De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De vroomheid zoekt een God van nabij

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De vroomheid zoekt een God van nabij

10 minuten leestijd

Dat lijkt nu waarlijk wat al te bont. Kan men zeggen, dat de tekenen van verroomsing ook al op Barthiaanse invloeden wijzen, terwijl K. Barth n.b. voor een bestrijder der Roomse leer geldt ?

Het één is volstrekt niet in strijd met het ander. Of hebben wij niet bepleit, dat men termen als Barthiaan en Bartiaans wat ruimer dient te nemen ? Zonder beding is er direct verband tussen ,,Barthiaans" en de leer van K. Barth, maar daarom is het zeer we! mogelijk en zelfs waarschijnlijk, dat ,,Barthiaanse" stromingen en beweringen slechts ten dele worden gedekt door de leer van K. Barth. Slechts ten dele, maar er is altijd een gemeenschappelijk punt.

In het midden gelaten, of K. Barth zichzelf in die mate gelijk blijft, dat men van een aan zijn eigen maatstaf gemeten orthodoxie zou kunnen spreken, behoeft het Barthianisme nog niet in alles orthodox te zijn om toch nog Barthianisme te blijven.

Aan de kerkelijke orthodoxie wenst men bij voorkeur een spreiding toe te meten van orthodox over ,,midden-orthodox" tot vrijzinnig toe — getuige de uitdrukking : modaliteiten. Wij zijn van mening, dat deze spreiding, kerkelijk beoordeeld, niet ,,verantwoord" is en geheel ten onrechte zo wordt gesteld. Maar ten aanzien van het Barthianisme kan het zeer wel verantwoord worden, de grenzen wat ruimer te nemen, als men niet zulk een partijdig en kortzichtig standpunt inneemt, dat al, wat Barthiaans genoemd mag worden, gans en al van K. Barth afhankelijk en afkomstig moet zijn.

Want zo is het noch zakelijk, noch historisch. Het is alles zo door en door menselijk en de reactie op de historische ontwikkeling der negentiende eeuw onder bepaalde groepen van mensen is zodanig gelijk gericht, dat slechts ,,het luiden van de klok" nodig was om ze te verzamelen in de verwachting : ,,dat is het". Barth gaf uitdrukking aan hetgeen in het hart dier groepen vroeg om uitdrukking. Uit één van zijn ,,voorreden" blijkt, dat het hem zelf heeft verrast, dat zovelen op zijn klokgelui afkwamen.

Het ,,Barthianisme" werd wakker en ging aan de hand van de meester aan het werk, vaak met een élan en spontaneïteit, die aan dynamiet deden denken. Het woord is ook wel gebruikt.

Aanvankelijk heeft het ook de verwachting van anderen gaande gemaakt en er zijn gewis voorstanders geweest, die zich hebben diets gemaakt, dat nu het ware procédé voor een hernieuwd kerkelijk leven gevonden was. En ook zijn er geweest, mogelijk zijn ze er nog, die het gevoelen koesterden, dat men met volharding doorprekende en gesprekken organiserende alle richtingen zou winnen Voor een nieuwe eenheid. Soms kreeg men de indruk, dat er iets van het gewraakte politieke regimen mede was overgekomen op kerkelijk erf : volhouden, dan gelooft men het binnenkort algemeen —• van boven af doorzetten om de traditie te doorbreken.

Sommigen wilden over de confessie heen, d.w.z. buiten de confessie (en ook buiten de Reformatie) om, terug naar het oer-Christendom. Over de confessie heen naar de Schrift om het oer-Christendom te vinden.

Zij zouden tot hun verdediging hebbenkunnen aanvoeren, dat de Reformatie toch ook teruggreep op de oude Christelijke kerk. Dat is ook zo, maar juist daarom zou het toch de aangewezen weg zijn, dat men begon met eerst eens op de Reformatie terug te gaan.

Het is intussen met die teruggang ook niet zo maar klaar. De hier bedoelde geesten stellen zich voor over alle eeuwen heen een sprong in het oer-Christendom te wagen —• en als wij opkomen voor de belijdenis, wordt ons tegengeworpen, dat je de klok niet terug kunt zetten.

Een zelfde tweeslachtigheid ontdekt men ook daarin, dat wel wordt gesproken over een oer-Christendom, doch wat men daaronder verstaan wil, staat niet vast. Want, zoals het ons in de Evangeliën en brieven wordt voorgesteld, neemt men het niet. Dat is een uitgemaakte zaak, want men neemt de Schrift niet gelijk Christus en de apostelen als Gods Woord, dat niet gebroken kan worden. Dan kan de klok weer niet terug en, staat men met twee voeten in de negentiende-eeuwse Schriftcritiek. 

