De Hofnar van Gelre
Een verhaal uit het begin der 16e eeuw
,,Zie, Occo, dat is nu mijn verrassing. Ja, je hebt gelijk : het is Marijke, de weduwe van die neef uit Emden, van wie je mij zoveel hebt verteld. — Maar zeg : je bent toch niet boos, dat ik haar heb opgenomen ? je lijkt zo in de war. Je moet dan weten, dat haar huisje bijna geheel is plat geschoten ; zij zelf heeft bij die gelegenheid lelijke wonden bekomen. Ik had zo'n medelijden met 'r, Occo, dat ik 'r terstond hier liet brengen. Ik dacht: Occo zal het ook wel goedvinden. Meester Rutger is gisteravond niet bij je toegelaten, anders had je 't al eerder geweten.
,,Och neen, lieve vrouw, neen, dat is 't niet : je hebt er heel goed aan gedaan, heel goed. Maar 't trof me zo, haar te herkennen. Zeg eens : hoe kwam je 't te weten, dat 't Marijke was ? "
Anna vertelt nu alles in geuren en kleuren; ook van Marijkes innig berouw, en overhandigt de meester daarna de gewichtige bewijsstukken. ,,Nu wordt alles weer goed, Occo" besluit ze. ,,Nu kun je je hoofd voor iedereen weer opsteken en hoef je niet meer zo bedrukt te zijn."
Dan vervolgt ze, met guitige blik haar nog steeds verbaasde man aankijkend : ,,Neen wees maar niet bang, beste ; als je naar Emden wil terugkeren, zal ik je er niet van terug trachten te houden : ik ga overal met je mee, hoor !" Meester Occo is diep geroerd.
,,0, " zegt hij, — en zijn stem trilt van aandoening — ; „wel is het waar, dat bij God uitkomsten zijn, waar men het niet verwacht! Wie had zich dit nog voor kort kunnen voorstellen! Hoe toevallig ! — maar neen, zo mag ik niet spreken ; •— hoe wonderlijk zijn 's Heeren wegen ! Marijke en haar man hebben vroeger veel kwaad over me gebracht, maar juist door hun kinderen is, naar 's Hemels onbegrijpelijk bestel, weer veel vergoed."
Als hij nog spreekt, komt Cornelis weer in de huiskamer. Zijn gezicht staat vrolijk, doch zijn wonderlijke ogen schijnen niettemin verlegenheid te willen uitdrukken.
,, Meester Occo, " zegt hij beschroomd ; ,,Moeder heeft mij pasjes alles verteld van vroeger, dat heeft ze. Ze heeft, al zeg ik 't zelf, bijster veel berouw en laat vragen, of 't haar wilt vérgeven O, goede meester, doe 't ! ! "
„Welzeker, mijn jongen, dat wil ik van harte doen, " klinkt het zonder aarzelen. ,,Maar op 't ogenblik ? Is ze wel sterk genoeg om met mij te spreken ? "
,, 0 ja, jawel ; — nu, dadelijk ! " Anna knikt haar man toe. Deze begeeft zich daarop, gevolgd door Cornelis, in het ziekenvertrek.
Meester Occo vervult zijn Christenplicht ten volle; en weldra baadt Marijke, onder de vriendelijke troostwoorden van de droogscheerder, in tranen. De kleine gezel toont zich onder dit alles zó wonderlijk te moede, dat hij van louter verwarring, lachend en schreiend tegelijk, alle aanwezigen in de huiskamer één voor één de hand gaat drukken, onderwijl als tegen zichzelven mompelend :
„O, de Heere is wel goed, al zeg ik 't zelf!"
Met innige blijdschap ziet Siebe dit alles aan en doorleeft het, om zo te zeggen, mee. Zulk een liefde, zulk een tederheid, die zag hij nooit vroeger. Nimmer straalde hem ook zulk een vrede en stille, dankbare gemoedsstemming uit een mensenbhk toe als thans bij zijn huisgenoten. Hoe koud, ijskoud was, hetgeen hij vroeger in het klooster doorleefde, vergeleken bij dit alles ! Hij komt er geheel van onder de indruk,
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 31 december 1952
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 31 december 1952
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's