De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Onderwijs

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Onderwijs

7 minuten leestijd

„DE SCHERPE RESOLUTIE"

I.

Mischien zijn er onder de lezers; die zich uit hun schooljaren het jaartallenboekje nog herinneren en direct zeggen: ,,Hé, 1617 Scherpe Resolutie". Ik denk echter dat er maar zeer weinigen zijn, die dan nog weten wat dit scherpe besluit der Staten van Holland inhield.

Het is echter niet over dit besluit, dat we iets willen schrijven. Zó ver gaan we ditmaal in de Geschiedenis niet terug. We gaan niet verder dan 1878.

Minister van Kappeyne van de Coppello was aan Binnenlandse Zaken gekomen. U weet wel, de man, die „bijna" zou zeggen, dan moeten de minderheden maar onderdrukt worden. De man, die sprak van de vlieg, die de ganse zalf bederft; de man, die vond dat zulk een minderheid in onze maatschappij geen recht van bestaan heeft.

Het is dan ook te begrijpen dat de mannen van de Christelijke School met zorg vervuld waren, als ze er aan dachten welke wijzigingen deze Minister in de Onderwijswet zou voorstellen. Om elk misverstand bij voorbaat uit de weg te ruimen, wil ik opmerken, dat deze mannen natuurlijk voorstanders waren van verbetering van het onderwijs, zowel wat het ,,levende" als het „dode materiaal" betrof. Zij waren waarlijk geen dompers, geen nachtpitjes, geen mannen van de nachtschuit, zoals de heersende richting hen wel smalend genoemd heeft. Dat hebben ze toch dunkt me wel genoeg bewezen, al was 't alleen maar door de grote offers, die ze voor hun scholen gebracht hebben.

Maar dit was hun vrees : Als het onderwijs verbeterd moest worden, dan betrof dit: Ie. vergroting van het aantal onderwijzers ; 2e. verbetering van lokaliteiten ; 3e. uitbreiding en vernieuwing van de leermiddelen ; 4e. verbetering van de salariëring. Uitstekend, als de wet deze verbeteringen zou brengen, maar hoe zou dat in de practijk toegaan? Dat zou n.l. grote kosten meebrengen ; voor de Overheidsscholen was dit geen bezwaar, wat de staat eiste zou hij ook wel betalen. Maar het Christelijk Onderwijs? Dit zou of aan dezelfde eisen moeten voldoen, krachtens wettelijk voorschrift, óf het zou toch dezelfde weg op moeten om de concurrentie te kunnen volhouden. Bleef de bestaande toestand zoals hij was, dat dus aan het Christelijk Onderwijs wèl eisen werden gesteld, maar geen subsidie werd gegeven, dan werd de toestand veel ernstiger dan hij ooit geweest was. Hoe beter dan het onderwijs werd geregeld, hoe zwaarder de strijd van het Bijzonder Onderwijs en hoe groter het onrecht, dat de Christenouders werd aangedaan. Eerst gemeenschappelijk mee betalen aan al de verbeteringen voor het Openbaar Onderwijs, en daarna nog eens voor de eigen scholen, die men toch om des gewetens wil had gesticht.

Zoiets is wel uitermate hard voor een volk, dat burgerlijk leeft uit het beginsel van gelijk recht voor allen. Ja, zo was de theorie, maar de practijk was anders. Wij kunnen dat in onze tijd maar moeilijk begrijpen •— en ja, toch ook weer wèl, want er zijn er nu nog, die eigenlijk liever tot de toestand rond 1878 zouden terugkeren.

Helaas werd de vrees van de mannen der Christelijke School bewaarheid.

Wel kwamen er flinke verbeteringen. Zie maar : 1 e. Er zouden regelen worden vastgesteld voor de bouw en inrichting van schoollokalen, waarbij tevens zou worden bepaald in hoeverre deze regelen ook van toepassing zouden zijn voor de Bijzondere Scholen.

Deze maatregel was uitstekend en geheel in het belang van het onderwijs, als ook van de gezondheid van 't kind. Alleen maar : waar moesten de voorstanders van het Christelijk Onderwijs het geld vandaan halen om hun scholen te verbouwen of nieuwe op de wettelijke basis te bouwen? Het wetsvoorstel bevatte geen enkele bepaling, waarbij ook maar enige vergoeding uit de overheidskas voor dit doel ten bate van het Bijzonder Onderwijs werd in uitzicht gesteld.

Zo was en bleef het onrecht.

2e. Kwekelingen telden tot dusver mee als leerkrachten ; dit mocht niet meer. Hun was voortaan alleen toegestaan onder onmiddellijk toezicht van bevoegde onderwijzers ,,behulpzaam" te zijn.

