Uitgehold en leeg
Wij spraken van een leegheid teweeggebracht door een z.g. Barthiaanse prediking, die het heil in Christus zo eenzijdig voorwerpelijk en algemeen stelt, dat van een subjectieve betrokkenheid geen sprake behoeft en strikt genomen zelfs niet kan zijn. Men spreekt van ,,het heil", ,,de boodschap", van een verlossing, welke allen in Christus wacht, en gewaagt van een situatie van ,,verzoend zijn", waarin de wereld sedert Golgotha verkeert. Dat is het heil der mensheid beschoren onverschillig, of men zich daarvan bewust is of niet, of men gelooft of niet gelooft.
Volgens deze voorstellingen wordt het geloof niet alleen volledig uitgehold, van zijn subjectieve inhoud beroofd, maar zelfs van nul en gener waarde gemaakt. Immers de volle inhoud des geloofs is in Christus, is Christus zelf. Hij is alles en doet alles. Hij is het ook, die gelooft.
Of dit nu waarlijk overeenkomt met de leer van Barth ?
Eerlijk gezegd is dat géén vraag, die ons in de eerste plaats moét interesseren, omdat zij van zo gewichtig kerkelijk belang zou zijn. Want dat is zij zeker niet.
De vraag, of Barth alzo leert en of zijn bedoeling daarin juist is weergegeven is een academische aangelegenheid, maar voor de kerk is het van het eerste belang, dat zulke opvattingen van ,,het heil" openlijk worden geleerd en gepreekt, hoewel zij in strijd zijn met haar belijdenis en naar onze diepste overtuiging met wat Gods Woord ons leert, en met het geloof, waaruit de gemeente leeft.
En wat de leer van Barth aangaat, men zal in de zoeven gememoreerde voorstellingen van het heil in Christus gemakkelijk het schema tijd en eeuwigheid herkennen. En in dit opzicht is er zonder enige twijfel een belangrijke tegenstelling tussen de leer van Barth en Calvijn. Zij leren beiden, dat het heil ,,in Christus" is. Calvijn zegt echter : wat in Christus is, moet ook enigermate in ons zijn, zullen wij daaraan deel hebben. Dat nu zal Barth zo niet zeggen, want dat past niet in de opzet van zijn schema. Wij hebben daarop in ander verband reeds gewezen.
Dan is er nog een belangrijk verschil. Het schema van Barth en de daarmede saamhangende waardering van het schepsel kunnen ook de onderstelling van de algemeenheid van het heil in Christus verklaren. Barth ziet de mens tegelijkertijd onder aards en hemels aspect om het zo uit te drukken. De mens is tegelijkertijd zondaar en rechtvaardige volgens zijn visie. De mens op aarde, onder aards aspect is schepsel en — men krijgt de indruk als zodanig — zondaar. De toekomstige, laat ons zeggen, de hemelse mens is rechtvaardig.
Ook wij kennen met onze belijdenis een mens, die tegelijkertijd zondaar en rechtvaardig (n.l. in Christus) is, doch naar gereformeerde overtuiging geldt dat maar niet zo in het algemeen van allen, maar van de wedergeborenen, zolang zij in dit leven zijn.
Klaarblijkelijk zijn er mensen, die de leer van „het heil" gaarne zo algemeen stellen en prediken als een objectieve werkelijkheid in Christus, waaraan allen deel hebben, onverschillig, of zij het geloven of niet.
Zulk een leer schijnt derhalve wel overeen te komen met wat zij gaarne wensen en de mensen, die zulke wensen koesteren, moeten K. Barth wel bijzonder dankbaar zijn, dat hij hun zoveel steun biedt. De vraag, of Barth hun gelijk zou geven en hun consequenties aanvaarden, is een geheel andere. Wel zegt hij, dat wij hier Ezau en daar Jacob zijn, en hij zegt het zeer algemeen, maar als Brunner hem er op wijst dat hij bij een wederherstelling aller dingen uitkomt, zegt hij : ,,neen,,.
