De Paradijsmens
De paradijsmens van de nieuwe theologie heeft op de aarde nooit geleefd. Hij is geen historische figuur. Waar hij dan wel heeft geleefd ?
Dat moet gij niet vragen, want dat is de bedoeling niet. Deze paradijsmens is trouwens slechts een ding, dat in de hersenen rondzweeft dergenen, die niet tevreden kunnen zijn met hetgeen ons in de eerste hoofdstukken der Heihge Schrift wordt medegedeeld.
Waarom zij daarmede niet tevreden kunnen zijn ?
Omdat het niet past in het kader, dat door de vooronderstellingen van de nieuwe theologie wordt bepaald, gelijk dat althans het geval is in die van K. Barth.
Deze toch poneert een onoverbrugbare klove of distantie tusse God en de wereld, als ging het om twee volmaakt buiten elkander bestaande levensgebieden, welke worden aangeduid als eeuwigheid en tijd.
In de eerste plaats verraadt zich hierin nog een trek van het deïsme, dat de weg baande voor de moderne verlichting door God op nonactief te zetten en uit te sluiten van bemoeienis met de aardse aangelegen heden der mensen.
Nu zij in de eerste plaats opgemerkt, dat de Schrift ons diep ontzag afdwingt voor de verheven Majesteit Gods en leert, dat het Wezen Gods onuitsprekelijk verheven is boven Zijn schepsel, en dat wij van ons uit, die distantie niet vermogen te overwinnen en in de hemel niet kunnen indringen.
In zoverre is er dus een waarheidsmoment in de bovenaangehaalde vooronderstelling der nieuwe theologie, want die distantie tussen God en Zijn schepsel is er. En in zoverre onderschrijven wij dat met haar.
Doch wat doet nu deze nieuwe theologie ? Zij stelt de zaak zó, alsof tijd en eeuwigheid zo onafhankelijk gescheiden zijn, dat de tijd niet in de eeuwigheid kan indringen, maar omgekeerd ook de eeuwigheid niet in de tijd kan ingaan.
Zulke gedachten zijn waarlijk niet anders dan wijsgerige stellingen, want als de Schrift het eeuwig wezensonderscheid tussen Schepper en schepsel leert, leert zij nochtans, dat God, de Heere, in gemeenschap treedt met de mens der aarde, zelfs met de gevallen mens, dat Hij met hem spreekt, ja, woning bij hem maakt.
Het schema eeuwigheid en tijd is echter in zijn elkander uitsluitende toepassing niet alleen onschriftuutlijk, maar bepaaldelijk onjuist.
Niet de tijd maakt scheiding tussen God en mens zo waarlijk God in het verleden veeltijds in de tijd is verschenen en ten slotte zelf in het vlees.
Zelfs het schepsel-zijn maakt geen scheiding, zo waarlijk het uit de scheppende heerlijkheid Gods leeft, want alle schepsel Gods is als zodanig rein, maar de ongehoorzaamheid, de zonde, van het schepsel maakt scheiding.
Daarom wordt de distantie tussen God en schepsel niet bepaald door het schema eeuwigheid en tijd, maar door het feit der zonde. Terwijl het wezensonderscheid tussen Schepper en schepsel wordt bepaald door het feit, dat'God Geest is en de mens vlees.
In het licht van het wijsgerige schema van eeuwigheid en tijd, moet nu juist de Godsopenbaring een onoverwinnelijk probleem zijn. Immers, als geen relatie of gemeenschap tussen de tijd en de eeuwigheid mogelijk is, hoe kan openbaring mogelijk zijn ? Openbaring toch is mededeling Gods uit Zijn goddelijke zelfkennis aan Zijn schepsel.
Zij, die deze uiteenzetting gevolgd hebben, zullen reeds gereed zijn met hun antwoord : „Dan is openbaring onmogelijk". Het is inderdaad de consequentie van het onderstelde. Maar wees voorzichtig met uw consequenties, want de mannen van de nieuwe theologie worden nergens zo boos om als om de rechtlijnige gevolgtrekkingen van degenen, die het niet met hen eens zijn.
