Uw licht komt!
„Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien". Jesaja 9 vs. 1.
De profeet heeft het hier in ons tekstwoord over een volk, dat in de duisternis wandelt. Als wij het venband nagaan, dan heeft hij het oog op het land Naphtali en Zebulon ; immers daar was het leven al zeer zondig en de ellende daardoor zeer groot; maar toch kunnen wij hierbij niet uitsluiten het overige van het volk Israël, omdat elders de donkerheid niet minder groot was en de afval van God en Zijn dienst zeker even sterk.
Maar als wij dan zien, hoe ook wij allen van nature in duisternis wandelen, niemand uitgezonderd, dan zullen wij moeten bekennen, dat nog, óok onder dezulken, die genade ontvangen, de duisternis van onkunde en twijfel, ja van ongeloof, nog groot is. Want het duister zal eerst volkom'en wijken bij het betreden van die plaats, waarvan geschreven staat: , , en aldaar zal geen nacht meer zijn".
De mens van nature wandelt in het duister. Wat wil dit toch zeggen? Dit: dat de mens van God vervreemd is ; afgeweken van Zijn geboden, is er zulk een afstand, kloof ontstaan, die ons van Hem scheidt, welke wij niet kunnen overzien. Hem nu. Die het licht is, ja de bron van alle licht, hebben wij de rug toegekeerd en wandelen daardoor van Hem af in het duister. Die verwijdering van God toch is een overgeven aan de vorst der duisternis, die niet kan toestaan dat éen zijner dienaren in het licht wandelt; want dit zou zijn eigen macht afbreuk doen. Steeds dichter doet hij het duister om en in hen worden. Tot zo een vorst hebben wij ons gekeerd, en als God ons nog niet geroepen heeft uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht, dan staan wij nog onder diens heerschappij, en dat dan in stikdonkere nacht.
Langs de brede weg gaan wij voort in de macht en het rijk van Satan, en als de Heere niet tussenbeide komt en het verhoedt, dan zullen wij straks neerstorten in de afgrond van de buitenste duisternis, waar wening zal zijn en knersing der tanden. Eeuwige smart, en dat verdiend.
En dat is des te treuriger, omdat wij, door onze blindheid en onkunde in geestelijk opzicht, er geen erg in hebben ; wij missen dat, wat nodig is om de duisternis te zien, n.l. ware zelfkennis en waarachtige Godskennis ; er is geen kennis van onze ongerechtigheid. Blind voor alles, wat de zonde teweeggebracht heeft, blijven wij zolang God zich niet over ons ontfermt. Medelijden hebben wij met een kranke, die zeer veel moet lijden, en toch, zijn wij er niet erger aan toe als zulk een kranke naar het lichaam? Wij toch zijn melaats van het hoofd tot de voeten ; maar door de duisternis, waarin wij wandelen, zien wij het niet.
Dubbel dus: duisternis in ons en om ons: Hoe diep is die ellende toch ! Maar dat vindt ook hierin zijn reden : „Wij hebben de duisternis lief". Wij willen van nature de dienst van de wereld liever, dan de dienst des Heeren ; wij zijn geheel lichtschuw, omdat in het licht onze ware gedaante wordt aanschouwd.
En nu is het gevaarlijk, in de duisternis te wandelen. Steeds zal het zijn een struikelen en vallen, ja, tenslotte een neerstorten om nooit meer on te staan. Dan de eeuwige nacht ! O, dat dat donker ons moge drukken en dat wij mochten leren roepen om licht !
Immers Gods Woord getuigt ons van ,,een groot licht". Licht en duister is verschil als tussen dag en nacht. Zou het verschil evenwel hier bij het licht en het duister nóg niet groter zijn? De donkerste nacht is niet geheel zonder licht, en daartegenover, op de heldere dag is er wel iets, waardoor het licht wordt getemperd.
Nu, dat Licht, waarin geen duisternis is, daarvan spreekt ons Gods Woord. Maar wat wordt met dat ,,Grote Licht" bedoeld? Er zou een betere tijd aanbreken voor Naphtali en Zebulon, waarin de ellende zou wijken voor de blijdschap, n.l. als de staf desgenen, die hen dreef, zou verbroken zijn.
Evenwel, wij hebben in deze woorden een Messiaanse profetie. Het is een aankondiging van de komst van Jezus Christus ; wat blijkt uit het volgende vers 5 en 6 en daarbij ook Matth. 4 vers 13, dat Jesaja's profetie vervuld is.
