De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Door het Woord zijn alle dingen gemaakt

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Door het Woord zijn alle dingen gemaakt

10 minuten leestijd

In de voorafgaande artikelen hebben wij de nadruk gelegd op de practische ontwikkeling of liever op de practische gesteldheid van de leer in de Hervormde Kerk. Daarbij viel het licht op een verschijnsel, dat wij ondanks de nieuwe mode, richting en niet modaliteit blijven noemen. Er schuilt in de term modaliteit een — laat mij dan maar zeggen — onjuistheid. Daarin is een onderstelling gelegen ten aanzien van de kennis der waarheid, en derhalve omtrent de Godsopenbaring, welke wij niet kunnen onderschrijven. Immers als het met de kennis der Waarheid Gods zodanig gesteld is, dat een mens daarvan slechts een schemering kan vatten, niet meer dan een glimp kan opvangen, zodat de gereformeerde belijdenis essentieel in geen enkel opzicht onderscheiden kan worden van allerlei soort vrijzinnigheid, dan moet men aannemen, dat de bovenbedoelde onderstelling in de grond der zaak geen andere is dan deze : de Waarheid Gods is zo verheven boven alle menselijke kenvermogen, dat het menselijk onmogelijk is enige formulering der waarheid te geven, die meer dan onzekere en verwarde betekenis kan hebben.

Gevolgtrekking ? ! De profeten zijn ook mensen geweest, ergo ook de Schriftuurlijke openbaring is een menselijke, aan menselijk vermogen of onvermogen gebonden, en bij gevolg een onzekere gestalte van Godskennis.

W^ij hebben er op gewezen, dat de ,,ethischen" met de gereformeerde belijdenis ook op dit punt reeds lang gebroken hadden door te beweren, dat ,,Gods Woord in de Heilige Schrift is". Ook hebben wij op het critische standpunt gewezen dergenen, die tot de Barthianen kunnen gerekend worden. De Bijbel een menselijk woord, maar God kan er gebruik van maken en het tot Gods Woord maken. Het moge waar zijn, dat Barth wel eens aan een tekst vasthoudt, zodat ook zijn vejreerders en aanhangers er door verrast worden, dit verhindert niet, dat hij met het oog op Schriftplaatsen die in de theologie der gemeente van centraal belang worden geacht, van sagen en legenden spreekt.

Op zich zelf echter is het niet zozeer van belang, hoe Barth, of Brunner, of Niebuhr •— en wij zouden deze reeks nog kunnen uitbreiden — over de Schriftwaardering denken. Van bijzonder groot belang is het echter, dat er naast de vrijzinnigen een ganse groep als de ,, ethischen" zo geneigd blijkt te zijn het onzekere standpunt der critici omtrent de Heilige Schrift over te nemen en dat deze zo ontvankelijk is voor allerlei theologische denkbeelden van de studeerkamer. Gewoonlijk worden deze denkbeelden dan nog overgenomen en verbreid in de vorm van consequenties, die mogelijk door de auteur niet zouden worden aanvaard of toegestaan.

Bovendien gaat dat dikwijls gepaard met een hoogmoedige houding jegens degenen, die zich houden aan de belijdenis der vaderen, waarmede tegelijkertijd het geloof der vaderen als dat van genoemde belijders wordt veracht. Dit is op zich zelf reeds weinig verantwoord tegenover dat geloof en tegen het voorgeslacht zelf, maar dat is nog niet het ergste. In geheel deze houding is ook een lichtvaardigheid om niet te zeggen lichtzinnigheid ten aanzien van de waarheid dier belijdenis, welke als goddelijk, wijl Schriftuurlijk, wordt beleden. Lichtvaardig, omdat men al te gemakkelijk blijkt na te lopen, degenen, die zulke dingen leren, lichtzinnig, omdat men aan Gods gemeente — (en daar wil men n.b. bij behoren !) — de kennis der Waarheid ontzegt, welke de Christus haar heeft toegekend en bevolen heeft te bewaren. (Joh. 17:8; 14 : 23). De Geest van Christus zal de gemeente zelf in die waarheid leiden en indachtig maken, al wat Christus gezegd heeft (Joh. 14:26). En dan komen daar mensen, die van de anderen allermeest zich daardoor ohderscheiden, dat zij de kerk willen regeren, in meerdere mate verburgerlijken en vferwereldlijken dan zij reeds was, en die mensen willen wijzer zijn dan de Koning der Kerk zelf, die zegt, dat de Schrift niet gebroken kan worden.

