De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

kerstfeest

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

kerstfeest

11 minuten leestijd

Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven". Jesaja 9 vers 5a.

Jesaja heeft. Kerstfeest gevierd. Kerstfeest, dat is Christus-feest. In „Kerst" zitten dezelfde letters als in de naam „Christus". Jesaja leefde zevenhonderd jaar vóór Christus' geboorte, en toch, heeft hij de vreugde, de ware ziele-blijdschap van Kerstfeest gekend. In de geest heeft hij de Verlosser gezien, op Hem heeft hij gestaard, zoals onze tekst daarvan getuigenis aflegt.

Jesaja heeft Kerstvreugde gekend. Ja, Kerstvreugde in het midden van strijd. Men moet zich de profeten nimmer voorstellen als mensen, die als bezigheid enkel maar gehad zouden hebben stil en verrukt te genieten in grote dingen Gods. De profeten hoorden bij de ware Kerk Gods op aarde, en de ware Kerk Gods op aarde is altijd een strijdende Kerk. Ons vlees zou het anders willen. Dat zou een Christendom willen zonder strijd. Ons vlees zou een Christendom willen, waarin niets anders gebeurde, dan dat zalige wonderen ons in de schoot vielen. Hoevelen zouden' op die manier Christen willen zijn. Maar een Christendom, waardoor ons hele leven met strijd wordt doortrokken, waardoor in ons bestaan wordt gewoeld, ach, wat een terughuiveren is daarvoor.

De profeten hebben gestaan midden in de strijd. En wel op de meest bijzondere plaatsen, vooraan. Lees in hoofdstuk 7, hoe Jesaja zich met het Woord Gods tegenover zijn aardse koning moest stellen. En midden door zulke beroering heen heeft hij een gezicht gekregen op de betere Koning, die opstaan zou. Door eigen moeite heen liet de Heilige Geest hem zien op de toekomstige Vorst van God.

Laten we de klanken van Jesaja's jubel tot ons door laten dringen.

,,Een Kind is geboren". Dat ,,is" geboren, we begrijpen het, is ,,profetische voltooide tijd". Het hoeft niet te betekenen, dat Jesaja het Kind reeds geboren achtte. Hij ziet de geboorte daar in de toeko mst liggen met zon zekerheid en vastheid, dat hij vooruit reeds jubelt ,,Een Kind is ons geboren".

Wel met recht Kerst-stof. Geboren. Hier wordt niet begonnen bij de volwassenheid van de Grote Koning, maar bij Zijn geboorte. En wij zien in de geest Bethlehem. ,,Geboren", het is voor die Koning, die Christus, een vernedering. Immers, die

Christus is de  , Sterke God". En, misschien nog wel scherper dan Jesaja, weten wij hoe goddelijke heerlijkheid Hem toekomt, gelijk aan God, de Vader. En, Heere Christus, nu wordt Gij geboren als Kindeke. Willen we de dingen leerstellig nu zuiver houden, dan moeten we wel zeggen, dat het hebben van de menselijke natuur op zichzelf, voor Gods Zoon geen vernedering was. Want op het ogenblik, in Zijn staat van verhoging, bezit de Christus Zijn menselijke natuur en Zijn menselijk lichaam nog steeds. Met Zijn menselijk lichaam is Hij ten hemel gevaren, en dat lichaam is niet verdwenen, dat heeft Hij nog altijd. En als nu het hebben van menselijke gestalte een vernedering voor Hem was, dan zou Hij nu, temidden van Zijn verhoging, nog een stuk vernedering hebben en zou Zijn verhoging geen echte verhoging zijn. De dierbare Jezus acht het geen schande, in Zijn verhoging een menselijk lichaam te blijven behouden. Wel weten we, dat hetgeen Hij op het ogenblik heeft, is een verheerlijkte menselijke natuur. Er is een gewoon menselijk, lichaam en er is een verheerlijkt menselijk lichaam. Het verschil tussen die twee kunt gij aan Jezus juist zien. Zijn lichaam was vóór Zijn opstanding anders dan na Zijn opstanding. Waarin het na de opstanding heerlijker was, zelfs het trachten om hiervan iets te zeggen, zou ons te ver voeren. Een verheerlijkt lichaam te hebben, acht Hij geen schande. Dat is ook geen schande, en geen vermindering van Zijn Goddelijke majesteit. Het is, om het met een voorbeeld te zeggen, voor de Koningin der Nederlanden toch geen schande, als zij tegelijk Gravin van Buren heet, en wellicht ook een aantal landerijen in de buurt van Buren bezit. Haar majesteit als Koningin wordt door het bezit van die Burense landerijen niet geschaad. Zo doet het de Christus geen afbreuk als Hij, naast Zijn goddelijke glans, nog een verhearlijkt menselijk lichaam bezit.

