De Hofnar van Gelre
Een verhaal uit het begin der 16e eeuw
door J. C. HOMOET
,,Neen, jongen, dat zeg ik nu nog niet; dat is m'n geheim, " lacht vrouw Van Emden. ,,Straks. Laat neef maar voortgaan".
,,Nu dan, " vervolgt de Oost-Fries. ,,De zot sloeg tegen de poorters een hoge toon aan en beval hun, ogenblikkelijk de poort te openen, wijl hij met ons, achtergebleven dienstknechten van hertog Karel, naar hij voorgaf, dadelijk zijn heer naar het slot te Rozendaa! moest volgen. Men was verlegen met het geval, want de zot was de poortwachters niet onbekend, en toen de wonderlijke, kleine man, die — wat ik terloops kan zeggen — de halfbroeder van de jonge gezel Cornells is, begon te dreigen met de toorn van zijn meester, werd men inderdaad bang en liet ons door.
Wij haastten ons toen naar boer Teunissen aan de heiweg. Deze was reeds in de rust, doch wij klopten zolang, tot hij opendeed. Bereidwillig gaf Hij ons dadelijk zijn twee paarden. Ik klom op een er van ; Cornells plaatste zich achter mij. Siebe besteeg meteen het andere dier en verzocht de zot, eveneens achter hem op te stijgen. De nar weigerde echter.
,,Ga je niet mee ? " vroegen we hem. ,,Neen, " zei hij beslist. ,,Zorgt nu maar, dat je niet voor de derde keer in de val komt, want ik weet niet, of m'n gal wel altijd geel zal blijven. — Dag, Cornells, dag, jongen. Ik moet weg om de grote zot te helpen."
Cornells riep hem nog smekend toe, toch niet heen te gaan, maar de ander luisterde niet en was meteen in de duisternis verdwenen.
Onze jonge gezel was toen erg bedroefd; hij huilde zelfs, en verzekerde ons plechtig, dat hij zijn broer bij 't heengaan had horen snikken ; maar ik geloof, dat hij zich dat maar heeft ingebeeld.
Daarom reden we haastig heen ; eerst een eind oostelijk ; toen naar het noorden ; want het was mijn bedoeling naar Elburg te gaan, waar ik wist, dat zich de Oostenrijkse troepen ophielden. Bij die troepen bevond zich, naar ik in Arnhem had vernomen, een hulpbende van de graaf van Oost- Friesland. Wie weet, dacht ik, of graaf Enrio zelf niet de aanvoerder is, en anders zeker diens broer, graaf Johannes. Daar zullen wij stellig bescherming vinden.
De ganse nacht dwaalden we op de heide rond. Bij 't grauwen van de morgen bevonden we ons gelukkig niet ver van ons doel.
'k Had goed geraden: de aanvoerder der Oostenrijkse hulpbende was graaf Johannes. Hij ontving ons hartelijk. Wij verhaalden hem alles, wat er met ons in de laatste dagen was voorgevallen, wie Siebe was en hoe jij, oom Occo, onder de valse beschuldiging van voor jaren en de verbanning uit uw vaderland, leed. Hij hoorde ons geduldig aan.
,,Dan zullen wij die fout zoeken te herstellen, " zeide hij vriendelijk na enig peinzen. „Uit alles wat ge verhaalt, blijkt duidelijk, dat meester Occo en diens vader onschuldig waren aan het hun ten laste gelegde misdrijf, al ontbreken nog de stellige bewijzen hiervan ; want de brief, die, zoals ge beweert, door de beschuldiger zelf aan zijn broeder werd geschreven, noemt meester Occo wel valselijk aangeklaagd, maar is, eilacy ! - zo goed als ongetekend en daarom voor het gerecht ongeldig.
(Wordt vervolge.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 december 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 december 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's