Indien zij zelf de logische gevolgtrekking van hun schema trokken, zouden zij ophouden van te spreken en te schrijven over de dingen van het Koninkrijk Gods. En toch doen zij dat niet. Dat is een merkwaardig verschijnsel.
De wijsgeer Kant heeft op zijn wijze aangetoond, dat theoretische Godskennis onmogelijk is en de hele wereld volgde hem hierin na. Men heeft de theologie zelfs uit de rei der wetenschappen willen verwijderen en dat is ook wel gebeurd.
Wat zou men nu verwachten of verwacht kunnen hebben ?
Wel, dat de drukpers sedert Kant weinig werk meer zou afgeleverd hebben, dat betrekking had op theologische onderwerpen.
En wat zegt de geschiedenis ? Dat er in geen eeuw zoveel is geschreven over God, godsdienst, onsterfelijkheid e.d.g. als in de eeuw na Kant, al kan men dat alles niet thuis brengen onder de zuivere theologie. De natuur gaat boven de leer.
Immers de mens spreekt over God, en alle volkeren hebben enig godsdienstig leven. Het Godsbesef is algemeen menselijk.
Allemaal afgoderij, zo begon K. Barth, heidense religie !
Goed, maar ook de afgoderij heeft ons in deze wat te zeggen. De valse religie kan er niet zijn zonder de ware.
Dat is nu juist het probleem voor de nieuwe theologie. Volgens haar grondschema kan er geen openbaring op aarde zijn — edoch, de aardse mens spreekt over God, de Kerk leeft bij de Heilige Schrift, welke gelijk de ervaring leert, in deze wereld werkt als orgaan van Godsopenbaring.
Hoe is dat nu mogelijk ? Ziedaar het probleem.
Maar — zult gij zeggen, dat is helemaal geen probleem voor een mens, die gelooft in de God der openbaring.
Dat is ook zo. Het is een probleem voor een mens, die het schema eeuwigheid en tijd aan de dingen wil opdringen en God gevangen wil houden in de eeuwigheid.
De mensen van de nieuwe theologie zeggen wel, dat God alles doet, zij hebben de mond vol van de handelende God, zij spreken over het plan Gods, alsof zij het bestek hebben gezien, doch dit alles binnen het schema.
Of deze mensen dan niet geloven in de God der openbaring ?
Dat weet ik niet en daarover spreek ik niet, want God heeft ons zulk een oordeel ontzegd. Wij zijn geen kenners der harten. En niemand kan zeggen, hoeveel ketterijen een mens er op na kan houden en tóch nog een Christen zijn. Wij belijden de vrijmacht der genade Gods.
Of zij in de God der openbaring geloven, beoordelen wij dus niet.
Doch, dat zij niet tevreden zijn met de openbaring, welke ons in de Heilige Schrift is gegeven, is duidelijk uit hun eigen woorden.
En, dat zij in verschillende stukken anders spreken dan de Schrift, zullen zij zelf niet ontkennen.
Iemand zal mogelijk vragen, of deze nieuwe theologie ten aanzien van de openbaring misschien een probleem naar voren brengt, dat onzerzijds niet gezien wordt.
Waarom niet ? Dat zou zeker het geval kunnen zijn. Doch er is onderscheid tussen problemen, die men maakt en problemen, waartegen men stoot.
Wanneer men van te voren de verhouding van God en schepsel zó stelt, dat er geen plaats is voor goddelijke omgang met de mens, dan wordt het een onbegrijpelijke zaak, hoe er op aarde enige kennis van God kan zijn.
En, indien men aan zijn schema eeuwigheid en tijd wil vasthouden, en toch van openbaring spreken, dan ligt het voor de l^and, dat ook het begrip openbaring zal worden bepaald door dat schema.