Waarin bestond nu Christus' vernedering bij Zijn geboorte? Ge zoudt het nu veeleer zó kunnen zeggen ; daarin, dat Hij toen niet een verheerlijkte, maar een gewone menselijke natuur aannam. Een lichaam, niet heerlijker dan dat van de zondaren, maar gelijk aan dat van de zondaren. En wij weten ook heel goed, in welk een nederige omgeving de geboorte heeft plaats gehad. Neen, geen heerlijkheid was er aan een kribbe, een stal.

,,Een Kind is ons geboren". Hij is mens geweest onder de mensen. Hoewel Hij God blijft, neemt Hij menselijkheid aan. Zijn mensennatuur heeft zo'n waarde voor ons. Een mens kan de straf voor andere mensen overnemen. Zou een engel voor ons kunnen lijden en sterven? Een engel kan niet, eens sterven, hij heeft geen lichaam, dat hij in de dood kan geen voor anderen. Maar Christus heeft menselijkheid, een menselijke natuur. Op die menselijke natuur kan Hij al het lijden, de smart en de dood, laten aankomen, die anderen verdiend hadden.

Neen, niet dit bedoelen we hiermee, dat wij, bij de kribbe van Bethlehem staande. God gaan voorrekenen, hoe de Verlosser moet zijn. Dat wij tegen God als 't ware gaan zeggen : Zie, zo en zo moet de Verlosser zijn ; Hij moet God zijn, en Hij moet mens zijn, en deze en die eigenschap moet Hij hebben. Ach, arm mensenverstand, zoudt gij God voorrekenen, hoe Zijn werk moet wezen? Wie is er als Gods raadsman opgetreden? Was Christus niet verschenen, had dan ooit een mens uit zijn eigen geest kunnen bedenken, hoe die Verlosser had moeten zijn? Maar nu God Zijn Zoon een maal geboren heeft doen worden, nu kan er zijn een staan bij de kribbe van Bethlehem in bewondering en aanbidding, nu kan het verstand, door God verlicht, achteraf iets van Zijn werk verstaan en zeggen : o God, hoe gepast is in de zending van Christus alles, hoe gepast is ook Zijn menselijke geboorte, hoe passend bij het werk der Verlossing.

,,Een Zoon is ons gegeven". Wij horen verder naar het klinken van Jesaja's jubel. ,,Een Zoon gegeven". Zit er in die jubel geen persoonlijke klank? Hoort ge niet, dat Jesaja dit Kind op de allerhoogste prijs stelt? Een kind onder ons zal toch niet rondspringen onder het roepen ,,mijn vader heeft mij een geschenk gegeven", als het dat geschenk op zichzelf niet op prijs stelt. Als de profeet roept , , een Zoon is ons gegeven", dan ziet hij in die gave van de Zoon waarbij. Een vraag voor ons zit er aan vast: zien wij al de allergrootste, de allerkostelijkste waarde in de Zoon?

Heere Christus, dat Gij voor velen niet de parel van grote waarde wordt, het ligt niet daaraan, dat Gij niet aangeboden wordt. We houden vast aan het aanbod der genade aan alle mensen. Aan ieder mens wordt de Christus, met Zijn verlossingswerk, aangeboden.

Maar wat blijft dikwijls achterwege? De toeëigenende werkzaamheid. Het werk van het zich toeëigenen van Gods Zoon.

Wat? •— zo zegt iemand — toegeëigend werk? Mogen wij wel van enige werkzaamheid in deze spreken? Is alles ten opzichte van die Christus niet een werk van de Heilige Geest, ook ten opzichte van Zijn toeëigening?

Ongelijk geven we u daar niet in. En toch spreken wij vandaag eens over toeeigenende werkzaamheid van de mens. Op het geestelijke gebied moogt ge nu eenmaal ook spreken over een zich-bezig-houden van de mens. Gods werk in de ziel zet niet alle menselijke bezigheid stop, maar zet de menselijke bezigheid, op een heilige en rechte wijze, juist in de gang. In de Dordtsche Leerregels wordt het toch uitgesproken, dat juist waar het wederbarende werk Gods plaats vindt, dfe wil van de mens, , van God bewogen zijnde, ook zelf werkzaam wordt".

Laat ik mij iemand voorstellen, toeëigenend werkzaam ten opzichte van de Heere Christus. Ik hoor iemand in het gebed : o God, wat ben ik altijd weer een dwaas in mijzelve ; maar Gij hebt in Uw Zoon toch al Uw gaven neergelegd ; hebt Gij Hem ook niet gegeven als de Profeet en Leraar van de onwetenden en dwalenden? O, Heere Jezus, als Gij door God dan tot Leraar gegeven zijt, dan grijp ik U als mijn Leraar aan en blijf het van U verwachten, van ogenblik tot ogenblik, al mijn leiding, mijn wijsheid en inzicht.

