LITURGIE
I.
't Lijkt zo'n onschuldige zaak. De kerkdienst, zo zegt men, moet toch een verantwoorde votm hebben. En wat geeft het nu uit beginseloogpunt of er zittende, knielende of staande gebeden wordt? En wat geeft het nu of er een vers zus of zo wordt gezongen, en zo komt men van de ene „kleine" verandering in de andere, en wat biijkt ten slotte? De preekstoel is ergens terzijde gemanouvreerd en de Avondmaalstafel staat in het middelpunt en we zijn inplaats van een gereformeerde kerk, een roomse kerk geworden. Voor de duidelijkheid zou ik het nog wel een beetje krasser willen zeggen : wij zijn inplaats van een christelijke kerk, een heidense tempel geworden. Dat gevaar zie ik in de liturgische beweging, die deze zomer in het middelpunt gestaan heeft door het geval ds. J. Loos, doch die op het ogenblik nog eVen rustig doorwerkt om de Hervormde predikanten en gemeenten voor zich te winnen.
Misschien mag ik een ogenblik de aandacht van mijn lezers hebben om het bovenstaande een weinig toe te lichten.
Ten eerste de belangrijkheid. Ik wil graag voorop stellen, dat er heel wat veranderingen in de laatste jaren zijn ingevoerd, die van geen ingrijpende betekenis zijn. Sommige daarvan zijn in mijn ogen zelfs verbeteringen, b.v. als de dienst door de predikant met het votum begonnen wordt en er van het begin afaan, die stilte onder de dienst is en dat op tijd beginnen en gelijktijdig beginnen, dat bij een kerkdienst past. Wat is het storend, als na het votum nog een gedeelte der kerkgangers binnenkomt. Volgens mijn ervaring is de beste bevorderaar van het op tijd beginnen een klein lampje, dat enige minuten vóór het aanvangstijdstip begint te branden. Dat heeft in menige gemeente al miraculeus gewerkt en doet veel meer kracht dan de krachtigste vermaningen van de meest gevierde predikers. Daar zijn ook veranderingen, ingevoerd, die alleen maar veranderingen zijn, en ook wel zulke, die in mijn oog verslechteringen zijn, zoals b. v. het veeltijds opzij zetten van de voorlezer. Zo oud als de kerk is, oefende de voorlezer zijn ambt uit en nu moest de gemeente ineens uit die kleine plaats, die haar nog gelaten was, verdwijnen. Ik had liever gewild dat het tot een eer voor de gemeente was gemaakt om de beste lezers daar neer te zetten. Maar naast deze menigvuldige veranderingen, die de hoofdzaak van de kerkdienst niet willen aantasten, bestaan er ook nog andere. Die hingen samen met een streven om onze kerkdiensten van wezen te doen veranderen. Wij zijn als gereformeerden geleerd, dat het Woord de voorrang heeft boven het sacrament. Men wil ons nu brengen in een kerk, waarin het sacrament de voorrang heeft boven het Woord. Daarvan schreef ds. F. W. Golterman in zijn boek „Liturgiek" : ,,deze controverse is ernstig te nemen en is door iemand eens genoemd een aanleiding tot een nieuwe richtingsstrijd, die wel eens fundamenteler zou kunnen blijken dan de nog steeds niet geheel overwonnen strijd tussen rechtzinnig en vrijzinnig".