Openbaring is toch niet alleen een objectief geschieden, dat buiten ons blijft. Zal openbaring voor ons waarlijk openbaring wezen, dan moet het niet alleen tot ons, maar zelfs in ons komen.
Dat onderstelt omtrent de verhouding van de mens tot God wel iets anders dan de absolute distantie, welker idee de nieuwe theologie beheerst. Daarom maakt deze ook groot bezwaar tegen de schepping van de mens naar Gods beeld, althans tegen de leer, die dit ernstig neemt, zodat de mens krachtens zijn schepping Gods beeld is en .— hoezeer verdorven en mismaakt vanwege de zonde — toch niettemin ook blij[t.
De ganse Schrift getuigt daarvan dewijl zij ons steeds laat opmerken, dat de Heere God met de mens handelt als met een redelijk-zedelijk wezen. God stelt hem schuldig en verantwoordelijk. Hij zet hem onder de eis der gehoorzaamheid aan Zijn gebod, Hij vermaant hem tot bekering, neemt hem op in Zijn verbond.
De Heere komt tot de mens en spreekt met hem. Hij maakt hem bekend, wat Hij doen zal.
Zulk een verhouding past echter niet in het schema van eeuwigheid en tijd, zoals de nieuwe theologie dat heeft gesteld. Hoezeer heeft zij zich verzet tegen iedere gedachte zelfs ook van zekere schepselmatige gelijkenis of analogie, welke aan de naar Gods beeld geschapen mens zou worden toegekend.
Alsof daarmede het wezensonderscheid tussen Schepper èn schepsel zou worden opgeheven 1 Beeld is nu eenmaal beeld en als er van geen gelijkenis sprake mag zijn, kan men ook niet van beeld spreken.
Nog veel verder gingen de uitspraken van K. Barth in zijn Römerbrief. ledere menselijke gedachte, iedere menselijke voorstelling, iedere menselijke bevinding aangaande God werd geheel volgens schema als afgoderij veroordeeld.
Men behoeft geen uitvoerige toelichting op deze dingen, om te verstaan, dat door de verdedigers van zulke stellingen op die manier •— bij wijze van spreken de ganse wereld leeggepompt wordt van goddelijke glans en heerlijkheid.
Het behoeft ook niet gezegd, dat op de mens het oordeel van het schema rust, dat hem afsnijdt van de gemeenschap en kennisse Gods, want de mens is van de aarde. De mens zinkt weg in de tijd. Niet zonder oorzaak heeft men dan ook de mening verkondigd, dat het schepselzijn in de nieuwe theologie voor de staat der zonde wordt gehouden.
Het is volstrekt zonder belang nader te onderzoeken in hoeverre deze opvatting recht doet aan de bedoeling van de auteurs der nieuwe theologie, daar er geen twijfel over kan zijn, dat zij de geschiedenis van de val des mensen, zoals ons die door de Heilige Schrift wordt voorgesteld, niet als zodanig nemen en als een mythisch verhaal beschouwen.
Hoe sterk het schema drukt op de waardering van de mens als schepsel kan overigens duidelijk zijn uit de telkens gelanceerde grondregel: „het bepaalde, het eindige kan het oneindige, het eeuwige niet grijpen" volgens welke men aan de mens iedere ware Godskennis wil ontzeggen.
Twee dingen moeten wel duidelijk zijn geworden.
1e. dat de paradijsmens, die ons door de nieuwe theologie wordt; voorgesteld, nooit op aarde heeft geleefd.
Deze gedachte is trouwens niet eens nieuw. Men kan dergelijke voorstellingen ook in de middeleeuwep ontdekken, zij het dan niet onder de macht van het schema tijd en eeuwigheid.
2e dat al het goddelijke, ook de openbaring en de Godskennis aan de tijd wordt ontzegd en naar de overkant van de scheidingslijn tijd/eeuwigheid wordt verwezen.
3e dat hierdoor ook ten aanzien van de openbaring in de vleeswording des Woords vragen worden gesteld.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's