Schepping en Verkiezing
Wanneer men veronderstelt, dat de enige openbaring die is, welke in het vleesgeworden Woord is geschied, dan volgt daaruit niet alleen ontkenning van iedere andere bijzondere Godsopenbaring, maar vanzelfsprekend ook die vorm van openbaring, welke wij algemene openbaring noemen.
Met de profetische openbaring weet men eigenlijk geen weg. Ganselijk ontkennen, dat gaat niet, hoewel 't consequent zou zijn. De uitweg, dat de Oud-Testamentische openbaring een voorlopig karakter draagt, kan weinig anders dan een ijdele uitvlucht heten, omdat ook zulk een opvatting de enigheid zou breken van de openbaring in de vleeswording, van welke enigheid men een grondstelling maken wil. Het is intussen begrijpelijk, dat mensen, die zulke grondstellingen maken, niet op rechtlijnige redeneringen gesteld zijn. Dat vindt zijn oorzaak in het systeem, dat tegelijkertijd toch weer geen systeem mag zijn.
De ontkenning van een algemene openbaring heeft echter weer ten gevolge, dat men in de klem raakt met de leer der schepping. Het kan toch duidelijk zijn, dat men alle leerstukken, voor zover men daaraan plaats en betekenis wil toekennen, aan die enige openbaring van de vleeswording moet ontlenen, want een andere weg blijft er niet over.
Reeds eerder hebben wij op de verhouding van wet en evangelie gewezen, welke omgekeerd wordt tengevolge van de bovengenoemde grondstelling. Alle kennis vindt immers haar oorsprong in het vleesgeworden Woord. Zo moet dan ook de kennis van God de Schepper daarin zijn bron hebben.
„In de praedestinatie", schrijft K. Barth, „gaat het allereerst en eigenlijk om de eeuwige verkiezing van de Zone Gods tot Hoofd van Zijn gemeente en van alle schepselen". (K. D. III/3 S 3).
De schepping wordt door dit besluit voorondersteld en de voorzienigheid is de uitvoering van dit besluit. Het zijn van God zelf en het besluit van Zijn verkiezing worden ons slechts openbaar in de verhouding van de Schepper tot Zijn schepsel. In zoverre wordt de verhouding Schepperschepsel dus als een gcgevene aangeduid. Hoewel dat voor ons geen gegevenheid kan zijn, tenzij wij daar enig besef van hebben, kan men dat in de gedachtengang van Barth toch niet zo algemeen stellen. Hij wil dat zien in de betrekking tot de Zoon van God, in wien Hij Immanuël, , , God met ons", , , God voor ons" wil zijn. God heeft zich in Zijn Zoon daartoe uitverkoren , , voor ons te zijn". , , Hij heeft zich zelf tot onze Vader en ons tot Zijn kinderen uitverkoren". (Vgl. K. D. IÏI.3 S. 33). Op die wijze valt de hele wereld en de ganse geschiedenis onder het aspect der verkiezing, terwijl die verkiezing is gericht op de Zoon n.l. op de Zoon in het vlees, dat is de Zoon, die de schepselmatigheid heeft aangenomen en wij zijn er om de wille van de Zoon. Mitsdien valt ook de schepping en de verhouding van Schepper tot schepsel in het licht van de vleeswording des Woords.
En het heeft er alle schijn van, dat Barth wil beredeneren, dat wij het zó en zo alleen moeten zien.
Met voorbijgang van verschillende vragen, welke deze structuur moet oproepen, stellen wij de hoofdvraag : n.l. , , of deze beschouwing in de goede zin des Woords schriftuurlijk mag heten".
Wij zijn de stellige overtuiging toegedaan, dat zulks niet het geval is. Dat wij er zouden zijn om des Zoons wil, is nog wel iets anders dan wat de Schrift getuigt, als zij zegt, dat God alle dingen heeft gewrocht om Zijns zelfs wil, ook de goddeloze tot de dag des kwaads.