Dit over de belangrijkheid van de strijd tegen de liturgische beweging, die wat anders van de kerk wil maken. Ik meen dat ik hier een leerzame opmerking aan kan toevoegen. Hoe is men tot deze overgang naar de roomse lijn gekomen? Dat kwam niet ineens. Het is hiermee begonnen, dat men niet meer wist, wat men preken moest. Ik geloof dat tientallen predikanten daarover in een pijnlijke onzekerheid verkeren. Daarom vinden zij het ook heel niet zo erg, dat er van allerlei gepreekt wordt. Misschien -- zo denken zij — wordt op deze wijze de juiste prediking toch nog gebracht, n.l. door ieder wat. En zo ziet men het gebeuren, dat in een stadskerk of in een dorpskerk in vacaturetijd op tegenstrijdige wijze het evangelie wordt verkondigd. Wij, die in alle ootmoed een zekere overtuiging hebben omtrent de Waarheid, die gepredikt moet worden, de waarheid, die omtrent de Waarheid getuigd moet worden, moeten ons daarover nogal eens laten uitlachen. Soms is die lach goedmoedig en soms kwaadwillig, doch de lach is er vanwege de bevreemding, dat iemand zou weten, wat er gepreekt moet worden, terwijl de besten onder hen er zoekende naar zijn. Evenwel, dat niet weten voldoet niet. In die onvoldaanheid zijn ze óf bij Barth óf bij de liturgie terecht gekomen. Ja maar, zegt misschien iemand, daarmee is toch het vraagstuk niet opgelost van hun prediking? Wacht even, zeg ik, dat is nu juist iets, wat ik u met nadruk wilde zeggen. Wij zijn geleerd, dat het in het kerkgaan niet zit. Dat is ons zó goed geleerd, dat sommigen denken dat het in het thuisblijven zit. Wat toch echt niet waar is. Het kerkgaan is van een veel hogere waarde dan er onder ons aan pleegt te worden toegekend. Maar de kerkgang zonder meer brengt ons niet in de zaligheid. Schrift en Belijdenis maken ons bekend en als de bovengenoemde predikanten gehoorzaam waren aan de H. Schrift en in gemeenschap leefden met de Belijdenis, zouden zij dat ook weten •— dat de weg tot de zaligheid gelegen is in de vereniging met Jezus Christus. Deze vereniging heeft plaats door de H. Geest in een weg van ontdekking, roeping, wedergeboorte en rechtvaardigmaking door het geloof. Neen, roepen nu de mannen en vrouwen van de liturgische beweging, die weten wat zij doen : deze vereniging heeft plaats door 't bijwonen van de kerkdienst. Men kan in onze dagen zo nu en dan de opmerking horen, dat de Hervormde Kerk in z'n geheel een secte dreigt te worden. Zij zal dat worden — schrijft men •— als ds. J. Loos en zijn vrienden niet ,,gewijd" mogen worden. Een secte is nu een groep, die maar een stukje van de waarheid heeft. De waarheid, die wij dan zouden blijken te verwerpen, is te vinden in de Russische Kerk en in de Engelse Kerk enz., en ook in de Roomse Kerk, doch daar zijn bovendien een paar dingen, waar Newman en Van de Pol eerst rijp voor moesten worden en waar op heden ds. Loos en de zijnen ook nog niet rijp voor zijn. Wat is die Waarheid? Dat Christus met al Zijn genade in je hart komt door het bijwonen van de kelkdiensten. Wat gebeurt er in zo'n kerkdienst? Daar speelt men toneel. Dit heilig toneel kunnen alleen de „gewijde" priesters spelen, vandaar de noodzaak der wijdingen. Welk stuk voert men daar op? Daar voert men de menswording van de Zoon Gods op. Voor ons heeft die menswording éénmaal plaats gehad door de werking des Heiligen Geestes in de verborgenheid, waarvan de evangelist getuigt: „Het Woord is vlees geworden". Best, zeggen de mannen, zonder welke wij een secte zouden zijn, maar die menswording moet worden herhaald in elke kerkdienst. Daarvoor nu moet een geheel van handelingen worden verricht en heel precies verricht, opdat de menswording van Christus, het inkomen van de Zoon Gods in deze wereld, recht worde opgevoerd of uitgebeeld. En waar moet die geregelde opvoering toe leiden? Hiertoe, dat elke deelnemer aan de kerkdienst, zo'n deelnemer noemt men een gelovige, met Christus verenigd wordt. Die vereniging geschiedt niet in een weg van ontdekking, roeping, wedergeboorte en rechtvaardigmaking van ieder persoonlijk, dus niet in een weg van bekering, maar in een weg van één keer per Zondag naar de kerk en eens per jaar is tenslotte ook nog goed.
