De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een domine vertelt

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een domine vertelt

7 minuten leestijd

XXIX Verschillende overgangen.

Nu denk ik er niet over, hier van mijn eigenlijk onderwerp af te gaan en u een oorlogsverslag te geven. Dat behoort in dit bestek niet thuis. Bovendien zijn mijn belevenissen weinige, wanneer zij vergeleken worden met die van anderen, die zo ontzettend veel meemaakten en die in 's Heeren kracht, schier het bovenmenselijke hebben verdragen.

Alleen voor zover juist deze gebeurtenissen ook met mijn ambt in nauw verband stonden, wil ik er nog iets van vertellen. Gedurende de nacht van 10 op 11 Mei dachten wij niet aan ter ruste gaan, maar bleven gekleed in een stoel liggen.

Ik zag de eerste lichtkogels hangen boven de masten van de ,,Statendam", het prachtige schip van de Holland-Amerikalijn, en ik dacht, dat men het electrisch licht had ontstoken.

Ik zat neder en mijmerde. Mijn leven ging langs mij heen als in een droom en meer en meer greep benauwdheid en vertwijfeling mij aan.

Moest dit nu het einde zijn? Moest ik nu zó sterven? , zo dacht ik al maar weer. Ik voelde, dat ik ineens voor de vuurproef werd gezet en ik kon ze niet doorstaan. Ik had geen kracht.

Steeds grijnsde mij die vreselijke dood tegen, waarin misschien een bom mijn lichaam uit elkander zou rukken. Ik verlangde zozeer te mogen heengaan, liggende op een ziek- en sterfbed in de armen van mijn God en ik vergat geheel, dat Gods armen om Christus' wil toch nu ook om mij heen waren.

Het was mij, of satan mij in het gelaat slingerde de schoonste teksten, waarover ik in mijn ambtelijk leven had gepreekt en alsof hij hoonde: „Preek daar nu nog eens over, als gij durft!"

Het was mij zeer bange! Want er lag een klacht in mijn ziel: ,,Ach Heere, zijt Gij er nog, temidden van die bommen en dat mitrailleurvuur? Midden in deze hel? "

Was Hij het niet. Die toen sprak: ,,Ik ben er wel, maar anders dan gij denkt!", maar Die mij ook zacht en liefdevol verweet : ,,Gij kleingelovige, waarom hebt gij gewankeld? "

O, wat er toen niet boven, kwam! Ik moest er onder door en belijden, dat ik niet anders dan wankelen kon. Mijn troosteloosheid was mijn eigen schuld. Als een schaap was ik 't spoor weer bijster en had ook onbedacht mijn Herder weer verloren.

Waarom ik deze dingen vertel? Persoonlijke belevenissen zijn toch zo intiem, zo teer. Ik spreek hierover dan ook alleen, omdat immers anderen in dezelfde vertwijfeling kunnen geraken. Omdat er meer collega's kunnen zijn wie het overkomt, dat de teksten hun ook in het aangezicht vliegen. Want aan de ene kant is het waar: preken is gemakkelijk! Het is o, zo gemakkelijk! En de kansel is hoog en schoon. Wij kunnen van onze verhevenheid zo waardig neerdalen, wanneer wij gepreekt hebben.

Maar het wordt anders, wanneer God ons nu eens neerslaat in onze welsprekendheid en in ons gevoel van- eigenwaarde. Wanneer Hij van ons persoonlijk ook doodgewone stofjes maakt, die toch eigen­ lijk niets te beduiden hebben. Die alleen meer- verantwoordelijkheid dragen, omdat zij Gods Evangehe op de lippen namen.

De Heere heeft mij veel geleerd in die dagen, wat ik tevoren niet verstond. In diezelfde nacht heeft Hij ook uit 't Woord vertroost. Hij was het. Die mij in het hart fluisterde: ,,Ik zal u leiden en leren van de weg, die gij gaan zult. Ik zal u leiden van stap tot stap".

Toch had ik er nog weinig houvast aan. Het werd morgen. Langzaam brak het daglicht door. Buiten klonk alweer 't knetteren van mitrailleurvuur van Duitse en Hollandse kant, tegen elkander in.

Vele kogels sloegen tegen de wand van de ,,Statendam".

Om 10 uur kwam collega, die beneden woonde, even boven om de tijd te korten. Wij praatten wat met elkander, toen wij plotseling een kanonskogel van onze „Jan van Galen" zagen slaan in het dak van de ,,Rhea", een Duits handelsgebouw, vlak bij ons.