Zij doen zich voor, alsof zij alleen van de Christus geleerd willen zijn, maar zij verwerpen Zijn Woord, zodra het met hun gedachtengangen niet overeenkomt. Onder het voorwendsel van een vrome schijn zijn zij nog een gevaar voor anderen, die niet beter onderricht zijn.

Zelfs onder de critici zijn er, die overigens met de edelste bedoeling, het doel voorbij schieten en instede van de kerk een dienst te bewijzen gevaar lopen haar verder van de waarheid af te voeren. Wij denken aan overigens met bekwaamheid geschreven boeken, over de theologie van Barth. Op zich zelf is het zeer te prijzen, dat men aan deze recht wil doen wedervaren en waardering wil uitspreken voor alles wat dat z.i. verdient. Het verdient ook lof, als men tracht misverstanden weg té nemen, als men die op enig punt bij anderen aantreft. Inzonderheid prijst b.v. ds. van Dijk Earth's bedoeling om er grote nadruk op te leggen, dat de genade existentioneel is, laat mij zeggen, dat de genade een levende betrekking van de mens met God onderstelt, dat de genade alleen in die levende betrekking als genade wordt gekend en waarlijk genade is.

De waarheid, welke daarin schuilt, erkennen wij gaarne en deze is ook in de gereformeerde kerken altijd beleden. Spreekt ook de belijdenis niet van waarachtig geloof ? Die Christus door een waarachtig geloof is ingeplant, enz. (H. Cat. vr. 64).

En wij erkennen ook, dat het geloof bij de gelovigen niet altijd levend en werkzaam schijnt te zijn. Het kan zo dor zijn.

Wij vinden dat ook in de psalmen (Psalm 31 en 32). Vandaar de grote betekenis aan de bevinding gehecht, zodat deze zelfs onjuist wordt toegepast en men van zijn bevinding een grond gaat maken.

Of de nieuwe theologie dan met dat existentioneel karakter hetzelfde wil aanduiden, als de gereformeerde met wedergeboorte ?

Pas op, en meent niet, dat zij u daarin tegemoet wil komen. Dan kon zij wel eenvoudig overgaan tot de gereformeerde belijdenis, en dat is het nu juist, wat zij niet wil en niet doet, omdat zij het daarmede geheel niet eens is.

Ds. van Dijk maakt ook een en ander maal een opmerking van die aard en terecht. Maar wij zouden gaarne zien, dat vooral met het oog op de practische toestand van het kerkelijk leven meer aandacht werd besteed aan de tegenstellingen, zoals die in de gemeente liggen. Daaraan is meer behoefte dan aan academische betogen, die ten slotte aan de kern van de zaak voorbij gaan, zoals die in de gemeente leeft. Ook al, omdat niet in de eerste plaats de gereformeerde belijders, maar de Barthianen er op mogen gewezen worden, wat prof. Barth omtrent de existentionele genade zegt. Onder hen zijn er waarlijk genoeg, die dat zo ernstig niet schijnen te nemen. De gereformeerde prediking en theologie echter laat niet na er op te wijzen, dat een verstandelijk of historisch geloof geen zaligmakende kracht heeft en dat het gaat om een levend geloof.

In de eerste plaats is het nodig, dat wij met de gemeente bezig zijn en met de opvattingen, die in haar midden worden gevonden.

Het verdient ook aanbeveling met het begrip existentioneel in de moderne litteratuur wat voorzichtig te zijn. Ten eerste wordt daaronder niet door allen het zelfde verstaan, verder wordt het gebruikt in een zin, die onverenigbaar is met het geloof in de schepping, waarin ons de Heilige Schrift onderricht. Daarmede hangt ook weer samen, dat de predikers van dergelijke begrippen aan het geloof der gemeente overeenkomstig haar belijdenis in de weg staan en dat zij de mensen, die er in verstrikt raken, afkerig maken van alles, wat naar kerkelijke belijdenis of dogma zweemt. Intussen vergapen zij zich aan. dogmata, die geen andere grond dan de menselijke verbeelding hebben. En het blijkt telkens weer, dat er geen groter dogmatisten zijn dan dezulken, die smalend neerzien op theologische leerstellingen.

De nieuwe theologie is n.l. niet vreemd aan de moderne gedachtenwereld, die met existentie-philosophie wordt aangeduid, een gedachtenwereld, waarin het reformatorische dogma slecht zou passen, indien het er ook maar geduld zou zijn. Eigenlijk wil men in die wereld van geen enkele leerstelligheid weten. Men heeft genoeg van de beweringen van het idealisme, van de verheerlijking van het menselijk redewezen, dat de ganse wereld indeelt naar de eis van het systeem, alle dingen bepaalt en hun plaats in het helal a, anwijst. Men is verzadigd van de menselijke waan of eigenlijk toch niet van de menselijke waan, maar van de waan van het idealisme, dat alles in het intellect deed opgaan, het intellect aanbad als een god, terwijl het in zijn eenzijdigheid de menselijke ziel in de veelvuldigheid harer werkingen en noden liet verkommeren. En dan die teleurstellingen van het humanisme, dat zijn verwachtingen er op had gebouwd !