Tegelijk werd het aantal verplichte onderwijzers vermeerderd. Had men b.v. tot dusver bij een leerlingenaantal van 70— 100 genoeg aan een hoofdonderwijzer + 1 kwekeling (wet van 1857), nu moest het worden 1 hoofd + 2 onderwijzers.

We juichen deze maatregel toe, natuurlijk. Pas echter op ! Deze nieuwe regeling gold alleen als verphcht voor het Openbaar Onderwijs ; de Bijzondere Scholen behoefden daar niet aan mee te doen. Maar men begrijpt wel dat de Bijzondere School hiermee voor een zware keus werd gesteld : óf de wedloop volhouden en gelijk opwerken met eenzelfde personeelsbezetting uit eigen beurs, óf doodgedrukt worden door de al te ongelijke kansen.

Deze nieuwe regeling, hoe uitstekend ook, was één grote bevoorrechting van het Openbaar Onderwijs en zou naar bloot menselijke berekening de dood zijn voor het Christelijk Onderwijs, behalve misschien voor een enkele school, uitsluitend bezocht door kinderen van aanzienlijken, of voor scholen, die eigendom waren van welgestelde Diaconieën. Het doorsnee Chr. Onderwijs zou er bij omkomen en gezien de meer aangehaalde uitpraak van Kappeyne, lijkt het er veel op of het zelfs de bedoeling was om het smadelijk te laten ondergaan.

3e. Van de kosten, voor het onderwijs gemaakt, nam het rijk 30% voor zijn rekening. Ge kunt gerust aannemen dat dit bedoeld was als een stimulans om de Gemeenteraden aan te moedigen voor het Lager Onderwijs niet al te bezorgd op de centen te letten.

Verder was het gehele voorstel één handhaving van de tot dusver gevolgde schoolpolitiek. Niet de minste consideratie ten voordele van de Bijzondere School en evenmin enige wijziging in het principe.

Het neutraliteitsbeginsel bleef.

De „Christelijke deugden" bleven.

De kerkelijke bedieningen voor Openbare Onderwijzers, die daardoor een gedeeltelijke salariëring uit de kerkekas ontvingen, mochten blijven.

In het schoolgeldartikel bleef bepaald, dat schoolgeld kan geheven worden.

Zo bleef bij dit nieuwe wetsvoorstel 1878 de Openbare School dezelfde, alleen met veel verbeterde materiële positie, en het scheen of de al te grote bevoorrechting straks de gehele Bijzondere School zou wegvagen of tenminste weg doen kwijnen.

Reeds bij het sectie-onderzoek van dit wetsontwerp in de Tweede Kamer, werd door de 9 Antirevolutionaire Kamerleden een nota ingediend, waarin de rechtmatige grieven tegen het ingediende wetsvoorstel werden uiteengezet. Verscheidene adressen werden aan de Koning en ook aan de Tweede Kamer ingezonden, om het protest der 9 Antirevolutionaire Kamerleden te steunen. Zo o.a. door de heren Brummelkamp CS., gesteund door adhaesiebetuigingen van tal van kerkeraden en leden der Chr. Geref. Gemeente. Door het Christelijk Werkliedenverbond „Patrimonium".

Een paar zinsneden uit dit laatst genoemde adres:

„Nu dit volk, dat nog vastkleeft aan de God der Vaderen, zucht onder de druk ener schoolwet, die zijn heiligste rechten krenkt en een nieuwe wet, die druk nog dreigt te verzwaren, nemen wij eerbiedig de vrijheid Uwe Majesteit dit adres aan te bieden"

,,Evenals Uwe Majesteit en Uwer Majesteits kinderen, zijn ook onze kinderen gedoopt in de Naam van de Drieenige God en bij die doop hebben wij plechtig beloofd aan onze kinderen een Christelijke opvoeding te zullen geven. Dit nu kunnen wij niet, Sire, indien wij geen Christelijke Scholen voor ons volk krijgen"

„Uwe Majesteit geheve toch te bedenken dat wij ons deel niet uitsluitend in deze wereld hebben en dus de ellendigste van alle mensen worden, indien wij onze kinderen ook nog het deel voor de hemel zouden bemoeilijken"

Spreken deze zinsneden niet van de hoge ernst der adressanten en van de uitzonderlijk grote waardij, die zij hechtten aan het Christelijk Onderwijs? Velen in onze dagen zijn lauw, missfchien juist omdat ze zo bitter weinig afweten van wat een voorgeslacht heeft gestreden en gebeden, heeft gedaan en gesproken voor de School met de Bijbel. Is het misschien zó geworden, als men gevreesd had? Waar niet meer voor gestreden wordt, dat waardeert men niet meer. En nu zouden we niet weer de dagen van strijd willen oproepen, maar wèl de hoge ernst en het besef van de diepe betekenis van de School met de Bijbel. Vooral tegenover haar medewerkers, ten bate van heel ons volk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Onderwijs

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's