De Rotssteen der behoudenis
Van het einde des lands roep ik tot U, als mijn hart overstelpt is ; leid mij op een rotssteen, die mij te hoog zou zijn. Psalm 61 vers 3.
Zeer waarschijnlijk herinnert deze psalm aan de tijd, toen David moest vluchten voor zijïi zoon Absalom. Gij kent de geschiedenis. David is verstoten van de troon. Een groot gedeelte van het volk is op de hand van Absalom. Met zijn getrouwen vlucht David naar de Jordaan, alwaar hij de overtocht zijner troepen gadeslaat.
Wat moet er niet in zijn ziel zijn omgegaan, staande bij de oever van de Jordaan, zó te moeten vluchten voor zijn eigen zoon. Temeer, daar het donker is in zijn ziel,
Waar zal hij met zijn nood heengaan?
Waar anders heen dan tot God, Die hem zo menigmaal heeft geholpen ? Tot Jehova, de Getrouwe, verheft zich zijn ziel. Hij roept uit : , , Van het einde des lands roep ik tot U, als mijn hart overstelpt is".
, , Van het einde des lands".
Was hij dan zó ver weggevlucht? Neen, hij was in het Overjordaanse, en dus vrij dicht bij Jeruzalem, waar de Heere met Zijn gunst woonde. Hij was dus maar een korte afstand van Jeruzalem verwijderd. En toch zegt hij : , , Van het einde des lands roep ik tot U". Zo bijzonder ver was David dus niet weggevlucht. Voor de Israëliet echter was Jeruzalem met de tabernakel het middelpunt des lands, ja, het middelpunt der aarde. Dat was voor David bovenal zo, omdat hij in Gods huis menigmaal de gemeenschap des Heeren had genoten. En al was hij nu maar een korte afstand van Jeruzalem met de tabernakel verwijderd, toch verwijdt deze afstand zich tot in het oneindige, als hij aan zijn God denkt. Zo gevoelt hij zich als een balling, ver verwijderd van de tabernakel, rondzwervende aan het einde des lands.
Maar wist hij dan niet, dat God alomtegenwoordig is, niet gebonden aan tijd of plaats? Gewis, maar hij heeft daar niet aan, omdat het in zijn ziel zo donker is. Hij heeft geen houvast aan de alomtegenwoordigheid Gods. En daarom is het, alsof de ganse aarde hem van de Heere scheidt. Het is voor hem zo duister. Van zijn koningschap is hij beroofd, en nog wel door zijn eigen zoon. Geen wonder, dat hij zijn zielstoestand weergeeft : „Van het einde des lands roep ik tot U, als mijn hart overstelpt is". Zijn hart is overstelpt, dat is : zijn hart bezwijkt onder het leed, dat Absalom hem aandoet, maar bovenal omdat God het toelaat dat zijn zoon hem verjaagd heeft. David werd herinnerd aan zijn eigen schuld. De slaande hand des Heeren had hij verdiend. David gevoelt hier de diepste wonde ; de Heere had het volste recht om door te trekken in de weg des gerichts. Hij wordt in zijn ellende herinnerd aan zijn eigen zonde : de bloedschuld met Bathseba, waardoor het zwaard niet van zijn huis zou wijken, zoals de profeet Nathan had verkondigd. Dat schrijnt door zijn ziel. Eigen schuld !
Daarom begint David deze psalm niet met het klagen over de gevaren, die hem bedreigen. Hij klaagt Absalom niet aan. Neen, zijn ziel verheft zich tot God, opdat Deze voor hem zal zijn, als vanouds, een schuilplaats in gevaren en de nabijheid des Heeren het hoofd weer doet opheffen. Het is zijn innig zielsverlangen te mogen weten dat het met de Heere weer tot een vlak veld wordt. Hij kan de Heere niet m.issen, daar 's Heeren gunst hem boven alles gaat.
Ziet, zover moet het ook bij ons komen, zal het goed zijn, ook al zijn we niet in die zonde gevallen als David. We zijn immers reeds , , gevallen", van de hoogte der Godsgemeenschap in de diepte der Godsvervreemding. Door onze zonde zijn we zeer ver verwijderd van God. Kent ge dit? Is dat een levende werkelijkheid voor u? Dan is God voor u geen begrip, zoals voor velen, maar een God, Die gij mist door uw zonden, maar Die gij toch niet missen kunt. Uw hart is dan overstelpt, bezwijkt onder de last van zonde en schuld. Verstaan wordt dan de dichter :
Want mijn hoofd is als bedolven, in de golven van mijn ongerechtigheên.
Zulk een last van zond' en plagen, niet te dragen, drukt mijn schouders naar beneên.
Is het hart dan niet overstelpt, wanneer de ogen zijn opengegaan voor het eerst voor eigen verlorenheid, en dat door eigen schuld? Die toestand doet hen als David zijn aan het einde des lands, dat is : zeer ver van God verwijderd. Een ontzaglijke kloof van zonde en schuld scheidt hen van God. Maar ziet, het gebed is de ademtocht der ziel. Er ontstaat een roepen, een bidden en smeken, want de Heilige Geest, die ontdekt aan eigen ellende, drijft ook uit naar Boven. De tollenaarsklacht : , , 0 God, wees mij, zondaar, genadig", wordt ervaren als-een levende werkelijkheid.