Zoals gezegd echter, is dat een academische aangelegenheid en voor de kerk niet in de eerste plaats van belang. Voor haar is het van belang dat er in de kerk predikanten zijn, die het Evangelie zó voorstellen, tot grote schade van het geestelijke en zedelijke leven.
Het moet ook duidelijk zijn, dat het bij de uitholling van het geloof niet blijft, maar dat de leegheid zich overal zal moeten vertonen, waar zulke leringen van de kansel worden verkondigd.
Zeker, dat gebeurt niet altoos even vrijpostig en duidelijk. Ik stel mij voor, als een talentvol prediker volgens het Barthiaanse recept zou preken in een orthodoxe gemeente, dat hij ,,gereformeerd" zou worden beluisterd en — voor een verkondiger der Waarheid gehouden. Dat is mogelijk één óf twee keer, maar dan komen de bezwaren bij degenen, die ,,luisteren" kunnen.
Het is ook voor een mens niet zo heel gemakkelijk om een praedestinatie in Barthiaanse zin te preken — hier allen verworpen, maar allen verkoren — (wij hebben reeds opgemerkt, dat Barth de consequentie, waarvoor Brunner hem zette, van de hand wijst). Het geweten komt daartegen op en de eenvoudige lezing van de Schrift geeft een ander beeld : Jacob heb Ik liefgehad en Ezau heb Ik gehaat. Vaten des toorns en vaten ter ere. Christus' Woord : die de Zoon ongehoorzaam is, de toorn Gods blijft op hem, en zovele andere plaatsen.
Begrijpelijk, dat deze valse leer der verkiezing in het algemeen door haar voorstanders niet zó klaar en duidelijk wordt verkondigd, dat het door allen wordt opgemerkt.
In dat geval zou de kerk, waar men zó preekt, heel spoedig leeggepreekt zijn. Immers hij, die het Evangelie zo universeel wil opvatten en aannemen, heeft aan één kerkgang genoeg. Het is immers alles buiten hem vervuld, zonder zijn toedoen niet alleen, -— want dat belijden wij ook — maar hij heeft er deel aan, of hij gelooft of niet gelooft, wijl Christus immers voor hem gelooft.
Wat zal iemand, die dat voor waar houdt, volgende week weer naar de kerk drijven? Hij kan overgaan tot de orde van de dag, tot de moraal van eten en drinken en vrolijk zijn.
En wat zal iemand, die onder zulk een prediking verdoold raakt, als hij zulk een leer niet kan aannemen om des ge'wetens wil, of, omdat hij de Bijbel toch beter gelezen heeft? Zo iemand komt niet meer terug.
Toch is het ook verklaarbaar, dat deze vervlakte en geestelijk verkrachte leer niet zó duidelijk wordt gepreekt, maar onder dekking van een algemeen klinkende tekst, en zonder nadere uiteenzetting opgesloten in algemene termen als „het heil", „het heil in Christus", dat moet worden doorgegeven. Wat zal men anders doen dan doorgeven? Let ook op de voorkeur voor het woord verkondigen boven prediken, dat toch wil verstaan worden als getuigen. Dit laatste echter past minder bij de louter objectieve betekenis, die men aan ,,het heil" wil toegekend hebben.
Deze wijze van doen kan uit de aard der zaak niet bevorderlijk zijn aan de vergadering der gemeente. Het mag wat langer duren, maar de leegheid en onwaarachtigheid van deze prediking wordt tocH wel gevoeld. Bovendien, de onderstellingen van zulk een voorstelling des heils laat zich zelfs moeilijk verenigen met die van een gemeente, althans met het beeld der gemeente des Heeren, dat de Heilige Schrift ons tekent.
De kerk op aarde is in het verband dezer „Barthiaanse" voorstellingen niet meer dan voorbijgaande functie. Let op de termen : doorgeven en verkondigen. Verder treedt immers de gehele mensheid in de plaats van Christus' gemeente?