De nieuwe wijsbegeerte nu heeft de strijd aangebonden tegen die waan, tegen het intellectualisme; Zo meent zij althans, terwijl zij zoekende is naar een ,,nieuw denken".

Vooralsnog kenmerkt zich dit nieuwe denken vrij algemeen en zelfs een beetje eentonig daardoor, dat het ten minste op het terrein der wijsbegeerte niets wil weten van de voor ons zo gewone wereld van verschijnselen, waarin wij leven, die wij dingen, voorstellingen en begrippen noemen. Zij is van mening, dat wij in de omgang met al die bepaaldheden achter de dingen en ook achter ons zelf aandraven. Niet die vormen en gestalten, maar de levensdrang, ja, .het voortstuwende leven zelf, heeft men op het oog. Men wil de vormen en gestalten vóór zijn, men wil daar schouwen, waar de vormen en gestalten niet als zodanig, maar als mogelijkheden wachten Wachten ? Dat is het nu juist: wachten op de beslissing op in ieder geval op een gebeuren, waardoor het zó en zó wordt, verschijnt, wij zeggen, aan het licht treedt in onze wereld, zodat de dingen wórden gezien. Maar let wel, de existentie-wijsbegeerte is 't niet te doen om onze waarneembare wereld, maar om die wereld, als zij nog niet waarneembaar is, en om de mens, als deel van die wereld, midden in haar, in zijn verbon- H denheid met haar en dan niet in die alle- 1 daagse werkelijkheid, doch om die wereld in de verborgenheid, waaruit zij gestalte aanneemt.

Het is derhalve begrijpelijk, dat degenen, die door zulke beschouwingen worden ingenomen, ook tegenover de formuleringen van de inhoud des geloofs eenzelfde standpunt innemen, deze op zijn minst sceptisch ontvangen, daaraan alleen historische waarde toekennen, maar ze als uitdrukking van de waarheid of waarheden die vandaag nog en op die wijze van kracht zijn, niet erkennen. Zulk een lot treft de belijdenis niet alleen, maar ook het woord van apostelen en profeten.

Derhalve gaat het volgens deze beschouwing ook in de kerk niet om de waarheid, zoals de kerk der vaderen die heeft beleden. Niet om de belijdenis gaat het, maar om het belijden der waarheid en dat kan in veelheid van vormen en gestalten. Men zal zich het veelvuldig gebruik van het woord ,,dynamisch" herinneren !

De lieden, die zich aan deze gedachten overgeven of daarin gevangen worden, zolang zij daarin blijven, worden afgekeerd van het Schriftgeloof en zoals wij zeiden, van de leer der schepping.

Het evangelie leert ons, dat de Zone Gods alle dingen gemaakt heeft, en de belijdenis legt daarop alle nadruk (vgl. Ned. Gel. bel. art. X). Geen ding wordt daarvan uitgezonderd. Zo is het de Zoon, die aan alle dingen vorm en gestalte heeft gegeven en geeft. Hij doet altijd de Wil des Vaders, en zo is het ook de Wil des Vaders, dat alle dingen vorm en gestalte hebben. Dat niet alleen, maar het is ook de Wil des Vaders, dat zij zijn, zoals zij zijn. (Vgl. de laatste hoofdstukken van Job).

De dingen, die wij zien, komen op uit de dingen, die niet gezien worden. God wil dus, dat wij de wereld zien, zoals Hij de dingen voor ons in gestalte zet. Dat is Zijn werk en zo is de wereld voor de mens, de wereld, waarin God die mens heeft gezet.

In die wereld wil God Zijn heerlijkheid de mens openbaren, in die wereld wil Hij zich aan die mens nader bekend maken. In de taal van die wereld, wil God de mens aanspreken. Ja, in die wereld is Hij nedergedaald, als het Woord is vlees geworden, om Zijn onuitsprekelijke barmhartigheid te bewijzen.

En nu zal de mes komen en zeggen :

„Ik ben daarvan niet gediend!"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 31 december 1952

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Door het Woord zijn alle dingen gemaakt

Bekijk de hele uitgave van woensdag 31 december 1952

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's