De Heere Jezus is dus het grote licht; een licht tot verlichting der heidenen. En zelf getuigt 'Hij : ,,Ik ben het licht der wereld". De ster uit Jacob, de Zon des Heils en der gerechtig heid, die opgaat over allen die de naam des Heeren vrezen.
Hij is het Licht, dat klaarder dan de zon schittert in de hemel en dat ook op aarde straalt van het Oosten tot het Westen. Waar zich ook Gods kinderen, de gelovigen, bevinden, ze zullen, door de stralen van dat Licht beschenen, leven en zich verblijden. Want door dat Licht wordt al het donker van de zonden verdreven.
Christus het grote Licht; en om dat voor dat volk te kunnen zijn, dat in duisternis wandelt, moest Hij uit de hemel neerdalen op de duistere aarde ; langs een weg van lijden en smart is Hij moeten gaan om voor een gans verloren volk toegang en opening te bewerken.
Hij, het grote Licht tot verlichting ; waar dat Licht komt, verdwijnt de duisternis. Wie niet meer bij zijn eigen licht durft voort te gaan, kan van dat Licht verwachten dat het hem de rechte weg aanwijst ; wie Hem volgt, zal in duisternis niet wandelen.
Hij, het grote Licht, de Zon der gerechtigheid, waardoor de Zijnen worden verwarmd. Door Zijn stralen beschenen, wordt het hart, dat als een stuk ijs is, verbroken en de koude der zonde moet wijken. Dan komt er in dat zondaarshart liefde, liefde voor de God des Lichts, liefde voor het Woord, dat een lamp voor de voet en een licht op het pad is. Kan het anders : er komt een afkeer van de duisternis, van de vorst der duisternis.
,,Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot Licht zien".
Wie zal kunnen bepalen de heerlijkheid van dat Licht! Wij kunnen nog niet eens de grote glans van het licht, dat heerschappij voert des daags, bepalen ; hoe zouden wij dan kunnen uitdrukken in woorden de heerlijkheid van het grote Eeuwige Licht, dat in Jezus Christus is verschenen? Geen duisternis is zo dik, of zij moet wijken voor het Licht van de Zon der gerechtigheid, als deze opgaat.
En dat Licht „zal gezien worden". Te weten, dat het Licht er is, is reeds groot, maar niet genoeg. Wij kunnen horen van het Licht en toch de duisternis blijven liefhebben ; ook is het niet genoeg Hem, die het Licht is, te zien met het lichamelijk oog, want dit brengt ons ook niet verder ; maar het moet worden een aanschouwen met het oog der ziel. De Heilige Geest is het, die het blinde zielsoog moet openen ; dan valt het Licht van de Zon der Gerechtigheid er in. Dan wordt onrust veroorzaakt en leert men zien, hoe het er mede staat; met vuile klederen bekleed, gelijk Jozua. Veel moet er gebeuren, voordat een, die altijd in het donker heeft verkeerd, het licht zal gaan liefhebben boven de duisternis. Daartoe is nodig de Heilige Geest, die het zondige van het wandelen in de duisternis laat zien. Als dat doordringt in de ziel, dan heeft men geen rust meer ; gij ziet de toekomst : vóór u de hel en boven u een toornend God, die u oordelen zal. Dan gaat de duisternis drukken, en wel zó sterk, dat gij gaat roepen om licht. Er komt een strijd, die, als deze in eigen kracht geschiedt, niet tot het gewenste doel zal leiden ; het moet worden een strijden in de kracht en de mogendheid des Heeren,
Overtuigd, meer en meer, door de werking des Heiligen Geestes van de onmisbaarheid van Jezus Christus, zult gij dan verlangen, steeds sterker. Hem te bezitten en te houden. Tot Gods wonderbaar licht geroepen uit de duisternis, dan ziet gij, dat in die Heere Jezus al uw heil, al uw zaligheid is te vinden. De wereld bevredigt u niet meer : alle schatten der aarde worden als niets geacht bij die schat, welke uw hart bezit.
Lezer, zalig is het zien van het grote Licht! Dan wordt de voorsmaak genoten van het leven boven, waar geen nacht meer zal zijn.
Die de duisternis van zonde en schuld heeft leren kennen en heeft leren roepen om genade tot God, zal steeds weer blijde zijn als het hem verkondigd wordt: „uw Licht komt" ; als hij mag staan op die plaats, waarvan het getuigd is : ,,aldaar is u geboren Jezus de Zaligmaker, het Licht der wereld".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 november 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 november 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's