De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Barthiaanse zondebok

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Barthiaanse zondebok

9 minuten leestijd

De Barthianen krijgen allengs van alles de schuld. Als hier of daar van de belijdenis afwijkende meningen worden gehoord, is men onder de niet-Barthianen haastig gereed om daarop het stempel van ,,Barthianisme" te zetten. Dat is waarlijk niet altoos juist, maar het is zeer verklaarbaar. Het is niet altoos juist, want alle „nieuwe theologie" is geen „Barthianisme". En de nieuwe theologie heeft haar voorgeschiedenis o.a. in de „ethische" richting, welke in ons land niet zonder invloed is gebleven. Het is vooral deze richting, die het Barthianisme met grote vreugde heeft begroet. Verschillende Barthiaanse leringen hebben zich afgezet op de bodem ener ethische theologie, welke daarmede op een of andere wijze verwant moet zijn. In ieder geval blijkt uit de practijk, dat het als zodanig wordt gevoeld. Wij hebben reeds gewezen op de wankele Schriftbeschouwing der ,,ethische" richting en op haar neiging tot een algemene verzoeningsleer, welke beide ontegenzeggelijk steun vinden in het Barthianisme.

Het Barthianisme kan dus gemakkelijk tot zondebok van de „nieuwe theologie" worden. Zij is daaraan volstrekt niet onschuldig en nog minder haar verdedigers. Want, wijl de Barthiaanse theologie in verschillend opzicht en in zeer belangrijke stukken des geloofs grondig afwijkt, en deswege met name van de zijde der Gereformeerde belijders critiek moest ervaren, zijn er propagandisten van deze nieuwe leringen met zo weinig eerbied voor de erfenis der reformatie opgetreden, dat zij moeilijk ernstig konden worden genomen.

't Is ook onmiskenbaar, dat velen, die een belangrijk aandeel in de gang van zaken in ons kerkelijk leven hadden en nog hebben, niet weinig hebben doen blijken van hun Barthiaanse sympathieën. Of is 't niet duidelijk geworden, dat de z.g. „doorbraak" zich daardoor kenmerkte ?

Alleen hij, die van oordeel is, dat het in en buiten de kerk zo goed gaat, en dat wij onder het nieuwe regimen allerwegen een groeien en opbloeien van reformatorisch kerkelijk leven mogen begroeten, kan zich daarover misschien verwonderen, maar wie ; niet blind is voor de grote gevaren, welke de Hervormde Kerk en het kerkelijk leven in het algemeen bedreigen, verbaast er zich niet over, dat ,,Barthianisme" een verzamelwoord voor allerlei ketterijen en valse leringen wordt in het spraakgebruik van hen, die daarin als het ware een bron van ellende zien. 

Op de keper beschouwd zullen zij het hier en daar wel eens mis hébben. Doch wat wil men ? Dat ieder, die deze ontwikkeling van het kerkelijk leven aanziet, alvorens zich uit te spreken, in de lijvige boekdelen van K. Barth eerst eens gaat onderzoeken, of men soms met het woord „Barthianisme" ten aanzien van een bepaalde kwestie wat te veel heeft gezegd. Indien de bepaalde kwestie niet op rekening van Barth of zijn vertolkers en aanhangers kan worden gezet, is het nog geen opzettelijk vals getuigenis, als iemand vermoedt, dat deze of gene vreemdigheid wel ,,Barthiaans" zal zijn.

De aanleiding voor zulk een spraakgebruik ligt meer bij het optreden der „Barthianen" dan bij de tegenstanders.

Men zij er zich voorts van bewust dat de theologische discussie over de dogmatiek van K. Barth uitermate interessant kan zijn voor theologen en van academisch belang, doch hoe nuttig dit wellicht op zichzelf moge wezen, het gaat in de kerk niet over deze theoretische kwesties, maar over de wijze, waarop die kwesties zich in de practijk openbaren. Wij willen daarom aan de academische kwesties niet alle betekenis ontzeggen voor het kerkelijk leven. Welk een invloed van de nieuwe theologie op de kerkelijke practijk kan uitgaan, hebben wij gedurende ongeveer zeven jaar kunnen ervaren. Het oordeel daarover zal zeer verschillend zijn, doch wij kunnen moeilijk aannemen, dat zelfs de voorstanders over deze ervaring waarlijk enthousiast zijn.