Begrijpt u nu, dat men ineens van de grote vraag af is, wat men preken moet? De preek is een begeleiding geworden vaa het drama, dat in de kerk wordt opgevoerd. De zware druk is van de domine af. H^ heeft zijn liturgieboek maar goed te lezen of te zingen, al naarmate de orde vaa dienst, die hij gebruikt. Want dat mag ik nog wel even opmerken ten behoeve van de predikanten onder onze lezers, die somwijlen neiging zouden gevoelen om b. v- eens een ander formulier voor het Heilig Avondmaal te proberen, dat zij er om moeten denken, dat b.v. Formulier III heel anders, op een heel andere toon gelezen moet worden dan ons oude Avondmaalsformulier. Dat heb ik gelezen in ,,Kerkedienst", 17e jaargang, no. 2, Maart 1952, blz. 65, waar dr. E. van der Schoot schrijft; „Bovendien stelt deze orde van dienst aan predikanten, die aan de Universiteit weinig of geen liturgische scholing hebben gehad, zeer hoge eisen. Men moet dit léren doen. Wie b.v. de Avondmaalshturgie (dankzegging, inzettingswoorden, gedachtenis, gebeden enz.), maar net zo zou lezen als eventueel een didactisch formulier als b.v. ons klassiek gereformeerde Avondmaalsformulier, doet het ten enenmale niet juist. Ieder van deze afzonderlijke elementen vraagt een eigen toon —, een toon, die men m.i. (als het ons aan de Universiteit niet nader bijgebracht is), moet trachten te vinden door inhoud en karakter van bedoelde • elementen zich te realiseren en op zich in te laten werken. Als ergens blijkt, dat de liturgie een kunstwerk is, dan hier".
Denk er dus om, collega's, dat ge eerst een diploma als voordrachtskunstenaar machtig ziet te worden. Van de apostel Paulus staat, dat hij sprak : ,,hoe ik niets achtergehouden heb van hetgeen nuttig was, dat ik u niet zou verkondigd en u geleerd hebben, in het openbaar en bij de huizen, betuigende beiden Joden en Grieken de bekering tot God en het geloof in onze Heere Jezus Christus". De apostel heeft toch blijkbaar wèl wat achtergehouden, want wij lezen er niet bij hoe hij dat kunstwerk van een liturgie heeft opgevoerd !
Laat mij nog even op een verhelderende parallel mogen wijzen. Wij, die de gereformeerde prediking liefhebben, betreuren het ten zeerste, dat de prediking in één kerk en van één kansel soms zo tegenstrijdig is. Wij menen, dat het tegen de Schrift is om telkens een ander evangelie te verkondigen. Gal. 1 vs. 9. Dat komt, omdat wij in de Schrift lezen, dat het geloof is uit het gehoor. En nu begrijpt u de parallel reeds. De tegenpartij in deze betreurt het als er telkens een andere liturgie in één kerk wordt gevolgd. Het is funest, als de orde van dienst wisselt! U voelt, de liturgie is de hoofdzaak. Dus schrijft dezelfde dr. E. van der Schoot: ,,In ieder geval bedenke men dat het hoogst ongewenst is, dat dezelfde gemeenteleden op een steeds variërende orde van dienst worden onthaald".
Maar het schijnt wèl als gewenst beschouwd te worden dat dezelfde gemeenteleden op een steeds variërende prediking worden onthaald, want het is eigenlijk verboden om dominees na te lopen, of niet?
Maar, zal iemand zeggen, is het niet een beetje kras om in de invoering van de liturgische beginselen uit de Oosterse Kerk terugval in het heidendom te zien? Ik meen van niet, en 'k wil u zeggen waaróm ik dit meen. Daar wordt in de Oosterse Kerk een drama, een verborgenheid, een mysterie opgevoerd. Dat geschiedde ook in de mysteriën, die oudtijds bij sommige heidense tempels werden gehouden. Daar werd het lid van dat heidense genootschap ook ingelijfd in het leven van zijn god, door een heel drama. De priesters, die daar een heilig toneel opvoerden, brachten de genade van het eeuwige leven daardoor in de mensen. Hetzelfde gebeurt toch in feite in de orthodoxe liturgie. Men komt niet meer in Christus door het geloof, doch door de kunstige handelingen der kerk. Ieder weet hoe men in de kerk van Rome van het geloof een toestemmen van een zekere waarheid heeft gemaakt. Dat geloof heeft weinig te maken met het geloof dat de Heilige Geest in ons werkt en dat beschreven staat in Zondag 7. Dit is geen Christendom meer, maar het is bij allen, die de liturgie en de sacramenten voorop zetten, aan een heidens mysterie glelijk geworden. De voorstanders van de overneming der liturgische denkbeelden uit het Oosten mogen hiertegen sputteren, maar waar blijft het.
't Ware alleen te wensen dat zij het zelf zagen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's