Ik denk verder aan zielen, die met David op de verdere weg des geloofs met eèn overstelpt hart hun weg gaan. Allerlei tegenspoeden kunnen het geloofsoóg zo verdonkeren. Dan is de levensweg met doornen bezaaid. Ziekte en dood maken het leven zo zwaar. De zorgen van het gezin doen hen bedrukt voortgaan. Het leven is zo moeilijk. Men is het niet ééns met Gods weg. Allerlei tegenspoeden maken het voortgaan zo moeilijk.
Ik denk aan de aanvechtingen, die de ziel kunnen bestormen, ook al gaat het uiterlijk goed. Hoe verschrikt kan de ziel zijn, als de diepten van het zondige hart worden ontbloot. Hoe schrikt men dan van zichzelf. Men wordt hoe langer hoe groter zondaar in eigen oog. Waar zal men zich bergen? Voorwaar, overstelpt is dan het hart. Dan verkeert men met David aan het einde des lands. Als in donkere woestenijen zucht men dan in die tijden : , , Zou God Zijn gena vergeten? " Maar de Heilige Geest wekt dan ook, als bij David, het gebedsleven weer op en zij bidden niet alleen : , , Van het einde des lands roep ik tot U, als mijn hart overstelpt is", maar óok: „Leid mij op een rotssteen, die mij te hoog zou zijn". Hij weet, zijn God is er nog, al is hij ver verwijderd van Hem. Er is bij Hem uitkomst en verlossing te vinden.
Wanneer David hier de Heere vergelijkt met een Rotssteen, ziet hij zichzelf als een schipbreukeling in de kokende golven van zonde en schuld, de oorzaak van de tegenspoeden des levens.
God is echter voor hem een veilige Rotssteen, temidden van de woedende golven. Maar hoe zal hij die Rotssteen kunnen beklimmen. Hij is veel te hoog. Zijn geloofskracht is uitgeput. Nodig is, dat de Heere Zelf tot hem, afdaalt met Zijn Geest, zodat hij zich door het geloof weer kan vastklemmen aan zijn God, Die trouwe houdt tot in der eeuwigheid en nooit laat varen de werken Zijner handen.
Wie zal ook door eigen kracht zich verlaten op de Heere? Wie zal zelf de kracht des geloofs oproepen? Een dood geloof kent dit niet. Dat staat altijd op één hoogte. Daarom is het ook een dood geloof. Dat redt zich zelf wel. Maar zo ontbreekt de kracht des geloofs, die alleen de Heilige Geest doet stromen door de ziel, als een levende werkelijkheid, die niet onder woorden is te brengen.
David bidt om dat geloof, want dan is de Heere voor hem een rotssteen, waarop hij zich veilig mag weten. Hij smeekt : „Leid mij op een rotssteen, die mij te hoog zoude zijn".
Leg de nadruk op het woordje : leid. De bedoeling is, dat de ziel bij de hand moet worden genomen. Gods hand alleen kon David opheffen uit zijn ellende en de gemeenschap met de Heere weer doen kennen. Die hand is de Heilige Geest, die altijd maar weer na af- en omzwerving, de Godsgemeenschap doet kennen. David heeft dit ervaren, want door het geloof heeft hij zijn God weer gevonden. Door de Heilige Geest werd er weer geloof in zijn ziel gestort, zodat hij vertrouwde dat de Heere alles weer goed zal maken. Zegt hij niet in het 4e vers : „Ik zal in Uw hut verkeren in eeuwigheden ; ik zal mijn toevlucht nemen in het verborgene Uwer vleugelen. Sela".
Zoals het toen was, is het nog. De leidingen Gods zijn nog precies hetzelfde als ten tijde van David. De bede: , , Leid mij op een rotssteen, die mij te hoog zoude zijn", wordt nog geuit door Gods kinderen. De zoekende zielen kennen die klacht. Deze komt op uit een hart, dat zelf niet kan en durft aannemen, de Rotssteen der behoudenis, de Heere Jezus Christus.
Vandaar dat de Heilige Geest van de Vader en de Zoon uitgaat om af te dalen tot de in zichzelf verloren ziel. Hij, Die verloren heeft gemaakt. Hij, Die onmacht heeft geleerd. Hij, Die ontledigd heeft, komt ook om te vervullen met Christus en leidt de ziel als met de hand tot Jezus. Het leiden des Geestes is dan een leiden in de vrijmoedigheid des geloofs, om de belofte des heils aan te nemen. Er is dan ook een vrijmoedigheid om Gods beloften aan te nemen. Langs de ladder des geloofs wordt de Rotssteen der behoudenis beklommen en staande op die Rotssteen, weidt mijn ziel hier met een verwonderd oog, daar de golven van het oordeel, die de zondaar moesten doen omkomen, zijn stukgeslagen tegen de Rots der behoudenis. -
Lezer, kent gij de toeleidende weg tot Christus? Rust niet aleer gij de rust hebt gevonden op deze Rotssteen. Uw roepen zal niet tevergeefs zijn, als gij als David bidt: , , Leid mij op een Rotssteen, die mij te hoog zoude zijn".
Deze bede wordt echter gedurig herhaald in het leven van Gods kinderen. Zie maar naar David. Allerlei zonden, tekortkomingen en boezemzonden verduisteren het geloofsleven. Het is donker. De kracht des geloofs is verslonden. Maar de Heere weet Zijn volk weer op de plaats te brengen, zodat de bede wordt herhaald: , , Leid mij op een Rotssteen, die mij te hoog zoude zijn". En zie, op Gods tijd wordt bij vernieuwing geloofd : Christus is gisteren en heden en tot in eeuwigheid Dezelfde.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's