Het hangt er trouwens van af, wat men eigenlijk onder de kerk verstaat. Daarover schijnt men het even weinig eens als over de ,,waarheidsvraag". Dit laatste is eigenlijk toch wel de hoofdzaak. De waarheidsvraag !

Sommigen spreken over het z.g. kerkelijke gesprek, alsof zij daarvan waarlijk overeenstemming, in belijdenis der waarheid verwachten. Zij zijn, naar wij oordelen, ter goeder trouw.

Maar gevoelt men dan niet, dat deze vriendelijke onderstelling alleen kans van slagen heeft, als de deelnemers aan het gesprek geloven, dat er een objectieve waarheid is, welke gekend en derhalve gemeenschappelijk kan beleden worden ?

Dat punt nu is reeds in discussie. Velen zijn er, die althans zulk een mogelijkheid van gemeenschappelijk belijden niet erkennen en met nadruk tegenstaan om alleen ruimte te maken voor individuele interpretatie. Dat zulks nu juist kerkelijk leven uitsluit en het wezen der kerk wederspreekt, zien deze mensen voorbij. Nochtans blijven zij in de kerk, staan de ontwikkeling van een gezond kerkelijk leven in de weg, en willen de kerk mede regeren, hetgeen zij, dank zij de hulp der Arminiaanse ,,middenorthodoxie", ook doen.

Anderen onder hen zouden slechts in zeer ruime contouren het gemeenschappelijke in het belijden willen bepalen, getuige de spreekwijze : „modaliteiten", welke de gedachte verraadt, dat zulk een gemeenschappelijk belijden als boven bedoeld niet wordt erkend en derhalve ook niet wordt gezocht.

Achter deze feitelijkheden ligt de vooronderstelling, dat de waarheidsvraag niet objectief en concreet in menselijke woorden kan worden beantwoord. Dit is de vrucht van de ontwikkeling van de negentiendeeeuwse ,,theologie" op de bodem van het achttiendeeuwse rationalisme.

Hoezeer zulk een onderstelling in strijd is met de gereformeerde belijdenis, behoeft nauwelijks gezegd. En wie zou kunnen volhouden, dat het genoemde standpunt niet sterk is bevorderd door Barthiaanse beschouwingen ? Deze leren wel een God van verre, maar niet van nabij. Zo is ook de waarheid Gods een waarheid van verre en niet van nabij.

Is het nu zozeer in strijd met de werkelijkheid, als de toepassing der kerkorde in deze stijl Barthiaans wordt genoemd, dat men van een vals getuigenis mag spreken ? Hoe dan te denken over de Generale Synode, die binding afwijst, de waarheidsvraag aan de orde stelt of gesteld wil hebben, het kerkelijk gesprek aanmoedigt én toch maar vast van modaliteiten spreekt?

De invloeden gaan nog verder. De Barthianen preken een God van verre en een waarheid, welke noch in de geboden der Wet, noch in het profetisch getuigenis, noch in de Evangeliën is uitgedrukt op een wijze, welke voor allen en in alle tijden als goddelijk getuigenis zó, in die gestalte, goddelijk gezag heeft. Het is bekend, dat zij niet de eersten zijn, die de pilaar der vastigheid in de gemeente ondergraven. De Schriftcritiek heeft dat reeds gedurende vele generaties gedaan, terwijl sommigen van mening zijn, dat K. Barth vele afgedoolden wederom tot Gods Woord en het dogma terug riep. Het is zeer wel mogelijk, dat zulke ervaringen voorkomen. Er zijn er, die Barth als een orthodox theoloog beluisteren of horen en zich er over verwonderen, als iemand, op de orthodoxie van deze theologie nog al wat afdingt. Zulke luisteraars hebben echter een ruim begrip van orthodox, zodat zij het geen afwijking van belang vinden, als iemand om maar een kleinigheid te noemen. Art. 2—7 over de Heilige Schrift en Art. 16 over de uitverkiezing eenvoudig niet aanvaardt. Toch orthodox ! Artikelen van dergelijke strekking kan men soms in officiële kerkelijke organen aantreffen, alsof dat heel gewoon is.