En dat God zichzelf tot onze Vader in de Zoon heeft uitverkoren, is wel een heel merkwaardige toepassing van het begrip uitverkiezing. Deze uitdrukking kan echter wel heel duidelijk aantonen, dat K. Barth zijn theologie radicaal van uit de verkiezing opbouwt. Alle dingen, de ganse wereld, de scheppende werkzaamheid Gods, worden ondergeschikt aan de goddelijke verkiezing
Op zich zelf beschouwd is dat zonder twijfel een radicale opvatting van de praedestinatie, waardoor zij in volmaakt absolute zin wordt genomen. Alweer op zichzelf beschouwd, is dat, n.l. het absoluut karakter der praedestinatie, gewis een karakteristiek gereformeerde gedachte, of liever een kenmerkend stuk van het Calvinistisch geloof.
Toch stelt de gereform.eerde theologie de dingen anders dan ons hier wordt voorgesteld. Alle dingen vallen onder de Raad Gods, terwijl de praedestinatie volgens de definitie van Calvijn over de mens gaat. Onder praedestinatie verstaat hij het eeuwige besluit Gods, door hetwelk Hij bij Zich heeft besloten, wat Hij wilde, dat van een ieder mens zou worden. Want niet allen worden met gelijke conditie geschapen; maar voor sommigen wordt het eeuwige leven, voor anderen de eeuwige verdoemenis voorverordineerd. (Vgl. Vert. Sizoo. Inst. III, 21, 5).
Calvijn stelt dus de Wil Gods en derhalve het besluit Gods of de Raad Gods over alle dingen, maar betrekt de prasdestinatie tot de mens en de conditie, waaronder ieder mens zal bestaan. De praedestinatie neemt daardoor in de Raad Gods een plaats, zij het de voornaamste plaats in, omdat de mens de kroon der schepping is. De praedestinatie valt binnen het bestek van de Raad Gods. Wederom ziende op de definitie van de praedestinatie, is het duidelijk, dat zij weer in tweeën uiteenvalt: uitverkiezing en verwerping.
Wat dit betekent? Of voor verschil maakt? Wel, dat de praedestinatie bij Calvijn deel uitmaakt van de Raad Gods, derhalve een plaats inneemt in die Raad, en dat alzo de mens en zijn geschiedenis eveneens een plaats verkrijgen binnen het bestek van die Raad.
Barth daarentegen maakt de Raad Gods afhankelijk van de praedestinatie en deze dan genomen in de zin van verkiezing. Men moet hierbij dus ook nog in aanmerking nemen, dat de verkiezing, welke in Calvijn's theologie een onderdeel uitmaakt van de praedestinatie, in de beschouwing van K. Barth het hoofdaccent, zijnde de eigenlijke doelstelling, ontvangt.
Volgens de theologie van Calvijn wordt de leer der verkiezing het hart van de kerk, want zij betreft de kerk, zij wijst de kerk aan, zonder de verkiezing geen kerk. De kerk is uit de verkiezing, vindt haar oorsprong in de verkiezing, is de uitwerking der verkiezing. Nog anders gezegd : de kerk is een schepping Gods, welke een plaats inneemt temidden van al de werken Gods overeenkomstig Zijn Raad.
In de constructie van K. Barth worden alle dingen afhankelijk gesteld van de verkiezing. Ieder besluit Gods valt onder het aspect verkiezing, zó zelfs, dat God zich volgens hem tot Vader verkiest. Heel het werk der schepping onder de verkiezing, zodat heel de schepping uitwerking der verkiezing is. De verkiezing verschijnt hier • dus in het licht van de centraal beheersende factor der schepping.
Terwijl alzo in de theologie van Calvijn de kerk uitwerking van de verkiezing is, treedt in de beschouwing van K. Barth de hele schepping, de mensheid incluis, in de plaats, welke de kerk bij Calvijn inneemt.