Zo beweegt men zich in een subjectief bepaalde voorstellingswereld omtrent een oer-Christendom en zijn gegevens. Deze grote verwarring kan even weinig respect afdwingen uit een oogpunt van wetenschappelijke bezinning en methode, als uit een oogpunt van echt Christelijk geloof.

Daarmede bedoel ik dan het geloof, dat in de belijdenisgeschriften aan het woord is, n.l. het geloof, dat door Woord en Geest wil geleerd zijn en daarom een voortdurende toetsing aan het Christendom van Christus en de apostelen doormaakt. Wil men dat „oer-Christendom" noemen, dat moet men zelf weten, maar dat is dan een oer-Christendom met een vaste grond en geen zwevend begrip van een iets, dat volgens de regelen ener Schriftcritische methode moet worden opgedolven van onder de bedenkselen van mythen en legenden !

En dat zou al te gader Barthianisme zijn? Zo even gold het de vraag, of het Barthianisme mede aansprakelijk zou zijn voor de tekenen van verroomsing. Daarop hebben wij eigenlijk nog geen duidelijk antwoord gegeven en nu wordt er gesproken van oer-Christendom, van Schriftcritiek, van mythe en legende. Staat K. Barth dan ook op Schriftcritisch standpunt ?

Zonder enige twijfel !

En wat die verroomsing aangaat, de vereerders van Barth zullen heel boos worden, als zij dat horen. Heeft Barth niet tegen de Roomse leer gestreden en heeft hij Rome eigenlijk niet in het hart getroffen in zijn heftig protest tegen de analogia entis ?

Eerlijk gezegd neen, dat heeft hij althans met dat protest niet, maar hij heeft het hart van de kerk, welke in de Reformatie te voorschijn trad van onder de macht van het Pausdom, aangerand en zou het, zo het mogelijk ware, doen verlammen door een onschriftuurlijke interpretatie van de leer der praédestinatie, waardoor ook het wezen der kerk wordt te niet gedaan.

De uitholling van het geloof, waarop in een vorig artikel werd gewezen, heeft echter reacties van het religieus gevoel opgeroepen, welke o.a. ook in romaniserende strevingen bevrediging zoeken.

Indirect heeft de leer van K. Barth dit zonder enige twijfel bevorderd. Dat kan niemand ontkennen.

En wat de overige vraag betreft aangaande het onzekere, van het tasten en zoeken naar een ,, oer-Christendom", op Schrift-critische grondslag, daaraan is de leer van K. Barth ook niet ganselijk onschuldig. 

De vereerders van K. Barth kunnen al weer boos worden, als wij opmerken, dat de ervaring leert, dat het ,,Barthianisme" voor een aanzienlijk deel drijft op, wat ik zou willen noemen, de geest van Schleiermacher. In de kringen, waar deze geest heerst, blijkt men inzonderheid ontvankelijk voor de leer van Barth.

Dit verschijnsel kan niet geloochend worden. Onder de vrijzinnigen vindt deze leer veel en veel minder aanhang en de gereformeerden ontvingen haar met de scherpste critiek. De geest van Schleiermacher is echter onder de aanhangers der ,,nieuwe theologie" in haar verschillende nuances nog zeer werkzaam.

Dat mogen de zo even bedoelde vereerders-onprettig vinden, maar dat wijst duidelijk op een verwantschap tussen de vroegere ,,Ethischen" en het gros van de ,,Barthianen". En dat ondanks het krachtig verzet van K. Barth tegen Schleiermacher, zodat zij in zeker opzicht antipoden zijn.

Deze verwantschap blijkt b.v. op twee punten heel erg duidelijk : de Schriftwaardering en de praédestinatie. De ,,Ethischen" hebben altijd reeds bezwaar gehad tegen de Gereformeerde belijdenis, aangaande de Heilige Schrift. Zij namen het standpunt in : Gods Woord in de Bijbel, maar onderschreven niet: de Bijbel is Gods Woord. Evenzeer kenmerkten zij zich door protest tegen de gereformeerde belijdenis aangaande de praédestinatie en het was opvallend, dat zij er altijd over moesten praten.