Even later (collega was juist naar beneden teruggekeerd), zag ik in het Zuid- Westen drie vliegtuigen aankomen, die al bezig waren een duikvlucht te maken, recht op ons af. Wij begrepen, dat het Engelse vliegtuigen waren, die op de „Rhea" aanhielden en vluchtten van de zolder naar de voorkamer.

Meteen viel de eerste bom naast ons huis. Geweldig was de luchtdruk. Onmiddellijk daarna vielen er nog drie andere. Alles vloog aan stukken. De huisgenoten waren op de grond gevallen. Ik had mij vastgehouden aan het kozijn van de gangdeur. De spiegelruiten vlogen in duizend stukken de kamer in en tegen mij aan. Ik keek naar mijn vingers en verwonderde mij, dat ik geen bloed zag. Bij de laatste bom had ik een sterk gevoel, alsof ik door alle plafonds van boven- en benedenhuis heengedrukt werd, diep, diep de grond in. En toch waren de kamervloeren nog intact gebleven.

Het volgend ogenblik renden wij de trap af, naar buiten.

Als versufte wezens liepen wij over de straat en dachten eigenlijk niet meer aan gevaar, het ene ogenblik dekking zoekend achter stukgoederen, die op de kade opgestapeld lagen, het volgend ogenblik gingen wij verder de dwarsstraten snel overstekend, omdat de mitrailleurkogels er telkens weer van twee kanten doorheen vlogen.

Onvergetelijk blijft mij ook nog het schouwspel van een dertigtal vluchtende Duitsers, die, van de Maasbrug verdreven, achtervolgd werden door onze kranige mariniers. Dat deed een Hollands hart nog even goed.

Des middags zijn wij nog eens teruggekeerd naar ons huis (het brandde nog niet, hoewel de straat er vlak bij al in lichte laaie stond), om te zien of wij nog iets konden redden, maar nauwelijks boven gekomen, begon de bommenregen opnieuw. Bevend vluchtten wij in de kelder, onder aan de trap.

Terwijl alles weer even stil geworden was, openden wij de buitendeur, en zie ! daar roept een man van de waterkant: „domine, hierheen 1 Deze schipper wil proberen, ons over te varen 1"

Ineens brengt God mij dat Woord in de gedachten van de afgelopen nacht: , , Ik zal u leiden van stap tot stap !" Dat was tweemaal ! Nu sloeg het door 's Heeren goedheid in. Met verrukking werd gevoeld : ,,Dit is een vaart Gods!"

Weg was de twijfelmoedigheid ! Weg was de angst! Dit was de weg.

Laat mij nu verder die tocht niet uitvoeriger beschrijven, dan nodig is. Duitsers en Hollanders beschoten elkander over het water heen. Engelse vliegtuigen gonsden boven ons en wierpen hun last. En wij voeren er tussen en er onder door.

Midden op de Maas overviel mij nog weer even een benauwende gedachte : „En wanneer nu eens een bom het schip trof en u mee in de diepte sleurde ? " (Voor diep water was ik altijd wat bevreesd geweest, misschien wel vanwege mijn afkomst uit het Oosten des lands).

Maar ineens was het of de Heere tot mij zeide: „Dan zink Ik met u mee!"

En in mijn ziel lag het: „Heere, dan met U de diepte in ; dan ben ik niet bang meer !"

Toen vlood de angst wel heen in een punt des tijds. En door de sluizen der ziel deed de Heere binnenstromen zulk een zee van zaligheid, dat alles, alles daarvoor in het niet verzonk. Er waren geen Duitsers meer. Het was geen oorlog meer. Het was vrede en even waren alle aardse banden geslaakt.

O, wat is dat heerlijk zinken. Als mijn Heere medegaat! In Zijn diepten te verdrinken. Waar Hij nooit meer mij verlaat! Eeuwig dan bij Hem te wezen ; Uit de strijd in volle vree. Door Zijn bloed en Geest genezen Neemt Hij mij naar Vader mee.

Ik noemde de oorlogsjaren kwade jaren ; maar terstond mag ik er aan toevoegen : de Heere heeft goede en zalige uren daarin geschonken. Hij heeft ons het ene ontnomen, om ons het andere daarvoor in de plaats te schenken. Hoe wonderlijk actueel wordt dan Gods Woord voor ons. Wat gaan dan vooral vele Psalmen leven foor en in ons ; onder andere:

„Hier scheen ons 't water t' overstromen. Daar werden wij bedreigd door 't vuur: Maar Gij deedt ons 't gevaar ontkomen. Verkwikkend ons ter goeder uur".

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 december 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Een domine vertelt

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 december 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's