Een domine vertelt
XXIX Verschillende overgangen.
Behouden kwamen wij aan de overzijde en zijn naar een oude vriend gewandeld in Delfshaven, die ons liefderijk opnam.
Ook dat had de Heere in mijn hart gelegd, om daarheen te gaan en naar geen ander. Ik had het Hem gevraagd.
Sinds die tijd is het mij duidelijk geworden, dat de Heere ons werkelijk leidt tot in de allerkleinste lotgevallen. Hij leidt ons van stap tot stap. Maar nu hebben wij ook stap voor stap van Hem af te smeken. Want daar zijn zovele dingen in het leven, die wij menen, alleen wel af te kunnen. De grote dingen vragen wij de Heere, de kleine doen wij gewoonlijk zelf. Dan denken wij: hier moet ik z«lf handelen, want de Heere openbaart mij dat toch niet.
Pas op, o mens ! Hoe zullen wij bovendien uitmaken, wat groot en wat; klein is. Sinds die tijd ben ik er zeker van, dat de Heere Zijn licht niet onthoudt. Hij laat ons nergens in onzekerheid.
Op Woensdagmorgen na het grote bombardement zijn wij teruggekeerd uit Delfshaven naar Rotterdam-Zuid.
Ach! dat was nog weer een zware smartegang ! Ik zal u de beschijving besparen van de gruwelen der oorlogsverwoesting, die wij passeerden. Alleen dit ene : Wij zijn ook nog gelopen over puinhopen en straten, overdekt met gebroken glas, naar de hoek van het eiland, om te zien of er van mijn huis nog wat stond. Neen, eigenlijk niets. Wat grillige stukken muur stonden nog overeind ; dat was alles,
't Was mij te moede of ik op een kerkhof stond ; het kerkhof van mijn huis. Daar lagen alle dingen nu begraven. Mijn studieboeken, preken, kleren, stoffelijk bezit. Mijn herinneringen aan verschillende Gemeenten, oud-leerlingen ; kortom : al die dingen, die zich in een pastorie in de loop der jaren ophopen kunnen.
Een grote weemoed greep mij aan, totdat ook hier weer Gods vertroosting doorbrak en ik het aldus voelde :
Mijn boeken zijn nu ook verbrand En daarmee al mijn mooie theorieën. Nu leef ik in een ander land En moet maar steeds weer buigen mijne knieën : Dat Hij mij schenke Zijn practijk ; Dan ben ik toch in Hem weer rijk.
Weer wandelden wij door en ging de tocht naar de Oranjeboomstraat, naar de pastorie van een collega.
Daar, in de straat, wachtte mij de eerste vreugde. Een paar Gemeenteleden ontdek ten mij plotseling en begroetten mij met blijdschap. Men had al die tijd niet geweten of de beide predikanten van ,,het eiland" dood of levend waren. Wij waren nu als kinderen zo blij, elkander weer te zien. God had hier wel gebeden verhoord.
Zó werd mijn weg weer geleid naar F.
Op de eerste Zondag na Pinksteren mocht ik weer voor de Gemeente optreden in een korte Dienst.
Toen ik de kerk binnenkwam en de schare zag, begaf mij op dat moment schier alle kracht. Weer kwam alles boven, wat geleden was.
Velen weenden. En ik zelf? Ik schaam mij niet het te bekennen : ik ben even weggedoken achter de kansel en heb geweend als een klein kind, maar tegelijk de, Heere om kracht gesmeekt.
En Hij schonk die. Na het Votum daalde Zijn kracht in zwakheid neer, al meer en meer.
Gelezen werd de Wet des Hèeren en het eerste gedeelte van Prediker 3.
Dat was ook een Dienst, die heugde. O, dat Prediker 3 ! Was het wel hetzelfde Woord als gisteren en eergisteren? Het leefde ; het vlamde ; het stak ons aan als nooit tevoren, de hoorders en de lezer.
De stilte was geweldig, alsof een ieder voelde : Hier spreekt de Heere alleen. Het tekstwoord luidde: ,,Zijn de vertroostingen Gods u te klein? " (Job 15 vs. 11a). De keuze van dat Woord was wel geboren uit eigen zielsomstandigheden. Het was een tekst, die mij gevonden had.
Welk een heerlijke verruiming, ook na de Dienst. Het was mij of de Heere Zelf mij in het ambt hersteld had en ik weer preken mocht.
Een week geleden zat ik immers nog op de eerste Pinksterdag des morgens in de schuilkelder in Delfshaven en ik had gedacht bij mijzelf: Zal ik ooit weer op de kansel staan in de kerk hier op aarde? Ik was van alles zover af geplaatst, of het voor goed tot het verleden behoorde, en nu had ik dan weer voor eigen Gemeente mogen optreden.
Van lieverlede hebben wij het werk weer opgevat, voor zover dat althans mogelijk was. De predikdiensten werden weer gehouden, al waren er verschillende bindende bepalingen.
Er mochten geen stoelen meer in de paden gezet worden met het oog op luchtgevaar.
Van zelf als het ware kwam de gedachte op, om nu zogenaamde ,,vóórdiensten" te houden in de Maranathakerk en wel des morgens van negen tot tien uur. Om half elf zou dan de tweede dienst aanvangen.
Dit geschiedde dan ook en er bleek wel wat voor te zeggen. Nu kunnen, behoudens een enkele uitzondering, de mensen tenminste zitten.
Toch blijft er naar mijn gedachte, wat tegen „de 9 uur dienst". Vooral in de zomer stromen velen er heen, om dan gauw klaar te wezen en verder de Zondag voor zich zelf te hebben. Dat is een grote schaduwzijde.