En ik hoor weer iemand bidden : o. God, ik lig telkens en dagelijks weer onder mijn schuld ; maar hebt Gij in Uw Zoon niet de grote Priester en Verzoener gegeven? O, Heere Jezus, ik weet. geen andere raad, ik stel LI als mijn Priester, ik verwacht mijn verzoening alleen van U.

En nog een gebed hoor ik. Iemand zegt: Heere Jezus, zijt Gij niet de van God gegeven Koning? O, Koning, U heb ik nodig om met Uw Koningskracht steeds weer het boze in mij te breken. O, Koning Jezus, in Uw handen stel ik mij, U grijp ik aan als mijn Koning.

Zulk een zich Christus toeëeigenen, zo Hem toe te passen op onze noden, dat vergt een waarachtige ernst. Want leeft men niet bij zijn, geestelijke nood, dan zal men Christus niet als Profeet, Priester en Koning nodig hebben. Zulk een zich toeeigenen van Christus, het vergt ootmoed, erkentenis van nietigheid, ' het vergt ook een voortdurend gebed. Zo'n zich-toeëigenen van Christus, het vraagt geloof, het vraagt een geloof, dat het niet zoekt in menselijk kunnen en kracht, dat het dieper zelfs zoekt dan in de godsdienstige gevochgheid.

Wanneer ge de ,,oude schrijvers" kent, dan weet ge, dat ze dan het diepst van hun hart uitstorten, wanneer zij spreken over het waarachtig aangrijpen van de Christus. Wie Brakel's ,,Redelijke Godsdienst" kent, weet hoe zijn boek als 't ware één beschrijving is van het ware zich-toeeigenen van Christus. ,,Tot de Christus. toelopen, zijn hart op Hem zetten, zich aan Hem overgeven".

En dat het recht aangrijpen van Christus een voortdurende ernstige werkzaamheid en bezigheid der ziel kan genoemd worden, wie spreekt er zo over als Brakel? Wat vermaant hij tot naarstigheid in de innigste werkzaamheden der ziel.

Brengt een opwekking tot geestelijke naarstigheid geen gevaar van werkheiligheid? Zie het in een beeld : als een vrouw van haar echtgenoot een ring krijgt, dan bekijkt ze die ring eens, en dan past ze hem aan. En als dan die ring goed en sierlijk zit, is zij dan trots op het feit, dat zij die ring aangepast heeft? Wel neen, dat valt weg, zij is alleen dankbaar, dat haar man die ring gegeven heeft. Zo is het, met eerbied gesproken, ook met het Kerstkindeke, de van God gegeven Zoon. De mens moet met Hem werkzaam zijn. Maar het wondere is : wie recht werkzaam is met Hem, wel echt biddend en worstelend bezig is aan Jezus' voeten, die ziet juist geen eigen prestatie, geen prestatie in het zoeken van Hem, die ziet al meer de heerlijkheid en de volheid van de gegeven Zoon".

Ja, in de practijk van de geestelijke worsteling wordt duidelijk, hoe alles moet gezocht worden in Gods gave, in de ,,gegeven Zoon".'

En rondom deze dingen is er het werk van de Heilige Geest? De geestelijke strijder, juist die weet het, hoe de Geest Gods in het gebed soms zo wonderlijk helpt en de geloofsblik op Christus soms zo wonderlijk versterkt.

Voorwaar, het geheimenis van Kerstfeest is groot. God zendt in eeuwige liefde Zijn Zoon, en legt al Zijn volheid neer in die Zoon. En het gehele omgangs-leven met die Zoon wordt gedragen door de Heilige Geest.

Kerstfeest spreekt van Gods heerlijk werk, ja van Gods verlossingswerk. „Ere zij God" zongen de engelen in de Kerstnacht. En mensenmonden zeggen stamelend het ,, Ere zij God" na. Doet ook uw mond, doet ook uw hart dat?

Wier ziel zal nooit, „Ere zij God" zeggen ? De ziel van degenen, die geestelijk aan de kant staan. Die mensen, die misschien kwasi-diepzinnig over vele geestelijke dingen spreken, maar hun hart houdt zich verre van God. Die mensen in wier leven nooit de strijd teg'en het eigen boze ik ontbrandt, de mensen, die, bij vroom spreken misschien, met zo velerlei vorm van zonde een verbond houden ; de mensen bij wie ernstig gebed altijd ontbreekt.

Maar er is een strijdende gemeente, een ootmoedige gemeente die in het Kerstfeest glanzen ziet. Glanzen van Gods eeuwige heerlijkheid. Hem zij eer !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 december 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

kerstfeest

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 december 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's