Wij hebben dit reeds eerder in ander verband opgemerkt, doch in dit gezichtspunt komt het universeel karakter van Barth's praedestinatie-leer wel heel duidelijk uit. En hoewel in dit universele een echt Lutheraanse trek aan het licht treedt, kan overigens de praedestinatie-leer van K. Barth evenmin Lutheraahs als Calvinistisch heten.
Voorts kan het ook duidelijk zijn, dat de vraagstukken omtrent supra- en infralapsarisme, die de gereformeerden hebben bezig gehouden, in de visie van Barth zijn opgerold tot in het éne alle dingen omvattende besluit der verkiezing. Wij willen daarbij echter thans niet stilstaan.
Van meer belang is het, op een andere aangelegenheid te wijzen : n.l. op de plaats en de betekenis van de kerk.
In Calvijn's theologie is de kerk een schepping, welke uit de Raad Gods, bijzonderlijk uit de verkiezing opkomt. De kerk is een geestelijke werkelijkheid, geordineerd van vóór de grondlegging der wereld naar het voornemen Gods. (Ef. 1:4). Zij omvat een volk, degenen, die de Vader de Zoon gegeven heeft, een koninklijk priesterdom, een priesterlijk koninkrijk. Dit volk heb Ik Mij bereid tot Onze lof! Daarmede is het wezen der kerk uitgedrukt : • zijnde het Lichaam van Christus. (1 Petr. 2 VS. 9 ; Jcs. 43 vs. 21 ; 1 Cor. 12 vs. 12 en 13).
In de visie van Barth treedt de hele schepping in de plaats van de kerk, zodat er voor de kerk niets anders overblijft dan een voorbijgaande functie in dienst van de wereld!
, .Dienst aan de wereld 1", de uitdrukking is bekend genoeg geworden. Wat anders bedoelt men met het z.g. apostolaat, dan dienst aan de wereld? Een ander bevestigt dat door het apostolaat het wezen der kerk te noemen. En dan mag een dood gewone dominé nog niet eens zeggen, dat hij de kerkorde Barthiaans vindt, zonder dat een andere dominé daaruit aanleiding neemt om hem aan de kaak te stellen.
Het universeel karakter der verkiezing in zo absolute zin als Barth daaraan hecht, wordt door hem gerechtvaardigd door de goddelijke verkiezing op de Christus te betrekken, n.l. op het vleesgeworden Woord. Anders immers zou er nog niet de minste grond zijn om de hele schepping onder de verkiezing te plaatsen. Neen, de Zoon in schepselmatige gestalte zou het doelpunt der verkiezing en daarom van alle werken Gods zijn. In die zin wordt dan het schepsel-zijn, de verhouding Schepper—schepsel ondersteld, want in praedestinatie gaat het allereerst en eigenlijk om de eeuwige verkiezing van de Zoon Gods tot Hoofd van Zijn gemeente en van alle schepselen.
De vleeswording des Woords verkrijgt dan min of meer het karakter der goddelijke doelstelling op en voor zich zelf, en ligt als het ware het gewone, normale verloop der geschiedenis. Vandaar dat ook de zonde, of wat men daarvoor meent te houden, volgens deze beschouwing in het normale vlak der historische ontwikkeling moet liggen. Geen wonder, dat men de indruk krijgt, dat de creatuurlijkheid als zodanig als zonde wordt beschouwd. Maar dan wordt het toch weel heel wonderlijk, dat de vleeswording des Woords als verwezenlijking van de eeuwige verkiezing Gods langs die weg des lijdens moest gaan, aangezien de creatuurlijkheid deel uitmaakt van de doelstelling der verkiezing.
Een en ander komt wel overeen met het Barthiaanse universalisme, dat de hele wereld tot kerk maakt, maar het is in heftige strijd met de Bijbel, die geen andere oorzaak der vleeswording kent dan de zonde van de mens, en met de uitspraken van de Christus zelf : „Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven ; maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem". (Joh. 3 vs. 36).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's