De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Hofnar van Gelre

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Hofnar van Gelre

Een verhaal uit het begin der 16e eeuw

4 minuten leestijd

Toch wil ik meester Occo gaarne helpen, en zal er ook voor zorgen, dat het vonnis zijner verbanning vernietigd wordt, zeg hem dit. •—• Maar nu iets anders, vrienden.

Elburg zal zich weldra moeten overgeven. Dan ligt de stad Harderwijk aan de beurt. Die zal het evenmin lang tegen de Oostenrijkers uithouden. Nu ga ik, als Elburg is gevallen, met mijn manschappen naar 't vaderland terug, maar zal toch zorgen, dat meester Occo subiet in vrijheid wordt gesteld, als hij, naar gij gehoord hebt, door de Hertog is gevangen gezet".

Daarop bracht hij ons in tegenwoordigheid van heer Filips van Egmond, een van de Oostenrijkse veldheren, en verzocht hem, ons naar Harderwijk mee te nemen, en bij de inneming der stad terstond voor u, oom, de gevangenis te willen openen. Heer Filips beloofde dit, en heeft stipt woord gehouden. Zo zijn wij drieën, dat wil zeggen : wij beiden en de gezel Cornelis, tegelijk met de vreemde troepen de stad binnengekomen".

,,En nu mijn verrassing, " zegt Anna op geheimzinnige toon, terwijl ze haar man teder aanziet. ,,Ik heb "

Opeens komt iemand de winkel binnenstormen, en eer het verbaasde vijftal — want Stijntje heeft, in een hoek gezeten, Resius' verhaal mede aangehoord — eer het verbaasde vijftal begrijpt, wat er gaande is, staat de kleine gezel Cornelis met een van ontsteltenis vertrokken gezicht voor hen.

Allen staren hem vragend aan, terwijl Stijntje, hoewel een weinig verbouwereerd, toch lachen moet om de kluchtige verschijning. Want kluchtig ziet de jonge man met z'n kinderachtig voorkomen er wel uit, grijs bestoven als het manneke is. Op zijn kreeftrood gelaat, insgelijks door stof begroezeld, parelen hier en daar grote zweetdroppels, die op sommige plaatsen naar beneden biggelen in grillige kronkelingen als van rivierbeddinkjes. En achter op dat hoofd als van een cretin, die grootbollige hoed met neergezakte, brede rand, waaronder de verwarde haren plakerig en piekerig uithangen. Dan die brede, open mond, strak gespannen, of hem 't spreken belet wordt; voorts die loense, uitpuilende ogen, die dwaze houding, die korte x-benen

Even lonken de ogen naar links en naar rechts en komt er een krampachtige stuipbeweging in zijn lippen ; dan stoot de jonge man er hijgend en blazend uit:

,,Is Moeder hier ? Men zei : de kogels hebben haar gedood ! dat zei men ! Waar is ze ? " 

Vrouw van Emden en Stijntje zijn de enigen, die z'n angst begrijpen, want ook meester Occo is niets van de ramp, die Marijke heeft getroffen, ter ore gekomen. De eerste poogt de jongeman terstond te kalmeren.

„Stil maar, Cornelis, hou je bedaard, jongen. Ja, je moeder is hier, maar niet dood, dat is overdreven ; alleen gewond, 't Zal wel seffens beteren."

Een zware zucht ontsnapt aan Cornelis' borst; zijn oog verheldert.

,,Waar is Moeder, Vrouw Van Em­ den ? Och, 'k wil 'r subiet zien, nu dadelijk ! O toe !"

Anna opent de deur van 't ziekenvertrek.

,,Daar ligt ze, jongen. Zachtjes, ze slaapt, geloof ik. Maak niet te veel leven: ze is nog zwak, maat."

De adem inhoudend sluipt Cornelis op de tenen naar binnen.

Dan, de zieke heeft al iets van 't gebeurde opgevangen en zit rechtop in haar bed. Nauwelijks merkt zij haar jongen op, of met een kreet van vreugde juicht en snikt ze tegelijk :

m'n lieve, beste jon­gen!, Cornelis ! 

Angst en smart vergetend vliegt Cornelis op zijn moeder toe, valt voor het bed neer, drukt teder de handen der gewonde vrouw aan zijn lippen en Stamelt :

,, Moeder, o ! wat ben ik blij ! O, dat zeg ik ! "

Intussen zijn ook meester Occo, Siebe en Resius opgestaan, en aanschouwen wat in het naaste vertrek voorvalt.

,,Is dat nu Wijntje van Dam ? " vraagt de eerste halfluid op een toon vol van verbazing. ,,Nog nimmer zag ik haar zonder een grote huive, maar nu Kijk eens, Resius, lijkt ze niet sprekend op Marijke, de vrouw van Onno ? Als ik niet beter wist "

Resius haalt de Schouders op en fluistert:

,,'k Zou 't niet kunnen zeggen, oom. U moet bedenken, dat ik nog maar een kleine jongen was, toen zij uit Emden vertrok. Wel komt ze me bekend voor."

Anna heeft de verbazing van haar echtgenoot opgemerkt en 't gefluister verstaan. Zacht dringt ze de mannen in de huiskamer terug en zegt dan genoeglijk glimlachend : 

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 december 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Hofnar van Gelre

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 december 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's