Voor zover deze predikers nog enige godsdienst of moraal op aarde willen bevorderen, moet dit volgens het schema worden gezocht in wat men noemt: getrouwheid aan de aarde. Zo kon men dezer dagen een verslag lezen van een ,,Bedrijfsdienst in de Domkerk te Utrecht, ,,over het woord, dat staat in Genesis 1 vs. "13" (bedoeld is waarschijnlijk vers 31 : ,,Het was zeer goed", getiteld Zatopek. Wij ontlenen daaraan deze zinsnede : ,,Je beoefent de sport om je lichaam zo fit mogelijk te houden, om het in zo'n beste conditie te houden, dat je je taak zo best mogelijk kunt vervullen. Zatopek loopt hard in „dienst van de Heer". (Utr. Nieuwsblad, dd. 8 Oct. '52).
Een merkwaardig staaltje van de nieuwe stijl.
Wat moeten de dominé's ook preken, als zij over de hemelse dingen niet kunnen preken? Het is enigszins begrijpelijk, dat zij dan over aardse dingen gaan spreken.
Dat is in een tijd van meer geestelijke belangstelling misschien wel eens te weinig gebeurd, maar, als men het toen gedaan had, zou het toch anders geschied zijn dan thans.
Thans is er aanleiding om te vrezen, dat Knudson gelijk heeft, als hij zegt, dat de wens, als hij de Christelijke ethiek loslaat, beneden het heidendom daalt en tot immoralisme vervalt. (The priciples of Christian ethics).
En wat kan de verwachting zijn voor een kerk, die op deze wijze wordt leeggepreekt?
Er zullen in iedere gemeente wel enige mensen zijn, die haar getrouw blijven, omdat zij zulk een Evangelie niet zo ongeschikt vinden. Tegen die tijd, dat zulke mensen de kerk bevolken en in stand houden moeten, zal zij wijs doen weer staatskerk te worden, om althans haar dienaren te kunnen onderhouden en het instituut in stand te houden als een monument van verstorven geestelijk leven.
De leegheid, welke het gevolg moet worden van een z.g. „Barthiaanse" prediking, wekt bovendien ook enkele reacties, die evenmin op een herleving van het reformatorisch geloof wijzen kunnen. Zo kan men zelfs van predikers, die voor Barthianen worden gehouden, opmerkingen horen, die aan een soort natuurlijke religie, of beter, algemene openbaring doen denken. De natuur gaat boven de leer.
Doch ook op andere wijze wreekt zich het religieus grondgevoel over de voorgewende leegheid. Men gevoelt zich toch niet thuis in de leegheid ,, van de ruimte der kerk". Men wil, dat er wat gebeurt. Vandaar de roep bij anderen om liturgie en liturgische diensten. Er moet wat gebeuren Als men het geestelijk karakter der Reformatie en van de Dienst des Woords niet verstaat, of versmaadt, grijpt men naar een sacramentalisme, dat niet ten onrechte als romanizerénd symptoom wordt afgewezen. Wij zwijgen dan nog van knielbanken, bisschoppelijke wijding, kruisen, kaarsen en andere tekenen van verroomsing.
Of dat alles dan op rekening van het Barthianisme komt en aan zijn invloed meet worden toegeschreven?
Die vraag is niet zo heel eenvoudig te beantwoorden. Vaak wordt veel te eenzijdig van invloed gesproken. Geestelijke verschijnselen als Barthianisme en de zo even genoemde reacties, zijn merendeels slechts in zover resultaat van de invloed van lezen en horen zeggen, als het geestelijke verwantschap ontmoet.
In de grond der zaak staat het juist an- ' dersom. Er is een zekere geestelijke gesteldheid bij de mensen, ze zoeken, zijn bezig zonder nog te vinden, wat'zij eigenlijk zoeken en zie, daar verschijnt een auteur op het toneel, die het treft. Dat is hét, waarmede zij bezig zijn. De geestelijke sympathie wordt wakker, de auteur trekt ze aan en de zielen vinden elkander in de gemeenschappelijke ontdekking.
Op grond van die geestelijke sympathie moet men dus de term Barthianisme en Barthiaan wat ruimer nemen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 december 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 december 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's