Indien dat terug roepen tot Gods Woord en het dogma bij zulk een opvatting van orthodoxie wordt geroemd, is men derhalve aan de hoofdzaak der gereformeerde confessie nog niet toe.

De Schriftbeschouwing is immers van heel veel belang, want als men de Heilige Schrift niet als goddelijke Schriftuur, maar als menselijk getuigenis ontvangt, waar is dan haar goddelijk gezag ? Waar is de regel des geloofs? de norm voor ons doen en laten?

Er wordt tegenwoordig weinig over de zonde gepredikt, weinig aandacht geschonken aan de tien geboden. Er zijn zelfs predikanten, die de tien geboden in de godsdienstoefening niet meer lezen, zoals in alle orthodoxe gemeenten gewoonte is, maar volstaan met de hoofdsom.

De Barthiaanse Schrift waardering moet als vanzelf ook van invloed zijn op de waardering van de Wet. Het is daarmede als met heel de Schrift. Het gebod kan onder zekere omstandigheden voor iemand wel als Gods gebod verschijnen, maar het is geen wet, geen algemene regel. Het gaat in de ethiek bij Barth n.l. om de ontmoeting tussen de goddelijke Schepper en Zijn schepsel, d.w.z. de ontmoeting van de gebiedende God en de handelende mens. K. Barth wil bij de geboden niet denken aan wetten, geboden, voorschriften, maar aan gebieden, waarin God gebiedt. Derhalve geen algemene ethische waarheden.

Hij ziet dit geheel op de achtergrond van zijn dogmatische visie. Hij wil geen scheiding van het gebod van de Schepper en van de Verzoener. M.a.w. geen gebod, dat ons als schepsel geldt, zonder ook tevens het gebod van God de Verzoener te zijn.

De God, die de mens als Schepper in Zijn gebod ontmoet, is ook de God, die hem in Christus genadig is. 

De ethiek verschijnt dus bij Barth in een geheel ander licht dan bij Calvijn, die een algemene ethiek krachtens de verhouding van de mens jegens zijn Schepper onderscheidt van een bijzondere ethiek, de ethiek der wedergeboorte.

Barth wil deze niet scheiden, omdat hij de praedestinatie geheel anders stelt, zoals reeds eerder werd opgemerkt. Indien wij krachtens onze schepping alle mensen onder de eis der goddelijke zedewet gesteld zien, noemt hij dat zoiets als Aristotelisch natuurrecht.

Geen verder betoog is nodig om te doen begrijpen, dat op die wijze de betekenis van Gods gebod in het algemeen en voor de burgelijke gerechtigheid tot nihil is teruggebracht. 

Dit verlies voor kerk en samenleving wordt nog vergroot door de dogmatische achtergrond van de ethiek van Barth, wijl alle waarachtig geestelijke belangstelling daardoor moet worden gedood. Immers de verzoening is in Christus voor allen bereid. Allen wacht de verlossing. Het reformatorische sola fide, door het geloof alleen, zelfs wordt naar Christus verschoven. Hij gelooft voor allen. Op deze leer kan de vraag van de Catechismus met recht worden gesteld : Maakt deze leer geen goddeloze en zorgeloze mensen?

Welk een leegte moet er in zedelijk en geestelijk opzicht ontstaan. Ook en allereerst in de kerk, waar zulke beschouwingen ingang vinden. Wie deze leegte wil vullen op andere wijze dan door de prediking van het Woord, zoals het ons gegeven is, vervalt tot schadelijke practijken, die zich in de huidige verwarring, reeds duidelijk aftekenen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 december 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Barthiaanse zondebok

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 december 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's