ware tegenstelliing met de dorpspastorie, waarin de mensen zo genoegelijk bijeen kunnen zitten. Waarom ook niet ? De woning van de pastor moet ook zijn een soort ,,Gemeentehuis".

Daarom kan het eigenaardig aandoen, wanneer dominees bij intree wel eens zeggen tot de Gemeenteleden: „Ons huis staat voor u open, wanneer men er maar aan denken wil, dat wij de Zaterdag en de Zondag gaarne voor ons zelf houden en dat de avonden der week met catechisatiën en vergaderingen veelal bezet zijn".

Ik geloof dat zwijgen hier beter op zijn plaats ware geweest. De loop van het be­zoek, regelt men op de duur immers toch wel. 

De deur mag voor Gemeenteleden niet gesloten blijven. Vooral in een dorp niet. Het behoort bij het ambt, om de mensen geduldig en vriendelijk te ontvangen. Het is daar iets heel gewoons, dat er iemand bij u op bezoek komt je het eerste uur niet zegt, wat het doel van zijn komst is.

Wees dan ook niet zo ontactisch, om bijna direct naar dat doel te vragen, want doet gij dat, dan wint gij misschien een uur uit, om weer aan uw studie of aan wat anders te kunnen gaan, maar weet, dat gij zoeven een mensenziel, misschien wel een heel gezin hebt afgestoten.

Zeker, in de stad pleegt dit wel wat zakelijker toe te gaan. Daar worden de dingen over 't algemeen vlugger behandeld. Heeft het onderhoud lang genoeg geduurd, dan zegt domine : „Wij houden het dus maar voor afgesproken ? 

Wanneer men lange tijd in een stad stond en daar op zijn plaats was, dan drukt dat op ons een zeker stempel; wij deugen dan voor een dorp niet meer. Wij zijn te zeer gewoon geworden aan het snelle meelopen in de tredmolen ; wij zouden ona voor een dorp weer heel anders moeten instellen.

Met al zijn beslommeringen en bezwaren was mij toch de stadse arbeid lief geworden. Men kwam menigmaal dood vermoeid thuis en toch was het werk er niet zo'n sleur als in een dorp.

In de stad is het altijd weer wat anders. Men beleeft daar nog wel eens wat. Men hoort daar meer de harteklop van het echte wereldleven. Men windt er daar geen doekjes om.

Niet, dat dit zo aangenaam is, om te horen en te bemerken, maar het prikkelt tot actie er tegen in.

Wat heb ik mij vaak geërgerd, wanneer ik langs de haven liep en ik daar op schuttingen of op de muren der silo's las : „Vaderland leugen!"

Of wanneer daar arbeiders stonden te lanterfanten aan de weg en de een tot de ander wel eens zeide: „Arbeid adelt Jan !" En wanneer dan die andere dat, trouwens nu al lang weer afgezaagde bescheid gaf : „Ja, maar de adel arbeidt niet!"

Of wanneer aan de vertrekkende zeelieden de meest goddeloze vloeken door hunne „dames" hardop, over het water heen, werden toegeroepen.

Ik kan mij voorstellen, dat een ambtsbroeder zegt: „Dan zit ik toch maar liever in een dorp".

Het spreekt van zelf, dat er ook op de dorpen predikanten en zielverzorgers zijn moeten. Welnu, dat is dan todh altijd weer een roepingsquaestie. De Heere heeft overal Zijn arbeiders in Zijn wijngaard gezet. Hij leert hen ook wel waarvoor ?

Wel greep ons dikwijls vertwijfeling aan : ,,Waar zouden wij hier beginnen ? " ,,Hoe zouden wij die mensen bereiken ? " Het goddeloze wereldleven stoorde zich immers niet in het minst aan de Kerk en haar zwartrokken".

De jeugd bespotte u soms, wanneer gij des Zondags over de brug wandeldet in ambtscostuum naar de Wilhelminakerk.

Wanneer het stadion uitging na afloop van een voetbalwedstrijd, dan kwamen de duizenden u tegen op de straat en de onafgebroken rij van auto's belette u schier het oversteken van de weg, om kerkwaarts te gaan.

Dan twijfeldet gij er wel eens aan of onze ouden van dagen er in slagen zouden, het Godshuis te bereiken. Of er nog wel iemand daar binnen aanwezig zou zijn ; want immers de duizenden liepen voorbij op de dag des Heeren.

De schuifelende paradetred van Babels legioenen werd tot binnen in Gods Huis gehoord.

Dan kon „het" in ons ontsteken en ach ! ook weer wenen, dat Neérlands volk. dat Gods wetten bezat en nog een klein Zondagswetje voor het openbare leven, zó zijn Zondag vierde.

En dan wisten wij, wat er te doen was hier onder de zon en waartegen de stem moest worden verheven, en de ouders ten opzichte van hun kinderen moesten worden gewaarschuwd.

Dan was en lag daar werk voor ons ; werk in de vorm van protest bij de overheden der stad. Werk, ook in die zin, dat God de Heere ons onze roeping nog duurder op de schouderen bond, om toch nimmer te bukken voor de goden van de tijd.

En dan : (kunt gij het geloven ? ) Wat gaf de Heere ons menigmaal daar binnen nog een gezegende ure. Hij was aan die plaats.

En roept de vijand smalend (ook de vrome vijand !) : „En gij prediktet daar binnen uw troostje voor Gods volk en uw waarschuwinkje voor de onbekeerden ? "

Ja, dat geschiedde en wij hebben daar samen veel zorgen en noden, waarvan gij vijanden nog niet droomdet, voor het Aangezicht des Heeren gelegd !

De Heere verzekerde ons en toonde het ook wel eens, dat Hij nog volk in deze stad had.

De Evangeliedienaren wisten dan waarop zij, altijd weer, te wijzen hadden.

Onze christelijke huisgezinnen staan daar midden in de branding van het wereldleven.

Dienovereenkomstig worden er aan de prediking en het werk van de predikanten wel eens dubbele eisen gesteld. Maar de Heere geeft overal de kracht toe.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 november 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Een domine vertelt

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 november 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's