Daarbij komt, dat het heel moeilijk is, om in één uur tijd ook nog een gewone preek te houden. De studeerkamerarbeid komt nu ook in het gedrang. Temeer, waar de afkondigingen van de kansel namens de Kerkeraad en namens Verenigingen of personen meer en meer een obsessie worden.
Dit zal natuurlijk dan ophouden, wanneer allerlei mededelingen weer in een Kerkblad kunnen worden opgenomen, want als men klaagt over verstrooide dominees, die niet bij hun tekst blijven, kon dat wel eens daaraan liggen, dat zij niet voldoende gelegenheid hadden, om zich rustig te concentreren.
Wat mij aangaat, ik heb mij altijd wat ,,jachterig" gevoeld in „de 9 uur dienst". Ik kon mij zo moeilijk losmaken van de vraag of het nog geen tijd was.
Een dienaar des Woords kan zich eigenlijk niet laten voorschrijven, hoe lang hij preken mag ; al bedoel ik hier geen overdrijving.
Het werk werd er gaandeweg niet gemakkelijker op. De catechisaties konden in de avonduren niet meer gehouden worden, met het gevolg, dat zij meer en meer verliepen. Wel werd er nu op Zaterdagmiddag gecatechiseerd, maar de opkomst was over het algemeen slecht.
Allerhande nieuwe vragen en moeilijkheden rezen er dagelijks en wekelijks op.
De Gemeente werd ook zwaar bezocht. Eén harer leraren werd gegijzeld. Een andere leraar werd haar door de dood ontnomen. Zó bleef ik alleen over.
Wel kwamen er een paar hulppredikers bij, die naar de mate hunner gaven en krachten zich ijverig weerden. De oplossing bracht het niet.
Zelf bleef ik zitten met. de zware, drukkende zorg en de verantwoordelijkheid. Telkens kreeg ik brieven van vrienden of ik toch vooral voorzichtig wilde wezen in mijn uitlatingen. Maar wees nu altijd eens voorzichtig, wanneer het kookt in uw binnenste.
Ik herinner mij nog, dat er een jonge man op straat mishandeld werd door een paar ,,Duitsers". Ik zag dat in het voorbijgaan en mijn gevoelens waren, dunkt mij, als die van Mozes, die een Egyptenaar doodde, omdat hij een Hebreer sloeg.
De regeling der predikbeurten zó, dat alles goed verliep, kostte ook veel hoofdbrekens.
Daarnaast werden de kerkeraads- en andere vergaderingen steeds moeilijker.
Door bemoeienis der kerk hadden wij verlof tot kerkeraadsvergaderingen bekomen.
Er kwamen al meer plannen op. Geweldige dingen werden besproken, waarvan men zeide : ,,Het kan niet wachten ; geen dag en geen uur!"
Wat was het, dat mij meer dan eens tureluurs maakte ? Was ik tegen de uitbreiding van het aantal predikantsplaatsen ?
Ik moest wel stekeblind geweest zijn, als ik daar tegen was.
Mijn grote bezwaar bleef, dat wanneer die Gemeenteleden, die de gereformeerde prediking wensen, niet meer tweemaal op een Zondag onder zulk een prediking kunnen neerzitten, zij elders zullen gaan zoeken, wat zij in hun kerk missen.
Men heeft mij de uiting hiervan niet in dank afgenomen ; toch blijf ik er bij. Men forceert de dingen in de kerk nu eenmaal niet zó, dat men het gereformeerd voelende volk, (dat er inderdaad is) eenvoudig zou kunnen dwingen onder elke prediking op te gaan.
Of wy dan geen eenheid willen ? Zeker, willen wij de eenheid, maar niet tot elke prijs, doch alleen daar, waar ze in diepere zin ook aanwezig is. Anders is het toch maar een kunstmatige eenheid, door mensen gefabriceerd.
Men spreekt in onze dagen weinig meer van ethisch, confessioneel en gereformeerd. Men wil de partijnamen laten vervallen, opdat het een in het ander overvloeien kan. Dit moet zich wreken.
Dergelijke dingen hebben mij vooral, de laatste tijd neergedrukt.
Ook daarom viel het pastorale werk mij zwaar. Wij hebben ons afgetobd in allerlei zorgen over de ons toevertrouwde schapen, in het presideren van vergaderingen, waarop men u zou willen pressen in andere koers, terwijl men zelf de dingen zo heel anders aanvoelde.
De tijden zijn veranderd en veranderen nog steeds. ,,Juist", zegt men ,, en vandaar de nieuwe koers !"
Wat verstaat men onder de nieuwe koers ? Ook soms een nieuwe belijdenis ?
Ik kan er met mijn oude hoofd niet meer bij. Ik had altijd gedacht, dat het eerst met de kerk in orde moest zijn, wat haar belijdenis aangaat en haar grondslag (niet „bodem" want men pleegt in een groot deel van ons land nu eenmaal niet op platte bodem te bouwen) en dat het daarna met het werken in zulk een kerk dan wel in orde komt.
Het doet mij denken aan het volgende : men zegt wel eens, dat, als een paar mensen ruzie'hebben, gij hen maar eens samen op reis moet sturen ; heel waarschijnlijk komen ze straks als dikke vrienden weer thuis.
Is men op kerkelijk terrein ook niet zo iets aan het experimenteren ? In de hoop, dat het verschil aan het eind nog wel mee vallen zal ?
Meen niet, dat ik hier spot. De zaak is er te ernstig voor.
Ik geloof echter, dat de Kerk van Christus zich dergelijke proeven niet veroorloven kan en mag.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 december 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 december 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's