Geen wonder, dat Barth deze mensen moest aantrekken, dat zij door zijn leer werden aangetrokken. Dat is nu juist een voorbeeld van die geestelijke sympathie, waarop wij telkens gewezen hebben, en die wij met het begrip ,,Barthianisme" willen aanduiden.

Een ander punt van sympathie zouden wij kunnen noemen in de waardering van het dogma. De ,,Etischen" tekenden zichzelf met de uitdrukking : „Niet de leer, maar de Heer !" De dynamiek van het leerbegrip van Barth, kon er niet bepaald toe bijdragen de vastigheid van de leer te bevorderen. Integendeel, deze moest ten zeerste vervluchtigen. De confessie nu ! Wij hebben dat trouwens in de laatste jaren ondervonden.

Alleen moet men bedenken, dat de ,,Ethischen" uit een ander gezichtspunt beschouwd verder van huis raken, als zij in het zog van Barth varen. Immers met de leer, die zij zonder droefenis reeds hadden losgelaten, zullen zij geen moeite hebben, maar heeft de leer van Barth ze eigenlijk ook niet van de Heer beroofd ? Moet dat althans voor het ethischee gevoelen niet zo zijn ? 

Velen schijnen dat niet zo gewichtig te nemen. Zeker zijn er onder de z.g. ,,Ethischen" van weleer, die zich heel gemakkelijk aansluiten bij de leer van een algemeen verzoend zijn in Christus en dat in de meest objectieve zin.

Doch er zijn er evenzeer, die toch bij zulk een godsdienst, die eigenlijk helemaal buiten de mens omgaat, geen vrede hebben. Zij hebben blijkbaar behoefte aan een God meer van nabij. Eeh God zo ver weg, met Wie een mens niet in gemeenschap kan treden en die ook niet tot de mens afdaalt .—' (behalve dan in de vleeswording des Woords, als in de leer van K. Barth althans bedoeld wordt, dat de Zone Gods ons vlees en bloed heeft aangenomen) .—kan de ethische vroomheid toch ook niet voldoen. Vandaar toch ook weer het zoeken van een uitweg, een ontvluchten aan de leer van Barth.

Er zijn er die zozeer in de overleggingen van hun hart verstrikt werden, dat de leer van Barth voor hen een soort asyl werd ; er zijn er, die meelopen, maar er zijn er ook, die uit dit toevluchtsoord zoeken te ontkomen. En dan gaan verschillende argumenten spreken. De Lutherse waardering van de heilsmiddelen, in die zin, dat daaraan als zodanig werkzame kracht wordt toegeschreven. Het heil wordt aan de genademiddelen gebonden. Zij worden niet slechts als tekenen en zegelen gewaardeerd, maar zij zijn meer dan dat. Zij zijn vol van kracht en werken als zodanig. Zo werd reeds in de zeventiende eeuw de leer der praédestinatie aan die der heilsmiddelen verbonden.

Zonder beding is de ,,ethische" richting sterk Lutheraniserend. En moge men de directe invloed van K. Barth in dit verband ontkennen, ontegenzeggelijk moest de prediking van Barth's distantie-theologie bij hen, die daartoe neiging hadden, bij wijze van reactie de schaal doen overslaan in de richting van het sacramentalisme.

Bij anderen kwam een belangstelling op voor de liturgie, welke zij trachten dienstbaar te maken aan de vulling van de leegheid in de dienst des Woords, —- voorzover men daarvan nog spreken kan .—•. Ook deze belangstelling blijkt niet vrij te zijn van een sacramentalisme, dat de onmiskenbare kenmerken van verroomsing draagt. Wij spreken dan nog niet van die verschijnselen van verroomsing, die een welbewust streven naar romanisering verraden.

Weer anderen vragen belangstelling voor het ingekeerde leven en gaan van bevinding spreken, zodat ook de vroomheid haar stem doet horen.

Nog eens, men kan dit alles niet uit directe invloed van de leer van Barth verklaren, maar dat deze gang van zaken onder haar invloed indirect is bevorderd, kan moeilijk worden betwist.

Overigens staat de theologie van K. Barth niet op zichzelf en los van de ontwikkeling van het Lutheranisme in de negentiende eeuw. Integendeel, zij is uit dat proces opgekomen, zonder twijfel als een machtig doorklinkende dominant, maar dan toch te midden van andere stemmen. Soms doen zij zelfs reformatorisch aan en zouden het ook wel zijn kunnen — maar telkens stuit men weer op onderstellingen, die zo moeilijk met de gezonde leer zijn overeen te brengen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 december 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De vroomheid zoekt een God van nabij

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 december 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's